Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label recensie. Alle posts tonen

woensdag 4 maart 2026

Anne Frank's dagboek

Voor veel mensen in Nederland, en zelfs de wereld, is het Dagboek van Anne Frank een “bekend” boek. Velen zullen erover gehoord hebben, meer dan het zelf gelezen hebben, of “ze” gelezen hebben, want het gaat eigenlijk om dagboekbrieven. Meervoud dus. Het boek is overigens in 70 talen vertaald.

Ik ben zelf nu boven de 50 – vanaf een bepaalde leeftijd vier ik geen verjaardagen meer of in ieder geval "minder", zoals mijn moeder ook zei - , maar dit moet ik wel even vermelden om de tijdspanne aan te geven van mijn leven.

Ik ben geboren in Nederland, en de laatste ruim 20 jaar woonachtig in Amsterdam. Daarvoor woonde ik ook niet ver van Amsterdam (Nieuw Vennep, NH: rustig, maar saai dorp), dus kwam er weleens, en vaker toen ik in Amsterdam ging studeren, in 1996. Ik was toen inmiddels al de 20 gepasseerd, en woonde naar (denk ik) goed Zuid-Europees gebruik nog wat jaren bij mijn ouders (Italiaanse vader, Spaanse moeder).

Anne Frank’s dagboek was al sinds kind bekend bij mij, het dagboek, de connectie met de Holocaust, het bijbehorende gebouw en museum in Amsterdam. Ik deed in 2000 een afstudeerscriptie bij Greenpeace International, gelegen naast waar Anne Frank schuilde (het Achterhuis), met nog – zei men mij - daarvoor dezelfde kastanjeboom die zij zag. Die afstudeerscriptie was voor de voormalige bibliotheek academie (HBO), nu in naam opleidend tot “informatiespecialist”.

Ik hoorde er ook veel over (school, tv), maar ik moet helaas – wellicht tot mijn schande – erkennen dat ik me niet bewust kan herinneren het dagboek zelf gelezen te hebben, in al die tijd.

BOEKENWURM

Het kan zijn dat ik het ergens in een fanatieke boekenwurmen tijd die ik had na mijn “voetbal tijd” (tot ong. mijn 14e), zo’n decennium had (tot in mijn “20s”), ook “verorberd” had – dan wel deels – maar te midden van veel andere boeken en werken. Ik las toen veel over Afrika en cultuur, wist ik nog, maar ook wereldgeschiedenis. Ik vond “geografie” om een of andere reden intrigerend, en niet zo boeken waar je al zoveel over hoort, zoals enkele romans.

Dit ging allemaal veel verder dan wat van school moest, en thuis waren de meesten niet echt lezers. Het was vooral mijn eigen weg, nadat ik doordat ik een bril moest dragen (vanaf ongeveer mijn 13e) maar stopte met al dat voetballen: niet zonder spijt: de sport vind ik leuk. Ik vond gelukkig lezen en leren ook leuk en werd zelfs lid van de bibliotheek.

Mijn smaak was voorts eigenzinnig, maar wel breed en diep. Ik zocht meestal kennis die wat minder “mainstream” gepromoot werd. Harry Mulisch’s De Aanslag - een relatief bekende en ook verfilmde roman - las ik dan wel, en met plezier, maar dat was dan een van de uitzonderingen die de regel bevestigen, zeg maar. Op TV kwam Mulisch op mij grappig en interessant over, mogelijk daarom. Maar een “groot ego” boek als ‘Ik, Jan Cremer’.. daar kon ik mij niet toe zetten. Mogelijk vonden anderen het goed, maar ieder zijn ding.

Non-fictie begon me gaandeweg meer te trekken – met name over geschiedenis - , en de boekenwurm in mij bleek een intellectueel. Toen las ik wel werken van “bekende namen”, vanwege het historische belang, maar ook selectief, en, wel, op leesbaarheid. Het Communistisch Manifest van Marx en Engels las ik wel – leerzaam op zich -, filosofische werken van Herbert Marcuse, Miguel de Unamuno, en anderen.

Verder vooral ook van zwarte, antikoloniale auteurs als Walter Rodney. Diens onvolprezen werk over Europees kolonialisme in Afrika: How Europe Underdeveloped Africa, is een aanrader voor iedereen. Zeker voor diegenen die zich als Rasta of “Afrika-vriendelijk” beschouwen. Daarnaast andere interessante boeken over deelgebieden (Rastafari, Cuba, Ethiopië), en leerzame biografieën van mensen met persoonlijkheden als Marcus Garvey, maar ook van muzikanten James Brown, Lee Perry, Peter Tosh, e.a.), veelal deels samenhangend met mijn sinds mijn “early teens” ontstane persoonlijke interesses (Rastafari, Reggae).

Maar mijn maatschappelijke belangstelling bleef breed. Een ander – toch – non-fictie werk als Anne Frank’s dagboekbrieven wilde ik eigenlijk ook lezen, vooral vanwege het historische belang. Ik had er veel over gehoord, maar dat hoeft niets te betekenen.

Als er teveel egotripperij om een boek hangt - een “hype” -, stoot het me af, maar rondom Anne Frank’s dagboeken hing dat niet zo, al werd het veel besproken in de media, soms met grappen, over wat voor iemand Anne Frank was. “Een vervelend kind, maar dat hoort ook zo op die leeftijd..”, herinner ik mij dat Jeroen Krabbé in een praatprogramma zei, toen het dagboek weer eens in het nieuws kwam. Wat flauwe grappen door matige comedians daar gelaten, hadden de meeste gesprekken rond Anne Frank’s Dagboek wel wat niveau en nuance.

Controverse – vooral als van een zeker intellectueel niveau - om een boek heen maakt me wel wat nieuwsgieriger, en ik ben het dan ook gaan lezen. In het Nederlands. Als een spreekwoordelijke “elephant in the room”, maar een leuke, lieve olifant, zeg maar. Het lezen was "long overdue”..

SCHUILEN

De premisse is al indrukwekkend. Een groep Joden, waaronder Anne met haar ouders en wat anderen, moest schuilen voor de Nazi’s die Nederland hadden bezet en met steeds meer maatregelen tegen Joden kwamen. Anne was 13 toen ze begon onder te duiken (voor nog een paar jaar).

Ik kan dat relateren aan wat ik elders vernam over die Nazi-bezetting en het Nazi-regime, zoals op school, via documentaire’s, of in tentoonstellingen als het Verzetsmuseum. Er zijn critici van de weergave van die geschiedenis, maar de grote lijnen leken mij wel waarachtig. In ieder geval veelzeggend.

De wreedheid van het Duitse Nazi-regime zat hem in de militaire kracht, zeker, maar vooral het gebruik ervan. Eigenlijk gingen ze heel leugenachtig te werk, nogal sadistisch, en in zekere zin “geniepig”, zeker aangaande de Jodenvervolging.

In Nederland hadden de Nazi’s het eerst nog over een vage “strijd tegen het bolshevisme”, later toegespitst op groepen, maar geleidelijk en martelend sadistisch. Ook de afvoer naar concentratiekampen werd niet openlijk gepresenteerd als “bestemming: dood”, maar als werkkampen en tewerkstelling, waarbij velen in die kampen in het ongewisse bleven over hun gaskamer dood, terwijl ze gedwongen werkten.

Dit diabolische geheel - concreter: een Duitse oproep tot tewerkstelling aan Anne’s oudere zus - deed ook Anne Frank en de anderen schuilen in het Achterhuis, letterlijk achter een bedrijf/magazijn (van vader Otto Frank), uit het zicht, aan de Prinsengracht in Amsterdam, vlakbij de Westerkerk. Vóór die tijd, woonde het gezin Frank aan het Merwedeplein in Amsterdam-Zuid.

De dagboekbrieven betreffen het samenleven daar van Anne met haar ouders, oudere zus, en bevriende Joden (waaronder echtparen en zoon, en een tandarts), en helpende niet-Joodse Nederlanders uit het verzet, trouwe werknemers van Otto’s bedrijf, die af en toe langs kwamen ter steun, en dus wel gewoon over straat konden lopen, zonder ster, en daardoor dingen en voedsel konden brengen, etcetera..

Dit hele naargeestige gegeven moet haast wel interessant leesvoer opleveren, wie het ook schrijft, en Anne was weliswaar wat jong, rond de 13 jaar oud, doch – ook noodgedwongen – vroegrijp.

SCHRIJFTALENT

Het prettigste bij het beginnen te lezen vond ik dat ik merkte dat Anne Frank plezierig schreef in haar toch persoonlijke dagboek: het las lekker weg, een aantrekkelijke, beeldende schrijfstijl, en niet zonder droge, relativerende humor. Ze had ook een goed observatievermogen. Zeker, er waren wat kinderlijke herhalingen en fixaties bij haar schrijven, maar dat is niet meer dan natuurlijk, evenals het “pubergedrag” af en toe. Ze had zonder meer schrijftalent.

Ik merkte vooral dat Anne toch een relatief intelligent kind was voor die leeftijd, en begon mezelf af te vragen of dat ook voor mij gold op diezelfde leeftijd (13-15 jaar). Ik was goed in taal (leerde snel Engels), maar herinner mij toch ook dat ik zelfs wat “diepe beschouwingen” rond die leeftijd had – zelfs met een voetbal onder mijn arm – die iets intellectueels hadden, over de maatschappij. Al pratende met mensen, tussen het praktisch, spelend, me vermakend, bezig zijn.

Anne Frank zat echter noodgedwongen binnen ondergedoken, en moest wel veel nadenken en reflecteren, met weinig tijd voor spel en sport, of ander “vrij buitenleven”. Ze schreef ook letterlijk dat ze vroeger (nog “thuis”, niet schuilend) veel minder nadacht dan in het Achterhuis. Daar zit een wat verhulde, maar aanwezige tragiek.

De Frank familie waren Duitse Joden afkomstig uit Frankfurt am Main, en spraken deels soms nog Duits, begreep ik, naast Nederlands, en Anne had in Amsterdam jaren onderwijs gevolgd.

Ze schrijft goed Nederlands, zelfs wat formeel en vormelijk – met nuance – wat ik wel sympathiek vond, om een of andere reden. Ik vraag mij af: had dat te maken met een ouderwetsere tijd in Nederland – praatte men toen in Nederland gewoon netter en formeler – of met hun Duitse achtergrond, als taal toch formeler dan het Nederlands (ondanks de gedeelde Germaanse taalkundige oorsprong)?

Die “gedeelde Germaanse oorsprong” van Duitsers en Nederlanders maakte de Duitse inval in Nederland – zo vertelde een geschiedenislerares mij ooit – wat gematigder, want Nederlanders waren volgens de Nazi rassenleer “een Germaans broedervolk” (letterlijk zo genoemd in de propaganda), mede-Ariërs, aan de goede kant van de raciale streep. De Joden en zigeuners in Nederland toen echter niet.

De eerste jaren waren nog wel gematigd, maar wat meer verzet, zoals de Februaristaking, leidde tot wat meer disciplinaire maatregelen, duidelijk van een bezetter, in heel Nederland, maar met extra strenge regels tegen Joden (langere “avondklok”, steeds meer plekken verboden), en uiteindelijk hun vervolging en afvoering. Anne’s dagboekbrieven waren van juni 1942 tot augustus 1944, dus spelen in die tijd.

In deze context, te midden van een oorlog met de geallieerden die opmars maakten, schrijft Anne Frank in haar dagboek, zogenaamd aan een fictieve vriendin die ze “Kitty” noemt.

RELATIES EN KARAKTER

Anne bespreekt in haar dagboekbrieven aldus haar relaties en irritaties met de huisgenoten (met andere namen gegeven), het soort gesprekken en ruzies, diners, hoe ze met haar ouders is, werktaken e.a.. Ze heeft een “moeilijke” band met haar moeder, maar lijkt meer affectie voor haar vader te hebben. Er is ook de wat oudere tandarts die in huis kwam “Dussel” (ook een Duitse Jood, eigenlijk Frits Pfeffer geheten) die ze vaak maar een raar, en soms vervelend iemand vond. Vooral toch het speelse gezeur van jonge meiden, en die Dussel vond hetzelfde over Anne. Speelse irritaties - soms wat naarder – maar normaal bij elk samenwonen, vooral als zo dicht op elkaar als in dat Achterhuis.

Kwam Anne als “naar” of “vals” kind over, wat sommige lezers later stelden? Nee, in mijn beleving niet. Ze praatte nogal genuanceerd, vaak zelfkritisch, ook erkennend als ze mogelijk te hard was of overreageerde (zoals op haar snauwende, over-opvoedende moeder), en ze was positief over sommige mensen (helpende Bep), zich vooral beklagend als ze zichzelf naar haar beleving te streng of te kritisch behandeld vond worden. Alleszins menselijk en redelijk. Ik vond haar zelfs té zelfkritisch over haar zelf, te onterecht onzeker.

Dat bescheidene en openlijk “onzekere” en twijfel over zichzelf toegeven, heb ik overigens vaker bij vrouwen dan bij mannen aangetroffen in mijn leven, en is sympathieker dan hoe mannen vaak met hun onzekerheden om gaan: eerder deze overschreeuwen door het af te reageren op anderen, anderen vernederen, de pestkop uithangen, valse agressie, loze competitiviteit, e.a.

Anne was ook “zacht” voor zwakheden van sommigen. Peter, de even jonge zoon van een schuilend echtpaar Van Daan, probeerde ze soms van zijn minderwaardigheidscomplex af te praten over bepaalde schoolvakken die hem minder lagen, bijvoorbeeld, door hem te zeggen waar hij wél goed in is. Dat heeft iets “liefs”. Anders dan wat ze tegenwoordig onder jongeren wel “(player) haters” noemen: mensen die je als een soort politieman alleen aanspreken om je te bekritiseren om wat je fout zou doen, mogelijk ter heimelijke demotivatie.

Wat ik ook leuk aan haar, Anne, vond was de typisch vrouwelijke relativeringen, een soort “bird’s view” die het ridicule van situaties goed weergeeft, wanneer nodig. Mijn moeder kon dat in mijn herinnering ook goed.

UITDAGINGEN

Ook haar “uitdagingen” waren typisch vrouwelijk, en ergens ook wel grappig. Een van mijn broers vond dat de taak van vrouwen in deze wereld is mannen te irriteren en ze (positief) uit te dagen. Eigenlijk als aanmoediging dus. Vrouwen plegen communicatief wat sterker dan mannen te zijn – wel mijn ervaring, althans -, en directer qua gevoelens, dus dat werkt dan ook zo. Zeker bij mannen die zich opsluiten in hun egoïsme, en dat zijn er nogal wat, in elke situatie en cultuur. Vrouwen en meisjes “halen soms toch dingen” uit dit soort mannen, meende dus onder meer een van mijn broers.

Anne Frank was al een paar keer ongesteld geweest – schreef ze -, zich dus ontwikkelend tot jonge vrouw. Ze noemde zichzelf een “bakvis”, en had ook kalverliefdes, terugdenkend aan een jongen met wie ze een tijd “ging”, toen ze nog vrij was, voordat ze moest onderduiken. Ze herinnerde zich zijn “mooie bruine ogen”. Later verplaatste haar genegenheid naar leeftijdgenootje, en mede-onderduiker in het Achterhuis, Peter.

Dit is veelzeggend op meerdere manieren, denk ik. Ook psychologisch. De verhulde tragiek toont zich hier in de “afgesloten” normale ontwikkeling voor vrouwen in vrijheid. Ze had nog hoop dat ze uiteindelijk vrij zou komen, hierbij de oorlogsontwikkelingen – opmars van de geallieerden – hoopvol volgend, samen met mede-onderduikers in het Achterhuis, zoals via de BBC radio. Volwassen Achterhuis-bewoners debatteerden ook over het nieuws.

Tijdens de oorlog nam onrust, maar ook diefstal, in Amsterdam toe en er waren inbrekers in het magazijn (voorhuis), met angst voor ook vinden van de onderduikers in het achterhuis. Momenten van angst, terwijl Anne’s verliefdheid op Peter haar afleiding van al die spanningen leek te geven.

De “verering” die meisjes en vrouwen bij dit soort verliefdheden soms hebben, was er ook bij Anne. Hoewel het niet-autoritair is, voel ik altijd wel wat scepsis bij zoiets. Mannelijke jaloezie van mijn kant: “wat heeft hij wat ik niet heb?”. Dat sluit ik niet helemaal uit, ware het niet dat het eerder realiteitszin dan jaloezie is. Goed en slecht zit in iedereen, en sympathie en aantrekking zijn subjectief.

MAN-VROUW

Ik denk daarbij ook dat die “verering” van een jongen niet echt van binnen komt, maar dat zo’n meisje het slechts zichzelf aanpraat, of doet alsof. Ik kan mij echter vergissen. Hoef je iemand echter echt te “vereren” om je in diegene (verliefd) te kunnen verliezen? Is dat het? Het heeft ook iets ongeëmancipeerds, lijkt het, voor zo’n intelligente, “vrij denkende” meid als Anne

Toch, Anne schrijft er dan soms wel “bakvis”-achtig over, maar toch relatief intelligent en reflecterend, gewoon eerlijk zeggend wat ze voelt.

Later in het dagboek bleek ze trouwens wel degelijk geëmancipeerd te denken, en betreurde ze dat mannen teveel de baas over vrouwen spelen, domineren over vouwen, in meerdere culturen. Toch iets anders dan wat we van sommige Islamieten vernemen. Het gezin Frank was Liberaal-Joods en andere Joden in het Achterhuis zelfs sceptisch over “religie”, wat dergelijke progressieve gedachten denkelijk ook de ruimte gaf. Er zijn anno 2026 nog steeds landen op de wereld waar vrouwen zelfs wettelijk tweederangsburgers zijn, dus Anne’s boodschap is niet achterhaald, en nog relevant.

Ik bleef haar bij het lezen eigenlijk wel sympathiek en grappig vinden, die Anne. Ze beschrijft – in haar dagboek – hoe ze een vagina moet uitleggen aan Peter, die daar volgens haar nog niets van wist. Vroegrijp, haha.

Dat doet ze duidelijk, ‘t vrouwelijke geslachtsdeel beschrijven, zij het wat plastisch. Dat doet mij denken aan hoe het was geweest als ik dit boek wel al las rond mijn 13e jaar, toen ik toch al naar de jeugdbibliotheek ging. Mogelijk het “o, zit dat zo”-effect bij mij, want ik had geen zus of nichtjes dichtbij. Zou niet eens zo slecht zijn, want zoals het hoort: via een meisje en leeftijdsgenootje, al past zoiets niet in alle culturen.

Mijn ouders gaven me in ieder geval weinig seksuele voorlichting, slechts vage waarschuwingen. Dat zal ook wel een cultureel ding zijn: Nederlandse vriendjes van me hoorde ik daar wél over.

Zuid-Europeanen waren daar te preuts voor. Of leken dat, want op Italiaanse en Spaanse feesten vond ik de sfeer vaak “flirteriger” dan op Nederlandse “feestjes”. Anne’s heldere beschrijving van de baarmoeder en vagina had geholpen, haha.

LEERGIERIG

Mogelijk omdat ze uit een bepaalde klasse kwamen (haar grootvader Michael Frank had zich in Frankfurt opgewerkt tot rijk ondernemer), en door andere sociaal-culturele factoren, werd studeren en lezen belangrijk gevonden in het Achterhuis, zelfs met een onzekere toekomst. Anne was zeker ook leergierig, maar ze beschreef ook hoe verschillende mensen in het Achterhuis verschillende interesses hadden. Zijzelf vond talen en geschiedenis het interessants, maar vond algebra niets. Ze wilde ook over andere geloven, en bijvoobeeld het Nieuwe Testament, leren. Een “Alfa” dus, zoals ikzelf ook, trouwens.

Anne bleef ook aantrekkelijk schrijven, over toch een beperkte leefruimte, met wel meerdere mensen. Soms een beetje van een “roddel”-gehalte wat je later ook wel in soap opera’s of sitcoms op TV zag (The Bold and the Beautiful, Friends), maar vaak toch ook dieper, met psychologisch en filosofisch inzicht.

HET JOODSE

Interessant vond ik ook hoe Anne “het Joodse” zag, haar volk. In de huidige tijd van “identiteit” – waar ook wel misbruik van gemaakt wordt – is dat ook wel leerzaam.

Volgens een criticus van het neoliberalisme (wat ikzelf ook ben, maar dat terzijde), zoals (in Nederland) Ewald Engelen, dient de overdreven aandacht voor identiteit sinds ongeveer 1990 om sociaal-economische ongelijkheid te overschreeuwen, die toenam door Neoliberaal (pro-kapitaal) economisch beleid in Europa en VS. Een politieke afleidingstactiek dus via gender, ras, etniciteit, geloof, cultuur, zelfs seksuele voorkeur, etcetera. Als het maar niet over “klasse” en machtsverschil gaat, redeneert Ewald Engelen.

Ik kan deels met Engelen’s analyse mee gaan (gewenste afleiding van klasse), maar de “Joodse identiteit” heeft wat eigen kenmerken. Slachtoffers, maar toch in deze tijd een machtige lobby en invloed op sommige terreinen, zeker in de grootmacht (for better or worse) de VS. Christenen, Moslims, en anderen heb ik weleens horen zeggen over Joden: “ze vinden zichzelf uitverkoren door God, boven anderen, dus ze zijn zelf racistisch..”.

ZIONISME

Ook de vermeende invloed van “Zionisten”, - cynisch Israël ondersteunend via invloed op VS politiek - wordt in de huidige tijd als bovenmatig gezien in alternatieve kringen, niet eens alleen door crypto-antisemieten. Mensen als Kees van der Pijl hebben het over internationale machtslijntjes van “zionisten”, soms gretig gesimplificeerd door gefrustreerde moslims (Palestina), of andere Israël-critici.

In het begin van haar dagboek zegt Anne iets over “Zionisten” die zij kende en waar ze over las, maar wat ze als een wat radicale club afdeed, niet de Joodse mainstream. Van der Pijl stelde zelfs dat Zionisten niet per se Joden hoeven te zijn, wat het wel weer wat “vaag” maakt.

Misschien dat Joden voor hun aantal relatief veel invloed hebben in de wereld, maar ikzelf twijfel over die vergaande invloed van Zionisten in de Westerse wereld. Mijn intuïtie en (inmiddels vergaarde, ook professioneel) historische kennis zegt mij dat “zionistische” macht vooral een rookgordijn vormt voor grotere machten of complotten, meer Angelsaksisch van aard, in deze tijd.

Bankenstelsel, NAVO, Pentagon (etcetera, etcetera). Belangen van die partijen (veelal voortvloeiend uit historische wereldmacht/kolonialisme) zijn veel groter – en aantoonbaarder - dan dat van het relatief kleine land Israël, zelfs als in vijandig gebied (Midden Oosten), en wat rijke Joden die wel invloed hebben, maar slechts meeliftend op die Angelsaksische macht. Dat is mijn analyse.

UITVERKOREN

Elk land komt immers op voor het eigen nationale belang – sommige wat verbetener of met meer middelen, weliswaar. Ik ga nog een stap verder.. Ik denk dat stiekem elk volk zichzelf superieur en “uitverkoren” vindt, niet alleen Joden.

Terugkijkend en –denkend van wat ik allemaal gehoord heb: van mijn ouders, van familie in Italië en Spanje, van Nederlanders hier.. Ik kwam professioneel en sociaal ook veel mensen van andere nationaliteiten tegen, ben naar het Caraïbisch gebied geweest, de taal sprekend (Cuba, Jamaica), en woon ook in het internationale Amsterdam.

Wat ik hiervan leerde?: elk volk vindt zichzelf “uitverkoren”, zij het soms anders verwoord (superieur, “beschaafd”, nuchter, Herrenvolk, o.a.). Spanjaarden tegenwoordig met wat meer relativering (zo ook mijn moeder, die zich toch “gewoon” Spaans voelde, maar met humor en zelfspot).

Historisch “nieuwere” landen als Italië hebben die doorgeslagen trots vaak wat verbetener en humorlozer, merkte ik ook als verschil tussen mijn ouders, die elkaars landen ook bekritiseerden. Ook superioriteitswaan die (nog) steeds politiek-economisch bevestigd wordt (Angelsaksische, bijv, Engeland, VS) verliest helaas wat van die zelfrelativering, merk ik. Denk aan de culturele dominantie van de VS (Hollywood, etc.).

Anne Frank zei daar in haar dagboek iets moois en gevat over, in verband met een gesprek met Peter. Peter fantaseerde over “na de oorlog”, en dat hij dan liever als niet-Joods of Christen bekend stond in Europa, maar toch niet hetzelfde kon zijn want (wij) Joden waren toch het “uitverkoren” volk. Anne reageerde hierop met: ik hoop echter ook dat wij Joden ook voor iets goed “uitverkoren” zijn. Met andere woorden, niet slechts voor vervolging, discriminatie, e.d.

Anne voelt zich ook gewoon Joods, en zeker verbonden met het lang lijdende Joodse volk, dat sterk moet zijn, blijkt uit haar schrijfsels, maar stelt daarin ook het menselijke voorop, verlangend naar een tijd waarin ze gewoon mens en niet ”alleen Joods” was. Dit relativeert toch dat “identiteit als wapen” principe dat sommigen hanteren.

Naar mijn eigen overtuiging is het zo dat je eerst een individu bent, een mens, en daarna gevormd door je cultuur en opvoeding. Wat je daarvan mee krijgt en hoe je daarmee om gaat – plus met andere invloeden - , maakt jou als individu uniek. Niet allesbepalend, maar je kan ook niet zonder (cultuur). Dat is dan jouw identiteit, die echter individueel is. Sommige Afro-Amerikanen beschrijven dit type zelfverzekerdheid treffend met "knowing who you are", dus niet slechts "what" you are. Roots and routes.

Ik heb dat geleerd gedurende mijn leven van nu al zo’n 50 jaar, maar Anne leek dat inzicht reeds al wat te tonen rond haar 14e levensjaar, door moeilijke omstandigheden. Ook daarin toonde ze intelligentie, en ergens ook een “zachte” aard.

VERRADEN EN OPGEPAKT

Ik had eerder via de media al vernomen over de afloop van de Achterhuis ondergedokenen: verraden en in Augustus 1944 door de Gestapo opgepakt en vervoerd naar concentratiekampen – Anne overleed zo’n half jaar later aan tyfus in concentratiekamp Bergen-Belsen, net als haar zus.

Ze zaten zo’n 25 maanden ondergedoken in dat Achterhuis aan de Prinsengracht, te Amsterdam, en werden toch opgepakt.

Dit wist ik al en daardoor kregen de laatste pagina’s van haar dagboek wat extra lading, een extra dramatiek. De Duitsers/de Gestapo haalden ze op op 4 Augustus 1944, Anne schreef haar laatste dagboekbrief op 1 Augustus, dus enkele dagen daarvoor. Over haar innerlijke tweestrijd, aansluitend op haar eerdere zelfreflectie en omgang met haar vader, Peter en anderen. Gewoon, zoals Anne schreef. Nietsvermoedend, en blijkbaar kwam de Gestapo – zoals alle kwaadaardige krachten – bij verrassing, onverwachts voor betrokkenen. Het verrassingseffect geeft immorele, onzekere macht psychologisch extra glans, wat het geweten sust, en voor sadisten prettige zelfbevestiging van hun macht geeft.

Wie Anne Frank en de anderen in het Achterhuis verraadden, is nog steeds niet echt bekend, hoewel onderzocht.

ALGEHELE CONCLUSIE

Niet eens om “politiek-correcte” redenen, maar gemeend, kwam Anne Frank op mij als een sympathiek meisje/jonge vrouw over. Ik zou wel zo’n zusje gehad willen hebben.

Dit in verband met een discussie die ik ooit zag op TV, bij de NPO – ik geloof dat Jeroen Pauw presenteerde – over dat Anne eigenlijk een vervelend kind was – maar “gewoon puberde”.

Dat is te relativeren. Naar mijn indruk en ervaringen was ze relatief leergierig en intelligent en – niet onbelangrijk – zelfkritisch, met zelfrelativering. Een fijne combinatie, die je niet vaak treft. Veel mensen vinden zichzelf relatief intelligent, en in deze “neoliberale” tijden - om met Ewald Engelen te spreken – is leergierigheid maar al te vaak gericht op eigenbelang en economisch gewin. Niet bij iedereen, zeker nog niet bij kinderen van 13-15 jaar oud, maar dat zit in dit systeem.

In dat leergierige herken ik mijzelf van die leeftijd, ook wel in andere zieleroerselen van Anne. Ook begon ik rond mijn 13e jaar met schrijven (verhalen, songteksten, gedichten), zijnde toch een zogeheten “creatief type” (evenals Anne). Ook ben ik meer een Alfa (talen, geschiedenis, kunst) dan bijv. een Beta (technische jongens), zoals ook Anne, die volgens haar dagboek het vak algebra vermeed of uitstelde. Ik had daarentegen klasgenootjes (uiteraard jongens) die wiskunde juist het leukste vak vonden en “kickten” op algebra, wat ik dus niet begreep..

Ook wat verschillen, toch: ik was een jongen (meisjes zijn vroeger “seksueel rijp”), en ik was als tiener ook nogal met voetbal en daarna “coole” muziek bezig (andere jongens: met “techniek”), maar had wel relatief meer die intellectuele, “lees” en “bestudeer” neigingen, ook vergeleken met leeftijdgenootjes, die meer passief gangbare massacultuur beleefden (Mainstream media en amusement, TV, Hollywood).

Een ander belangrijk verschil zat hem juist in dat schuilen, het ondergedoken zitten van Anne, met een aantal mensen, in een beperkte ruimte: het Achterhuis aan de Prinsengracht. De buitenwereld figureert indirect, als herinnering en hoop. Zo’n opgesloten context, met onduidelijke uitkomst, doet dan als vanzelf de nadruk leggen op onderlinge relaties, stelt familierelaties op de proef, voor langere tijd. Tijdelijk maakt iedereen dat mee (krap op elkaar in vakantiehuisje, ruzies die eerder niet ontstonden, samenwonen na LAT-relatie), maar in dat Achterhuis dus uitvergroot en langer.

Alle gesprekken, eigenaardigheden, karaktertrekken, dagrituelen van de mede-onderduikers komen dan dichtbij. Dat maakt dit dagboek uniek, ook omdat Anne Frank goed schrijft, het goed duidelijk maakt: de beklemming, de sleur, naast spanning en hoop.

Je wordt op jezelf terug geworpen, wil het cliché dan, wat ook wel waar is. Ook leer je sommige mensen pas beter kennen bij intensieve omgang, al dan niet noodgedwongen, en ook jezelf. Anne dacht dus noodgedwongen meer na; in de vrije wereld kunnen we meer doen om niet te hoeven denken. Ook een verschil met mij, al woonde ik in een saai dorp: er waren mogelijkheden. Ik kon de deur uit, naar de buitenwereld.

Ongetwijfeld zullen opgesloten criminelen ook wel hun verhaal hebben verteld, maar in een andere context, en vanuit een ander perspectief. Adolf Hitler schreef Mein Kampf ook in (zij het tijdelijke) gevangenschap.

Ikzelf weiger het te lezen, maar ik ken mensen (niet eens neo-Nazi’s, maar wetenschappers) die Hitler’s Mein Kampf hebben gelezen, indirect dus Anne’s moordenaar (en van vele anderen, zoals haar).

Omdat het dus geen Neo-Nazi’s waren praatte ik gewoon met deze lezers van Mein Kampf, en zij vertelden over een “drammerige” toon, vol met ideologie, niets persoonlijks of kwetsbaars “eerlijk” van de auteur als individu, maar zich verschuilend in/achter een rancuneuze ideologie en “strijd”. Duitse, Germaanse superioriteit, (internationale) machten die het Duitse volk tegen werken, etcetera.

Waarschijnlijk om te provoceren zei boekenrecensent Rypke Zeilmaker op het alternatieve internet-kanaal Café Weltschmerz dat Mein Kampf hem qua teneur aan de Quran/Koran deed denken, of andersom, maar omdat hij wilde aangeven dat de Bijbel beter geschreven was.

Niet leuk voor mijn Islamitische vrienden, en mogelijk wilde Zeilmaker de Islam hiermee bashen, maar het onpersoonlijke en anti-individualistische – en een agressieve (en autoritaire!) heilsleer – deelde het heel oppervlakkig nog wel. Zowel de Quran – en eigenlijk ook de Bijbel – en ook Mein Kampf, zijn alle ook nadrukkelijk “mannelijke” boeken. Anne Frank’s dagboek duidelijk meisjesachtig/vrouwelijk.

Illustratief legt Hitler in Mein Kampf de schuld van al het slechte bij “anderen”, maar doet Anne Frank in haar dagboek aan zelfreflectie, en heeft het genuanceerd over goed en kwaad in ieder mens.

Wat de een teveel had, had de ander te weinig, kan een cynische conclusie zijn.

Jamaicaanse Rastafari denker/artiest Mutabaruka betoogde dat heilige boeken als de Bijbel en Koran/Quran door “onzekere” mannen (ook qua vrouwen) zijn geschreven, die dat echter goed verhullen. Dat stond hem tegen, ook al was de Rastafari beweging oorspronkelijk ook deels Bijbels gebaseerd (maar met een “Afro-centrische”/zwarte interpretatie).

Overigens is de wat poëtische Quran iets minder destructief/negatief dan de Hadith overleveringen rond Mohammed (oorlogszuchtiger, nog meer haat.. ook mannelijk dus) die fanatieke moslims helaas ook als richtlijn hanteren.

Hoe het ook zij, loze vergelijking of niet: in ieder geval is Anne Franks’ dagboek een eerlijk, menselijk boek, met een gezonde, individuele, zelftwijfelende insteek van een persoon. Eigenlijk gewoon van een open-minded, lief, intelligent meisje – met vaak goede, menslievende standpunten. Je leert haar plezierig kennen in dit dagboek, ook omdat ze “speels” schrijft.

Daarnaast heeft het dagboek aspecten die het uniek maken: de context (opgesloten in onzekere omstandigheden, in Amsterdam, schuilend, oorlogstijd/tijdsbeeld, Holocaust, etc.). Het woord “beklemming”, kwam in mij op.

Uiteraard had ik Anne een langer leven gegund. Ze wilde, zo schreef ze, schrijfster en journaliste worden, en ze was vast een goede geworden. Ze was het eigenlijk al..

donderdag 1 februari 2024

Net mensen en perspectief

Je kunt het gerust een “delicaat” thema noemen, in ieder geval een “beladen” thema: het Midden Oosten en Israël daarbinnen.

OPGROEIEND

Opgroeiend in Nederland, en het onderwijssysteem in Nederland, en ook de media, volgend, krijg je al jong beelden daarover mee. Ik had sinds kind al een interesse in andere landen, en zocht informatie over Afrika of andere gebieden op in de openbare bibliotheek, zodat er wel een soort balans in aandacht ontstond in mijn geval. Mijn ouders (vader Italiaans, moeder uit Spanje), bepaalden ook deels mijn geografische interesse, en maakten het wat breder.

Desalniettemin was er zover ik mij herinner altijd relatief veel aandacht voor Israël in het nieuws en journaal.. Latere politieke machinaties van de VS of andere Westerse machten eisten ook onze aandacht op in de richting van elders in het Midden Oosten, met name Irak en Iran.

Vanwege, zegt men, het schuldgevoel van Europa over de Holocaust was er ook veel aandacht in het onderwijs en de media over de Holocaust, de Tweede Wereldoorlog, het Joodse volk, en de staat Israël, hoewel die opvallend genoeg - hoewel frequent - ook vaak oppervlakkig bleef.

Ik kon dat eerlijk gezegd wel begrijpen, hoewel ik bezwaren bleef houden (zelfs als kind al) tegen de beperkte aandacht voor gebieden op de aarde die mijn interesse hadden gewekt (soms zelfs via muziek of een goed boek..of vriendinnen van mijn moeder), zoals in Afrika en Latijns-Amerika. Ook daar ontstond wel een balans toen de Apartheid in Zuid-Afrika een tijd wat meer aandacht kreeg, zoals in het nieuws.

VATBAAR

Terugkijkend ben ik nooit – zelfs niet als kind – een “vatbaar” iemand geweest. Ook niet vatbaar voor gekleurd (“biased” in het Engels) of “propaganda” nieuws.. als iets op bijv. televisie leugenachtigs was voelde ik het meestal wel ergens aan. Ik onderzocht zelf ook graag dingen, dat scheelt. Ik had een kritische, analytische geest.

Toch.., bij maar genoeg herhaling en “drammerigheid” raakte ook ik weleens beïnvloedt of van slag. Op mijn basisschool en middelbare school (beide – ooit – van katholieke signatuur, met nog wat resten ervan) was er aandacht voor de Tweede Wereldoorlog, met – eerlijk is eerlijk – voldoende aandacht voor de Jodenvervolging en Holocaust, en het onmenselijke Nazi-beleid. Wel was de rol van het verzet in Nederland wat groter voorgesteld in het geheel. Ik twijfelde ook toen, maar het beeld dat ik kreeg was dat toen de Duitsers onder het Nazi-bewind Nederland binnen vielen in 1940, alle Nederlanders meteen massaal in opstand kwamen. Toegegeven, het werd ook weer niet zo gesteld, maar de suggestie werd sterk gewekt. De waarheid is wat anders, weten we nu. Er was wat verzet van dappere mensen, maar vooral veel angst en lafheid – zelfs deels meegaandheid -, zoals vaker onder bezettingen.

GERELATIVEERD

Ook dat werd gelukkig in het onderwijs zelf gerelativeerd. Nadat ik eerst het beeld kreeg van Nederlands massaal slachtofferschap, maar toch verzet, tegen Duitsers, relativeerden leraren die ik ook had, en die echt geschiedenis hadden bestudeerd, dit al in een vroeg stadium. Ze legden uit dat het verzet eerder uitzonderlijk was, en de behandeling van Nederlanders door de Nazi’s relatief mild was, vergeleken met bijv. Polen, omdat Nederlanders een “Germaans broedervolk” volgens de Nazi-leer waren.

Een andere (geschiedenis)lerares die ik me als leuk herinner, een blonde Groningse die goed kon vertellen,op de middelbare school in Hoofddorp, haalde mijn laatste twijfel weg, met het wrange: “na de oorlog heeft iedereen in het verzet gezeten”.. Tijdens de Duitse bezetting viel dat helaas mee.. Of eigenlijk tegen..

Latere historische bronnen bevestigden inderdaad dat Duitse invallende soldaten instructies van hogere Nazi’s kregen om zich wat rustiger en milder op te stellen tegenover de mede-Germanen de Nederlanders, of in ieder geval (niet altijd succesvol) die schijn op te houden. Het bleef een bezettende macht.

Nederlanders waren toen relatief meegaand en hadden een gezagsgetrouwe, calvinistische traditie. Deze wisten de Nazi’s in hun voordeel uit te buiten door relatief veel Joden te kunnen opsporen en deporteren in Nederland, zelfs uit een stad als Amsterdam, met toen veel Joden, en zichzelf als stad toen al “dwars” en eigenzinnig vindend. Een pijnlijke episode in Nederland en Amsterdam, ook al kwam het meestal niet door diep racistisch antisemitisme en moordzucht onder gewone Nederlanders – hoewel dat Germaanse verwantschap (en superioriteit!) idee bij sommige Nederlanders (zoals NSB-ers) wel bestond –, maar toch vaker door, wel, laffe gezagsgetrouwheid. Er bestond iets van latent antisemitisme in Nederland, ook in Amsterdam onder niet-Joden, ondanks het relatief tolerante imago, met name flauwe grappen over vermeende geldzucht of onbetrouwbaarheid van Joden, dat wel, maar dat had je in meer landen.

OUDERS

Die relativering kwam dus vanzelf wel. Soms kom je de waarheid mondjesmaat te weten. In mijn geval speelden de landen waar mijn ouders vandaan kwamen ook een rol: een Noord-Italiaanse vader, en Zuid-Spaanse moeder. Ik wist dat de geschiedenis van Italië en Spanje ook verbonden waren aan het fascisme, en voelde mij daar wat onprettig bij, als al jong open en multicultureel iemand. Daarnaast geloofde ik toen nog dat Nederland (niet alleen Joden) massaal slachtoffer was van en in verzet ging tegen Duitse Nazi’s, en ik daardoor uit “foutere” landen kwam. Onzin, achteraf bekeken.

Mijn moeder was duidelijk links en progressief en anti-Franco (hoewel ze niet graag lang over politiek praatte). Ik denk dat ze teveel humor had en van het leven hield om teveel met politiek – zeker niet partijpolitiek - bezig te zijn, maar als ze er wat over zei, was het meestal pro-vrijheid “linksig”. Eigenlijk net als ik nu.. “can’t fight genetics”, haha

Mussolini, de Italiaanse uitvinder van het fascisme, werd ook nooit positief besproken, ook niet door mijn vader. Hij herinnerde zich van de laatste jaren van het fascisme in Italië (toen hij kind was) dat er een nare, strenge sfeer heerste, veel soldaten op straat, en dat hij de fascistische groet moest geven op school, aan leraren. Niet lang daarna zette echter de democratie in, in Italië, - en economische groei -, en probeerden de Italianen te doen alsof er niets gebeurd was.

In Spanje bleef er een fascistoïde dictatuur onder generaal Franco tot 1975. Franco verbond zich wat losjes aan Hitler en Mussolini, en hun militaire hulp hielp hem uiteindelijk in 1939 aan de macht, maar hij opereerde wat strategischer en “slimmer” door zich ook weer niet te direct aan hen te verbinden, en toch een beetje diensten te verlenen aan geallieerde landen als de VS .. om zo dus niet meteen met zijn fascistische collega’s elders in Europa onder te gaan. Zo overleefde hij de Tweede Wereldoorlog: door zich er buiten weten te houden..

Binnenlands in Spanje, mengde Franco aspecten van Mussoliniaans fascisme met oerconservatieve Spaanse katholieke tradities, waardoor hij een breder deel van conservatief Spanje koest hield dat niet wist wat fascisme was, zogezegd, mogelijk mede geholpen door anti-communistische, en pro-regime propaganda. En, uiteraard, zoals in elke dictatuur, een repressie-apparaat: veel soldaten en politie op straat, censuur, en rechten ontnemen aan burgers: tegen de overheid kon je weinig beginnen.

Dat verklaart mede het eigenlijk wel schokkende feit dat mijn moeder er pas achter kwam dat die Holocaust (inclusief concentratiekampen) had plaats gevonden toen ze rond 1966 naar Nederland kwam. Spanje onder Franco onderwees dat niet. Hitler was een voormalige bondgenoot, zal een reden zijn. Er was ook weer niet een verering van Nazisme of (direct) anti-semitisme in het Spaanse onderwijs toen: thema’s waren eerder beperkt en binnenlands gericht (nationalistisch, maar niet echt een rassenleer). Het antisemitisme bestond in Spanje ook, en uitte het zich in handelsland Nederland in vooroordelen over vermeende geldzucht van Joden, in Spanje vooral in de aloude mythe onder Christenen/katholieken dat “de Joden Jezus hadden vermoord”.. Domme onzin, natuurlijk: Jezus was uiteraard Jood onder Joden.. Verraden door zijn eigen mensen, eerder..

Heel af en toe werd het wel pervers: mijn moeder vertelde dat in het staatsnieuws voor films in bioscopen in Spanje (rond de verjaar- of sterfdag van Hitler of Mussolini) ooit te zien was dat Franco als katholiek in een kerk een zegen uitsprak voor Hitler en Mussolini. Later zag ze in hoe absurd en immoreel dat was.

(foto boven: ik als begin-tiener met mij ouders in Andalusië, Spanje, rond eind 1980s).

Spanjaarden werden toen zoveel mogelijk dom gehouden, en die namen Hitler en Mussolini waren voor velen onder hen vage namen uit buitenland en historie: net als je nu tegen Nederlanders Hindenburg of Jaruzelski noemt. Schandalige, ideologische geschiedvervalsing uiteraard, maar veel verder ging die aandacht niet. Franco poogde Spanje in zijn eigen ideologische, rechts-conservatieve wereld op te sluiten. Een nationale wereld die uiteraard voordelig was voor de “powers that be” in het land, de staat, maar ook (regime-steunende) werkgevers en grote bedrijven, grootgrondbezitters, en de andere rijken, die in zo’n dictatuur (met rechteloze arbeiders) makkelijker mensen konden uitbuiten. Mijn moeder “voelde” dat, vertelde ze. Dat noemen we ook wel “onderdrukking”.

Als “linkse tante” was mijn moeder later voorspelbaar kritisch over de Israëlische bezetting van Palestijns gebied, maar zag dat – zoals ze vaker deed – vooral in termen van rijk tegen arm. Op andere punten (positie van de vrouw met name) was ze echter weer kritisch over aspecten van de Islam, maar dat was ze ook over het katholicisme.

LUYENDIJK

Ik vertel dit allemaal, “where I come from” zeg maar, omdat ik met dit verleden in mijn hoofd, pas een interessant boek heb gelezen, relevant voor dit thema: door voormalig journalist/correspondent in het Midden Oosten (w.o. Israël) Joris Luyendijk. Luyendijk beschreef zijn ervaringen in het Midden Oosten in het goed leesbare boek ‘Het zijn net mensen’, eerst uitgegeven in 2006.

Die ervaringen waren met name van 1998 tot 2003. De titel geeft al een beetje aan dat hij aandacht heeft over perspectief en vooroordelen bij een Westerse (Nederlandse) journalist als hij.

Ik zag de schrijver Joris Luyendijk ook weleens op televisie. Het was iemand die goed en prettig relativerend kon vertellen (vooral over de Arabische wereld), en ook als presentator van VPRO Zomergasten (in 2006 en 2007) dat ik regelmatig keek, vond ik hem veelal ook geslaagd. Aan dit boek ‘Het zijn net mensen’ was ik echter tot voor kort niet toegekomen.

Het Israël-Palestina conflict en andere problemen in het Midden-Oosten spelen anno 2024 uiteraard nog steeds – hoewel recentelijk tijdelijk concurrerend met die rare “covid psychose” tussen 2020 en 2023.

Vanaf met name 2022 mochten andere thema’s weer meer prioriteit krijgen, en daar zaten helaas ook dramatische ontwikkelingen bij. Geografisch werden deels de oude specialiteiten weer hervat (zoals Israël), naast bijvoorbeeld Oekraïne, en de luchtaanval op ziekenhuis in Gaza (door Israël bezet Palestijns gebied) leidde eind 2023 tot veel verontwaardiging.

CORRESPONDENTSCHAP

Luyendijk beschrijft zijn ervaringen van de periode 1998 tot 2003, toen hij de Arabische wereld “coverde” als correspondent, of een deel ervan, voor de Volkskrant en NRC, en de televisie. Zijn standplaatsen waren eerst Caïro in Egypte – waar hij al eerder voor zijn sociaal-wetenschappelijke studie (antropologie) verbleef -, en daarna Beiroet en Oost-Jeruzalem. Hij richtte zich dus eerst op Egypte en de Arabische wereld, later op Israël, en aan het eind van zijn correspondentschap op Irak, binnengevallen door de VS.

Als sociale wetenschapper van buiten de journalistiek was Luyendijk verbaasd – veelal onaangenaam verrast – door die journalistiek, i.c. de werkwijzen. De moeilijkheid ervan in Arabische dictaturen, en de afhankelijkheid van gestructureerde, internationale nieuwsfilters en stroomlijning.

Hij legt goed uit in dit boek dat in de Arabische dictaturen met sterke, bijna totalitaire repressie, vrije nieuwsgaring, of gewoon de eerlijke mening van mensen vragen, moeilijk werd gemaakt. Dit noodde bijvoorbeeld tot anoniem maken van geciteerde bronnen, om mensen niet in problemen te brengen met staatsagenten en geheime diensten. Dit maakte achtergrondartikelen ook een uitdaging vol afgeleide informatie, legt Luyendijk boeiend uit. Beeldend beschrijft hij - in meer dan een opzicht -moeizame gesprekken.

Het woord “perspectief” is voor dit boek erg belangrijk, wat al blijkt uit de titel Het Zijn Net Mensen. Zijn ervaringen in Egypte en elders botsten vaak met simplistische stereotypen die in het Westen bestonden over de Arabische wereld (eerst ook bij Luyendijk zelf), vaak overigens gevoed door partijdige – of beperkte – media. Dit betrof niet alleen politiek, maar ook cultuur en het dagelijkse leven.

De Arabische wereld is intern veel gevarieerder dan mensen denken, dat ten eerste. Verder: de aanwezigheid van “humor” onder Arabieren, moppen over anderen uit een bepaalde streek, maar ook zelfspot, ontbraken niet, en evenmin andere speelse flexibiliteit. Dit leek hem te verbazen.

MANIPULATIE

Het heeft deels met cultureel onbegrip – of vooroordelen - te maken, maar ook met partijdigheid en gestuurde belangen. Propaganda-apparaten die nieuws naar hun eigen voordeel kleuren waren er aan beide kanten, vanuit die dictaturen, maar ook bij “democratische” Westerse media. De ene anti-Amerikaans/-Westers (of –Israël), de ander pro-Amerikaans/-Westers (of –Israël), heel grof samengevat.

Vanuit deze wisselwerking tussen cultureel onbegrip, gebrek aan kennis over de geschiedenis van de regio (en van conflicten), en mediasturing/manipulatie, ontstond dan een beeld in de Westerse media, ook in de Nederlandse en bij het Nederlandse publiek.

Joris Luyendijk beschrijft hoe hij dat beeld, met moeite en beperkingen, probeerde bij te sturen met zijn stukken en bijdragen richten de werkelijke situatie onder Arabieren en in Israël.

Bij de gestuurde, “gelikte”, en geoliede propaganda of PR-machines om de journalistiek te “informeren” – en eigenlijk te binden – van de Israëlische autoriteiten, en later de VS/het Pentagon (bij de inval in Irak), staken schril af de amateuristische pogingen onder Palestijnen, en helemaal de loze, voorspelbare anti-Westerse propaganda van ondemocratische, onderdrukkende Arabische regimes, of nog erger, maar marginaler, anti-Joodse scheldpartijen, "rants", of beschuldigingen, met zowel oude economische als oude religieuze antisemitische ideeën op herhaling, maar nu door Arabieren.

Zelfs als Palestijnen in bezette gebieden toch echt vooral het slachtoffer waren en de onderliggende partij, kwam dat leed vooral op beeldgerichte televisie, PR-technisch slecht over. Het Arabische taboe op openbaar kwetsbaarheid en zwakte tonen (cultureel beperkt tot privé-sfeer), wordt in Europa, sinds ik schat zo in de hippie-tijd en 1970s (en “praatgroepen”, sociale academies) -, minder begrepen in modern Europa, waardoor het beeld van gevoelloze, Joden-hatende fanatici er soms onterecht stand houdt. Dictatoriale trekken bij Palestijnse leiders en de Hamas, bemoeilijken ook de vrije nieuwsgaring en meningsuiting, wat Luyendijk al eerder ook al in Arabische dictaturen, in nog extremere mate, merkte.

Duidelijk een cultureel en contextueel verschil, maar uitgebuit vanwege partijdigheid, en de pro-Israël (en pro-Westen) focus in ook Nederlandse media kon Luyendijk niet ontkennen. Joodse en Israëlische persvoorlichters kenden de Europese cultuur beter, en konden beter inspelen op Westerse karaktertrekken om hun kant van het verhaal te bevoordelen. Serene, rustige begrafenissen en rouwprocessen – met beperkte hysterie. Wat meer genuanceerde, of althans schijnbaar redelijk geuite, verontwaardiging of bezwaren, van toch ook Europeser lijkende Joden, leidde makkelijker tot identificatie bij Europeanen.

Luyendijk leerde hierover – de meerdere “filters” - tussen het echte nieuws en gekleurde perspectieven en belangen - gaandeweg steeds beter, en daarvan doet dit boek boeiend verslag, alsmede over zijn toegenomen begrip over wat leven onder zo’n dictatuur en bezetting in de praktijk nu echt inhoudt, ook voor gewone Arabieren. Veel angst en omkoping in dictaturen, onder andere. Veel onduidelijkheid en verwarring ook, en ook zelfbeperking. Die zelfbeperking volgend op angst leidt ook psychologisch tot allerlei neurosen of stoornissen als ontkenning of vluchtgedrag, en negatief afreageren op anderen, projectie, etcetera.

Dat kun je zo kil medicaliseren en pathologiseren. Mooier is het - en dat doet Luyendijk toch ook in het boek -, om dat gewoon als een al te menselijke reactie te zien op onrecht, onderdrukking, terreur, of oorlog. Mogelijk vanuit een andere cultuur die we niet meteen begrijpen, een armoediger samenleving, en een andere, complexe geschiedenis, die soms moeilijk uit te leggen is… maar van mensen als jij en ik.. Zonder bij voorbaat een kant te kiezen.

AFGESTOMPT

Luyendijk gaf aan dat hij deze correspondentenperiode afsloot omdat hij merkte “afgestompt” te raken te midden van gevolgen van oorlog, bezetting, conflicten en terreur.

Inderdaad een van de uitdagingen in het leven van ieder persoon: niet afgestompt raken. Niet de nieuwsgierigheid en empathie verliezen, meestal gepaard gaand met een grauwer gebruik van zintuigen, en een uitgeschakeld gevoel. Die afstomping voorkom je denk ik door je bezig te houden met positieve en mooie dingen, wat moeilijker wordt, immers, omgeven door negatieve en lelijke dingen als oorlog, geweld, gebrek, haat, en terreurdreiging.

Luyendijk was dat wijselijk redelijk voor, en kon zich blijkbaar de luxe van stoppen met zijn baan veroorloven, in die positie, en ook als iemand met “7 vinkjes” voor maatschappelijk succes, zoals hijzelf in een later boek schreef (Zeven Vinkjes). Die 7 vinkjes zijnde, wit, autochtoon, man, hetero, hoog opgeleid met hoog-opgeleide ouders, en nog wat meer (Randstad, ABN-sprekend).. geprivilegieerd dus. Wat ikzelf wel als goede graadmeter van privilege in een samenleving zie is of je zelf “wilt” stoppen met ergens te werken, of dat je ergens “moet” stoppen met werken. Onmacht dus. Verwant hieraan definieerde James Brown “soul” (zowel een muziekgenre, als kwaliteit in alle zwarte muziek) als the word “can’t”..

Luyendijk wilde en kon makkelijk weg vanuit dat 7 vinkjes-privilege, denkelijk voor iets beters elders (later schreef hij over de financiële wereld in het “wall street” van Europa: de London City), maar het leek mij een begrijpelijke keuze, zoals hij vertelt over de gewenning die afstomping werd, en die nooit goed is..

REFLECTIE

Luyendijk maakte de manipulatie van nieuws en “filters” ervoor duidelijk, ook in praktische zin, alsmede de belangen die er speelden. Mijn inschatting is dat het (het verhulde eigenbelang en de verhulde propaganda) sindsdien niet verbeterd of zelfs alleen maar erger is geworden in het zelfverklaarde vrije Westen, zoals de recente covid-hype liet zien, mede door toenemende machtsconcentratie in de media, en voortdurende ongelijke economische en militaire macht .

De vraag drong zich na het lezen van dit boek aan mij op, daar ik mij zelf eerder in de stuk als “nooit erg vatbaar” beschreef.. Ik denk althans van mijzelf dat ik een goede intuïtie voor leugenachtigheid heb, ook qua propaganda of nieuws. Mogelijk borstklopperij of mijn eigen ego strelend, en herinner ik mij opzettelijk vooral die keren dat mijn intuïtie bevestigd werd.

De kritische geluiden tegen de Israëlische onderdrukking van Palestijnen kende ik van Linkse kringen, soms ook in mijn nabije omgeving, maar ook de angst voor Islamitisch terreur. Misschien bevat een wat abstracte, maar simpele “rijk tegen arm” verklaring – zoals mijn moeder die gaf – meer wijsheid dan ik dacht. Luyendijk beschreef hoe veel geld hebben (Israël, VS, Europa) ook uitgebreide, professionele mediamanipulatie veel beter faciliteert, inclusief toegang.

De arm-rijk verklaring lijkt wat “klassenstrijd/Marxistisch”-achtig maar relativeert daarom juist het culturele ongemak dat de Arabische cultuur en de Islam soms oproepen, zoals de macho waarden, de positie van de vrouw, hysterie (je kunt ook vriendelijker zeggen: warmbloediger of temperamentvoller), en agressie en geweld. Deels ook bij mij, geef ik toe. Ik probeer dat te relativeren middels economische en vooral onderwijsverschillen, maar ook psychologische kennis die ik mettertijd opdeed.

Agressief pratende mensen die “stoer” doen, schelden, en gewelddadige bedreigingen uiten – of zelfs alleen maar druk/”hysterisch” zijn, doen inderdaad “stoer”, maar zijn ook vaak “in paniek”, “wanhopig”, en gepijnigd door trauma’s door onderdrukking en geweld, die zo overschreeuwd worden. Ze zitten “vast”. Dat kan, in ieder geval. Iemand zich zo “intimiderend” gedragend kan uiteraard even goed vol met haat en rancune zitten, zonder goede reden, maar uit onzekerheid of negatieve bewijsdrang zo zijn, als een soort gangster of crimineel. Een blik in de ogen en waarneming van houding is veelal genoeg, om te merken of iemand, zoals ik in een Reggae-liedje (Nah Tarry Ya, van Admiral Tibet) hoorde, is “ you a man of peace, or a man of war (?)..”

Wat ik mede van mijn moeder’s verhalen, levend onder de Franco-dictatuur, begreep was inderdaad het gevoel van “rechteloosheid” dat Luyendijk ook noemt als het gevoel onder een corrupte dictatuur, zoals in Arabische landen: het recht krijgt immers geen beloop, tegen machtige groepen die je benadelen of weg willen hebben. Dictaturen willen mensen rechteloos en ook dom houden, toch geldend als “verzachtende omstandigheden” als mensen hun ongenoegen iets anders uiten dan in open, vrije samenlevingen.

Veel verklikkers en verraders in dictaturen ook, en mijn moeder had het over “enchufes”, als woord voor vriendjespolitiek/nepotisme met belangrijke functies en banen voor regime-getrouwe mensen. Het Spaanse woord “enchufe” is te vertalen als “aansluiting” Of “connectie/plug-in” (voor een functie dus), en vond ik hier wel grappig omdat het een van die Arabische leenwoorden in de Spaanse taal is, namelijk volgens etymologen afgeleid van het Arabische “jawf” (maag). Dit werd dus “enchufe”, werkwoord “enchufar” in het Spaans.

Een van de punten in dit boek van Luyendijk is juist dat dit soort noodzakelijke contextualiseringen in het Westerse nieuws wat minder gegeven wordt bij Arabieren en Palestijnen, dan bij Israeliërs die hun (terechte) zorgen over terreur delen, en helemaal bij Westerlingen, of aan de kant van de VS. In de belangrijkste Westerse media werden het “Hollywood”-achtige militaire VS-perspectief uitgedragen van de militaire invasie van Irak en bijbehorende problemen (nu ook weer mbt Oekraïne). Met soms wat nuances of tegenspraak. Destijds waren de mainstream media in Nederland iets democratischer (meer debatten met tegenstanders) dan later tijdens de coronacrisis. Daar blijkt uit – filosofisch interessant – dat de realiteit complex en veelzijdig is (dictatuur, armoede, oorlog), maar leugens (w.o. media-hype’s) opvallend eenduidig en eenvormig. Veel ooit zogenaamd kritische, dwarse denkers namen immers opeens zinloze injecties/”vaccins”, bleven desgewenst thuis, en deden even zinloze maskertjes op. Even was de leugen sneller, haha.

CONTROLE

Ik definieer “trauma” deels als onvermogen (of weer: onmacht), en “de controle kwijt zijn”, t.o.v. pijn veroorzaakt door machtiger partijen. Dat doet pijn en dehumaniseert. Wat in Nederlandse, nuchtere ogen lijkt op “hysterie” onder bijvoorbeeld Arabieren, lijkt soms echter ook op “zichzelf niet onder controle hebben”. Dat roept ons wantrouwen op, en maakt wat onzeker en bang, vooral bij zich macho gedragende mannen. Zo oppervlakkig is het mediabeeld helaas, en vaak onterecht. Het voorbeeld van mensen als Martin Luther King, en Nelson Mandela laten daarentegen zien dat jezelf “toch onder controle houden” (al wordt je leven en alles wat je hebt bedreigd en onderdrukt) waardig en wijs is, en inspirerend blijft, naast ook “mediageniek” genoeg. Ook Malcolm X, iets strijdbaarder en moslim, kon in talkshows beheerst en intelligent debatten voeren met blanken en tegenstanders, zonder ongenuanceerde of onbewezen “onzin te praten” of loze, generaliserende beledigingen. Dat kwam bij weldenkende, niet vooringenomen mensen goed over.

Mogelijk zijn iets meer “vrouwelijke” waarden van zorg, communicatie,en gelijkwaardigheid - die meer een balans vonden met mannelijke in de Afrikaanse en Afro-Amerikaanse culturen -, hier nuttig voor Arabieren. Daarnaast vereist dat ook een open debat in een open, democratische samenleving waarin veel Arabieren, en zeker niet Iraqi’s onder Saddam Hussein’s onvrije dictatuur, simpelweg niet leefden.

Helaas bijt de pro-mannelijkheid focus van de Koran en Islam (naar huidige maatstaven) zich hier in de staart bij Islamitisch protest tegen het Westen.. die vrouwonvriendelijkheid is er ook ook in de Bijbel (vrouwen krijgen zelfs onterecht de schuld van dingen), maar die is gerelativeerd in het latere, vrijere Christendom. De Jamaicaanse Rastafari-aanhanger en dichter Mutabaruka stelde ooit dat die “heilige boeken” als de Koran en Bijbel geschreven zijn door “onzekere mannen”, die vrouwen op hun plaats wilden zetten (naast andere dingen), reden waarom hij er wat afstand van nam in zijn interpretatie van Rastafari.

Evenwel, alleen als je je in welvaart en in vrijheid als individu kunt ontwikkelen, heb je nog de “luxe”, of beter: ruimte, voor een vrije, aangepaste interpretatie van wat anderen “heilig” noemen. Normen en waarden, vrij leven. Zo is dat in het Westen gebeurd sinds de 1960s met het Christendom. Democratie speelde daarbij een rol, vrij onderwijs, emancipatie richting individuele vrijheid, vrouwenemancipatie, maar toch ook welvaart: niet alleen maar hoeven te overleven en strijden, maar ook gewoon leven, leren, en liefhebben. Had mijn moeder met haar (weer gewoon) “rijk tegen arm” over het Palestina-conflict toch in de kern gelijk..

De Arabische dictaturen die Luyendijk in dit boek beschrijft – met censuur en controle, en andere onderdrukkende omstandigheden en politiestaten, zoals de bezetting van Palestijns gebied, of overheersend oorlogsgeweld van de VS tegen Irak, bemoeilijken die “zelfcontrole” of “zelfverbetering voor het grotere goed” bij individuele leiders, zichzelf verbonden hebbend aan corrupte macht. Dat geldt echter ook voor die mediamanipulatie door autoritaire of belanghebbende partijen (aan beide zijden, maar zeker ook de Westerse), waardoor andere kanten van het verhaal, zelfs als er charismatische, inspirerende en overtuigende woordvoerders van zijn, gewoon minder toegang of kans krijgen.. Een treffende illustratie van hoe vrijheid en gelijkheid gerelateerd zijn.

Ik kon me altijd voorstellen dat Joden een eigen, onafhankelijk land wilden, en dat kan ik me nog, vanuit de geschiedenis. Van mij mag het, en het is niet eens onzin. Ik ben een voorstander van gezond, open nationalisme, verbonden aan cultuur/geloof, van ieder volk, dat geen andere volkeren lastig - of binnen - valt. Leuk voor de variatie ook: er bestaan immers al meerdere “Arabische” landen, dus een Joodse mag er ook bij. Dat is de “wat” kant. Verder zitten er alleen meerdere kanten aan het verhaal - met name de “hoe” kant - die het voor mij soms moeilijker maken een kant te kiezen, vooral als het nieuws onbetrouwbaar is.. Dit laatste bleek uit dit goed leesbare en leerzame boek Het Zijn Net Mensen (2006) van Joris Luyendijk.

Toegegeven, we zitten nu een tijd verder in een tijd van Internet en meer alternatieve media. De menselijke neiging om alles in het eigen voordeel en eigenbelang te manipuleren moet echter niet onderschat worden - ook niet in die alternatieve media -, vaak door middel van een quasi-beredeneerde ideologie of religie. De drammerige poging tot "verrechtsing" van het op zich legitieme coronaverzet - even kritische mensen uit de progressieve hoek (met soms meer systeemkritiek) als George Van Houts of Ewald Engelen negerend - is daar een recent voorbeeld van.

Alles neutraal van alle kanten bekijkend - en gewoon toegeven als we iets niet weten - lijkt mij dan het wijste, en dat zegt eigenlijk ook Joris Luyendijk in dit boek.. Aan de andere kant wist ik dat al een tijdje..

woensdag 3 november 2021

Mannen van Nederland

Het boek ‘De mannen van Nederland: het onverbiddelijke oordeel van buitenlandse vrouwen’, komt uit 2001, en is door Franse journaliste, correspondent in Nederland voor het Franse dagblad Libération, Sophie Perrier. Perrier baseert zich op interviews met verschillende buitenlandse vrouwen over hun relaties met Nederlandse mannen, nu en in het verleden. De betreffende vrouwen zijn Europees, Afrikaans, Aziatisch, Midden-Oosten, en Latijns-Amerikaans.

Ik begreep al snel dat met de “Nederlandse mannen” in kwestie zogenaamde “autochtone” mannen werden bedoeld, en niet mannen in Nederland geboren uit, zeg, Marokkaanse, Italiaanse, of Surinaamse ouders.

HOLANDESES HOLANDESES

Dat is niet in alle gevallen duidelijk, en men kan immers, om dat rare woord maar weer eens te gebruiken: “vernederlandst” zijn. Bij nader lezen betrof het echter, zoals het in het Spaans wel (via “herhaling ter nadruk”) wordt gezegd, “holandeses holandeses”, niet alleen geboren maar ook etnische Nederlanders dus.

Ikzelf ben geboren in Nederland, maar ben geen “etnische Nederlander”, of “holandés holandés”, hoe je het ook noemen wilt: mijn vader is Italiaans, mijn moeder Spaanse. Ik werd in het begin ook vooral Spaanstalig opgevoed, en kreeg dus thuis verschillende culturen mee: van elkaar (hoewel met een “Latijnse” overeenkomst), en van de Nederlandse buitenwereld.

Ik praatte uiteraard met vrouwen van mijn familie, en mijn moeder had veel Spaanstalige vriendinnen (Latijns-Amerikaanse en Spaanse, daarnaast ook wel Italiaanse) waarvan een flink deel met Nederlanders samenwoonden of waren gehuwd. Soms waren gesprekken open, dus die verhalen over cultuurverschillen hoorde ik al in mijn jeugd.

GLOBAAL

Dit boek door Perrier sluit daarop aan, kun je zeggen, maar vond ik daardoor ook interessant. Het verbreedde het perspectief ook voor mij. Tussen de vrouwen met Nederlandse mannen/echtgenoten die Perrier interviewde zaten een Spaanse, een Colombiaanse, een Mexicaanse, een Argentijnse, en een Italiaanse – zoals in mijn moeder’s vriendenkring destijds. Herkenbaar dus.

Er waren echter ook vrouwen bij uit Malawi/Engeland, België, Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Frankrijk, en Zwitserland,uit Oost-Europa: een Kroatische, Russische, en Poolse, en meer zuidelijk een Portugese en Griekse. Daarnaast echter ook vrouwen uit Israël, Turkije, en Irak, en nog verder weg, China, Japan, Zuid-Afrika, VS, en Suriname.

Een beetje geconcentreerd op Europa, maar verder een bont, globaal geheel, en het vereist goed schrijverschap om daar iets leesbaars van te maken. Daar slaagt Sophie Perrier zonder meer goed in. Ze haalt goed de algemene lijnen eruit, resulterend in gebalanceerde, redelijke conclusies over de meningen wat betreft cultuurverschillen in man-vrouw verhoudingen. Wat anekdotisch is de opzet wel, maar daar hoeft niets mis mee te zijn. De vrouwen vergelijken hun Nederlandse partners vaak simpelweg met de mannen (“ex-en” ) in hun eigen land – uit hun eigen volk - waar ze eerder intieme relaties mee hadden.

Dit levert allemaal misverstanden op, die Perrier met veel humor opschrijft, maar ook met kennis van de Nederlandse cultuur.

Die “quasi-herkenning” – ook door wat ikzelf al eerder hoorde – maakt het voor mij ook leuk om te lezen, naast de relativerende, “droge” humor van Perrier.

Het was dus zowel prettig leesbaar en informatief gebracht, maar genoeg over de vorm. Het gaat om de inhoud. Wat “herken” ik dan wel over cultuurverschillen? Wat zou kunnen kloppen? Is dat niet te simplistisch of generaliserend, op basis van wat ik weet?

Ik had veel “lachmomenten” in het boek, en door humor leer je vaak toch ook diepere waarheden.

EMANCIPATIE EN CALVINISME

Perrier ziet veel trekken van Nederlandse mannen als het gevolg van zijn relatieve geëmancipeerdheid en sterke geloof in vrouwengelijkwaardigheid, vanwege invloedrijke democratische moderniseringsgolven in Nederland sinds de 1960s. De “usual suspects”: de meer macho Arabieren, Turken, of “Latijnse” mannen, blijven daarbij ook in dit boek achter, maar buiten Scandinavië ook veel andere omliggende landen. Duitse mannen zijn ook trotser en meer macho dan Nederlanders, concludeert de geïnterviewde Duitse vrouw, en de Engelse wees erop dat Britse mannen haast “Italiaans veel” flirten met vreemde vrouwen, in ieder geval meer dan Nederlandse mannen. Zelfs Noorse en Zweedse mannen flirtten meer in het openbaar, stelden Scandinavische vrouwen in Nederland enigszins verbaasd vast.

Andere trekken – en dat vind ik wel grappig – relateert Perrier aan de Calvinistische traditie in Nederland. Dat vind ik grappig, omdat dat weleens onderschat wordt. Het historisch zo sterk aanwezige Protestantisme – specifiek het “sobere” en “strenge” Calvinisme – in Nederland, heeft onmiskenbaar de cultuur beïnvloedt.

Die Calvinistische invloed is vaak onuitgesproken sterk aanwezig in terugkerende waardensystemen, gedrags- en cultuurvormen in Nederland, maar wordt weleens vergeten of onderschat. Iemand van buiten, zoals de Française Perrier, ziet dat wellicht wat helderder, dan als je niets anders kent. Ik ken ook wat anders, maar ben wel in Nederland geboren, dus vergeet weleens hoe Calvinistisch de Nederlandse cultuur in wezen nog is.

Een voorbeeld van een Protestantse/Calvinistische trek? Het grote belang van “taal” in het oplossen van problemen: door er lang over te praten iets oplossen: dat is geen vanzelfsprekendheid in “wispelturiger” andere culturen. De Nederlands/calvinistische focus is er een op ratio, discipline, beheerst en nuchter blijven. Verder: niet teveel emoties en gevoel volgen, kalm praten, verantwoordelijk met tijd en geld omgaan, naast het alles “democratisch” en open bespreken..

Dit alles komen de vrouwen als opvallende verschillen tegen met de mannen die ze eerder hebben gehad uit hun eigen cultuur: deze laatsten waren veelal temperamentvoller en gepassioneerder, of “spannender” dan de Nederlandse mannen, maar ook vaak jaloerser, onverantwoordelijker, en ontrouwer. Het beheerste heeft dus voor- en nadelen.

Dat alles “open en democratisch” bespreken met ook je partner van de Nederlandse man, lijkt niet zozeer uit het Calvinisme te komen (met immers ook een vaste rol voor vrouwen in het huishouden), maar eerder een mooie erfenis van de democratiserende “flower power” en “hippie” tijd, de 1960s en 1970s die in Noord Europa meer invloed had dan in Zuid-Europa. Deel daarvan waren de gemengde “sociale academie” praatgroepen over samenleven, en de vrijere ontwikkeling van vrouwenemancipatie.

Dat alles levert interessante verschillen op, die derhalve representatief zijn voor de bredere cultuur.

FLIRTEN

Volgens Perrier en de Franse geïnterviewde in dit boek neigen Franse mannen net als Italianen meer naar romantiek, passie, maar ook impulsiviteit, en ontrouw, vergeleken met Nederlanders. Flirten op het werk is in Nederland niet erg gangbaar, maar juist de norm in Frankrijk, net als in bijvoorbeeld Italië en Spanje, evenals vaak op straat.

De vrouwen in dit boek, zoals de Franse en “Latijnse”, vielen dan ook op dat flirten – of je nu in een vaste relatie bent of niet - in het openbaar minder sterk is in Nederland, wat ze op het werk of in de winkel meestal wel prettig en rustig vonden. Waar je in Portugal elke dag wel, zoals de Portugese vrouw zich herinnerde, op straat wat mannen had die je aanspraken/lastig vielen met “complimenten”- waar dan ook, single of niet -, was dat in Nederland minder.

Echter op andere, “gepaste” plekken weer té weinig, vonden sommige vrouwen grappig genoeg. Als in een “sociale” bar of een studentenruimte, een daar zittende Nederlandse man zelfs geen oogcontact gunde aan nabij zittende jonge vrouwen, en gewoon geconcentreerd een krant las, werd dat als ongeïnteresseerd en “koud” gezien. Sommige van deze buitenlandse vrouwen – gewend aan aandacht - begonnen daardoor zelfs aan hun uiterlijk te twijfelen. Een ongemakkelijk, maar interessant cultuurverschil. Ook vanuit psychologisch opzicht interessant.

GESTRUCTUREERD

Grappig waren ook andere beschreven verschillen, meer uit binnen de relaties zelf. Het belang van de “agenda” voor de gestructureerde, rationale Nederlandse man lijkt een cliché, die ik ook elders vernam. Het is min of meer het tegenovergestelde van de onberekenbare “passie” die met name zuidelijkere vrouwen missen met Nederlandse mannen.

Zelfs bij het verleidingsspel en heviger verliefd worden op elkaar, aan het prille begin van de relatie. Zo vertelt een vrouw, een Griekse, dat als een Griekse man iets voor een vrouw voelt, hij haar dan ook zo snel mogelijk (vandaag of morgen) wil ontmoeten voor een date. Een vrouw vertelde dat een keer een Nederlandse man die haar blijkbaar ook leuk vond, wel een intiemere date wilde met haar, maar eerst zijn agenda moest checken. Over twee weken had hij ergens tijd, zei hij hierna plechtig..

Ik had hier weer een lachmoment. Ergens had het echter ook iets naars. Mogelijk maakte de liefde van de vrouw haar blind – of hadden ze wie weet al echt tedere, hoopvolle momenten samen gehad – maar zoiets komt mij voor als onwil, een (verhulde) afwijzing. Of als een “diss” in hip-hop taal. Geen passie genoeg om het niet twee weken uit te stellen? Of is hij gewoon voorzichtig? Ik zou ook denken dat hij ook iets met een andere vrouw had, daarnaast, eerlijk gezegd.

TROUW

Dat zou volgens anderen weer teveel wantrouwen zijn, want elders in het boek prijzen de buitenlandse vrouwen hoe relatief trouw aan hun partner Nederlandse mannen zijn: ze gaan minder vreemd.

Het komt voor, met name een kort slippertje met een collega, maar verder veel minder dan onder Zuid-Europeze, Latijnse, of zelfs Engelse mannen, menen de meeste vrouwen. Een Surinaamse vrouw zei dat een Surinaamse man vrijwel nooit trouw is in een relatie, en hetzelfde geldt voor Zuid-Europeze, Zuid-Amerikaanse, en Arabische mannen. Veel vrouwen gaan er in die culturen vanuit dat een man ergens anders ook een vrouw heeft, maar vermijden dat hele thema: als ze het samen maar leuk hebben. Hetzelfde geldt voor een eventueel “tweede man” voor een vrouw, in veel zuidelijke landen toch ook gangbaar.

Zulke complexe “dubbellevens” met maitresses, van o.m. veel Latino mannen (inclusief Fransen) vermijden nuchtere, rationale Nederlanders liever, stelt Perrier. Ze blijven echt trouw, of ze kappen het slippertje met iemand op hun werk resoluut af, of biechten deze zelfs op aan hun vrouw. Wat dat betreft lijken ze dus inderdaad trouwer en eerlijker.

“Elk voordeel heeft zijn nadeel” zei de “vercatalaanste” Nederlandse man Johan Cruyff ooit. Nederlandse mannen deden minder macho of stoer dan mannen uit hun land, vonden de meesten van de vrouwen, waren vaker wat bescheidener, en durfden zich ook zwak te tonen, wat sommige vrouwen prettiger vonden. Ze vergeleken dit met de drang naar stoerdoenerij en machismo bij de “usual suspects” (“Latijnse” en Arabische mannen), maar ook bij Duitse en Zwitserse mannen.

Nederlandse mannen hebben meer geleerd – met name sinds de eerdergenoemde “flower power” praatgroepen (“feminiserend” noemde auteur Stephan Sanders deze) - om vrouwen als gelijkwaardig te behandelen, als medemens. Echter: extra galant en respectvol, of beschermend, voor hun vrouwen zijn ze dan ook niet meer, klaagden sommige vrouwen. Geen extra complimentjes, geen attent de deur open houden, geen afscherming van druk verkeer o.a. Zelfs haar begeleiden in “gevaarlijke buurten” tot ze thuis was, vonden sommige (niet alle) Nederlandse mannen te ver gaan.

TEMPERAMENT

Het gebrek aan temperament bij de Nederlandse man wordt betreurd maar ook geprezen: Nederlandse mannen blijven rustig praten, behouden de kalmte en ratio en controleren daardoor beter de situatie, waar zuiderlingen van het ene uiterste in het andere vallen, en met name door ongemakken drukker worden of hun stem verheffen (en daarmee meestal niets bereiken).

Dit, gecombineerd met het rationeel-nuchtere, en “directe” (onverbloemd, calvinistische) van Nederlandse mannen, kan echter ook verkeerd vallen. Op een rustige, rationele manier kunnen Nederlandse mannen het meest harde of ongevoelige zeggen, alleen omdat hij het waar vindt (voorbeelden: je bent te klein, te dun of dik geworden, te druk, of te onhandig), waardoor het killer overkomt. Een Italiaanse merkte op dat Italiaanse mannen ook wel vileine, valse dingen kunnen zeggen tegen hun vrouw, maar dan als ze tijdens een felle, geagiteerde ruzie al in een woedeaanval zitten. Dat herken ik wel: hetzelfde geldt min of meer voor Spanjaarden (en ook voor Italiaanse en Spaanse vrouwen, trouwens), denk ik.

ROMANTIEK

Romantiek lijkt evenmin het sterke punt van de nuchtere Nederlandse mannen, volgens de vrouwen, samenhangend met het mindere belang van passie. Zuidelijke mannen stuurden als ze verliefd waren gedichten in het holst van de nacht aan hun geliefden, deden erg hun best, en kochten opvallend dure cadeau’s om indruk op haar te maken, zelfs met een gebrekkig inkomen. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Arabische en Turkse mannen, zoals de ex-en van een geïnterviewde Irakese in het boek (die ook een tijd in Libanon woonde), en van een Turkse.

Met het risico het cliché van de Nederlandse zuinigheid te bevestigen, was het zo dat Nederlanders zelden dure cadeau’s kochten voor hun partners, maar ook daarbuiten wat minder te buiten gingen aan extravagante “extra” uitingen van liefde, zelfs als gratis.

Geestig ook hoe een Mexicaanse vrouw het verwoordde.. “Hij (mijn Nederlandse man) is beslist attent en toegewijd: mijn man brengt me zonder bezwaar om 5 uur ‘s-ochtend’s naar het vliegveld. Dat is zijn manier om te zeggen “ik hou van je””. Natuurlijk toon je liefde vooral met acties, maar ik vond vooral het “zijn manier” in deze laatste zin veelzeggend..

Maar zijn ze minder of eerder “anders” romantisch? Een lachmoment had ik ook toen de Franse auteur zei dat ze erachter was, wat voor Nederlandse mannen het summum van romantiek is, bevestigd door de meeste geïnterviewde vrouwen: kaarsen. Als hij kaarsen gaat aansteken, vaak met stemmige muziek, dan heeft een Nederlander romantiek in de zin..

Niet grootse, meeslepende gebaren, maar meer dagelijkse details dus, zoals ook zijn zorgen over haar welzijn (genoeg eten bij je?, voel je je prettig?) blijken voorts meer de manier van de Nederlandse man om zijn liefde of verliefdheid te uiten. Zeker niet onsympathiek, maar meerdere vrouwen misten toch wat meer hartstocht en passie. Wat meer “vuur”.

FYSIEK

Een goede brug naar het “fysieke”: onder meer de seksualiteit. Een ander aspect van het fysieke – het uiterlijk van de Nederlandse man – wordt ook wel besproken, maar summierder. Lang, blond en atletisch gebouwd vinden veel vrouwen aantrekkelijk, soms zelfs aantrekkelijker dan harige, meer gedrongen mannen in bijv. Zuid-Europa of Israël, die korter zijn, en bovendien na een bepaalde leeftijd een “buikje” krijgen, vanwege het verankerde lange tafelen in het Mediterraanse gebied.

Niet alle vrouwen vallen bovendien op lange mannen, weet ik: mijn Spaanse moeder vertelde dat ze geen mannen op etnische gronden uitsloot, maar toen ze als twintiger rond 1966 pas in Nederland was (regio Haarlem), en nogal lange Nederlandse mannen wat met haar wilden, vond ze dit juist onaantrekkelijk, en eigenlijk ook absurd en ongepast: een man waarbij ze tot net bij zijn bortskas kwam.. Mijn vader (iets langer dan haar, maar slechts een halve kop) vond ze beter passen, haha.

De vrouwen in dit boek zijn wat wisselend, ligt aan wat je type is (blond of niet), schat ik zo in, maar de meesten zien veel mooie Nederlandse mannen die er ook gezond uitzien. “Elegantie van het hoge noorden”, noemde een Israelische vrouw het zelfs lyrisch. Zij had het over fysieke verschijning. Minder “elegant” wordt de te vaak te informele kleding van Nederlanders gevonden, zelfs in hoge posities, hoewel sommige van de vrouwen die mindere neiging tot “formele kleding”, juist als vrij en onconventioneel waardeerden.

Een van de goede dingen – ik bedoel dit “goede” zonder ironie – van die gemengde “feminiserende” praatgroepen in de democratiserende flower power-tijd, en onderwijs en voorlichting erna, is dat Nederlandse mannen vrouwen als gelijkwaardig gingen zien, en er een taboe kwam op al te zeer aandringen of seks eisen, vaak immers ook een gevolg van een verwachte onderdanigheid. Dat is een mooi iets. Het kan de seks ook mooier maken, denk ik: er lopen nog opvallend veel volwassen mannen rond in deze wereld die niet weten dat een vrouw meer erogene zone’s heeft dan een man. Nog minder zijn er in geïnteresseerd.

Het kan ook doorslaan, leken de vrouwen in dit boek toch te zeggen, zoals de Portugese die vertelde al weken, meerdere dagen per week, met een Nederlandse man te daten, die maar geen toenaderingspoging deed. Ze werd van zoveel aarzeling directer en zei: ik kom naar jouw huis. Het werd wat intiemer sindsdien, maar hij schrok in eerste instantie, vertelde ze.

Naast deze voorzichtige, over-respectvolle geëmancipeerde Nederlandse mannen, zeiden sommige vrouwen – zoals een Mexicaanse – dat er ook juist heel gehaaste en directe Nederlandse mannen zijn, die direct willen zoenen, zonder spel of sensualiteit, en zelfs direct zeggen dat ze seks willen. Dat vonden ze ook weer lelijk en kleurloos.

In andere culturen gaan dingen indirecter, omfloerster, en speelser, met name ook de mogelijke kans op seksualiteit. Of het beter is weet ik niet, maar het vrouwelijke “net doen of ze niet willen” is gangbaarder in andere delen van Europa, soms ook om uit te testen of de man wel echt wil, zoals een Kroatische het uitlegde.

Een Chinese vertelde dat ook bij het daten, en eventuele seks, lang veel onzeker blijft: ja of nee?. Ze vond dat juist plezierig, en noemde die onzekerheid zelfs “zoet”.

SEKS

Over de seks zelf zijn de vrouwen eerder positief dan “onverbiddelijk” zoals in de ondertitel van dit boek staat. Nederlandse mannen willen vaak een vrouw niet dwingen, en proberen zacht, zorgzaam en gelijkwaardig in bed te zijn: zij mag genieten. Ze geven aandacht aan het voorspel en blijven communiceren. Dat is ook positief, en zeker moreel, maar meerdere vrouwen klagen nog wel over het te “ingehouden” zijn, en de rationele, vaak prozaïsche benadering van seks als gewoon en gezond in het moderne Nederland. Te routinematig en gedemystificeerd. Meerdere vrouwen, inclusief Britse en Scandinavische vrouwen, vonden mannen uit hun landen wat experimenteler in bed, mogelijk omdat Nederland inmiddels minder “taboes” heeft te doorbreken. Dat vinden Nederlandse mannen dus niet meer zo “spannend grensverleggend”.

Dat haalt blijkbaar veel romantiek, magie, en gevoel weg, en maakt de seks wel heel “lichamelijk” en plastisch met deze Nederlandse mannen. Met mannen uit hun eigen landen vonden vrouwen de seks vaak “vuriger”, hoewel nogal “male-centered”, wijzend op minder geëmancipeerde mannen in andere culturen. Een Spaanse homo vertelde lyrisch dat Spaanse mensen relatief meer “hart” en passie in de seks leggen, waardoor je mooier samensmelt met je partner. Een Italiaanse ervoer echter dat zulke grotere passie bij Italiaanse mannen, uiteindelijk wel vaak omslaat in macho egoïsme: het gaat toch vooral om hem.

Dit laatste was ook zo in landen waar vrouwen nog als gebruiksvoorwerpen/gedienstig aan de man en diens gerief werden gezien, zoals bij veel – weer zo vooroordeelbevestigend - Arabische en Turkse mannen, maar ook Kroatische en Russische mannen prefereren onderdanige vrouwen, en ook Duitse en Oostenrijkse mannen zijn in bed baziger en minder democratisch dan Nederlandse mannen, zo blijkt uit dit boek. Dat is een plus voor Nederlandse mannen, alleen benaderen Nederlanders seks volgens diezelfde vrouwen wel weer met te weinig gevoel en passie.

Grappig genoeg gaven sommige van de vrouwen toe het juist een leuke uitdaging om toch dat gevoel in die ingehouden Nederlandse man tijdens de seks naar boven te halen, hem passievoller te maken.

STEL

In een ander hoofdstukje behandelt Perrier of Nederlandse mannen jaloers zijn in relaties, toch wat aansluitend het “macho” hoofdstuk. Nederlandse mannen blijken relatief minder jaloers, zo bleek voorspelbaar. In een ander verwant hoofdstukje wordt het stel zelf besproken: doen ze alles samen, of houden ze hun eigen, onafhankelijke leven? Nederlanders laten hun vrouwen relatief vrij, maar willen zelf ook vrij blijven. Niet alles hoeft met haar, en daar schrokken vrouwen van, die het idee van “onszelf samen door het moeilijke leven slaan” juist zo romantisch en liefdevol vonden. “Liefde is samen blut zijn”, rapte de Nederlandse rapper Extince ook ooit mooi.

De romantiek van: “We hebben weinig, maar wel elkaar”, klinkt mooi, maar veel Nederlanders hebben inmiddels genoeg of zelfs veel. Naast de relatieve welvaart kan een sterkere individualisering een rol spelen, denk ik, waardoor dit type romantiek hier wat schaarser is.

Ik kan ook het ergste denken, namelijk dat de Nederlandse man alleen echt “samen strijdt” en “diep gaat” met vrouwen van zijn eigen volk, maar laat ik er vanuit gaan dat hij echt verliefd werd en via de relatie met de buitenlandse ook de crypto-racistische reserves (die er bij veel volkeren zijn) verdwenen. Deze gemengde paren zijn immers al over grenzen gegaan.

VADERSCHAP

Ook – wat korter – wordt er in het ook aandacht geschonken aan wat voor vaders Nederlandse mannen bleken. Sommige van de geïnterviewde vrouwen waren immers al jaren getrouwd met een Nederlander, en hadden kinderen met ze gekregen. Voorspelbaar: de Nederlandse vader is meer van het overleggen met het kind, en het “vrienden willen zijn” met de kinderen, wat in niet alle culturen begrepen wordt. In Zuid-Amerika – zo stelden sommige vrouwen – is een ouder niet een “vriend”, maar een disciplinerende of grenzenstellende factor, en iets soortgelijk (en afstandelijke, wat autoritaire vaderfiguur) is er in andere culturen. Tot niet zo lang geleden ook nog in Zuid-Europa.

Wederom, een onbegrepen, maar niet onsympathieke, democratische trek van geëmancipeerde Nederlandse mannen.

REFLECTIE

Ik betrapte mijzelf erop om mijzelf te vergelijken met de besproken Nederlandse mannen. Mogelijk ben ik “vernederlandster” dan ik wil geloven, ondanks mijn Italiaans-Spaanse achtergrond en wortels. Ik leerde veel van mijn ouders en heb fantastische vakanties in Italië en Spanje gehad, met familie, maar ben toch geboren en opgegroeid in Nederland.

Cultureel en psychologisch interessant, maar ik ben er nog niet uit. In vrouwenemancipatie geloof ik meer dan de generatie van mijn vader, en ben wat dat betreft progressief en internationaal. Overigens uit persoonlijk principe, omdat ik oprecht meen dat de wereld niet vrij kan zijn, als vrouwen dat niet ook zijn. Dat principe is bij mij zelfs sterker dan persoonlijk slechte ervaringen met individuele vrouwen (harde of voorbarige afwijzingen, gekwetste gevoelens.. “I’ve been there”..).

Dat geëmancipeerde deel ik dus wel met progressieve Nederlandse mannen. Ik heb daarentegen geen Calvinistische inborst, en neig eerder naar speelsheid en het flamboyante van de Latino’s. Dat is soms een moeilijke balans, maar ik ben nu eenmaal ook een vrijdenkende kunstenaar.

Een Nederlandse vrouwelijke collega, met wie ik goed kon praten en me beter leerde kennen, zei ooit grappend over mij (met anderen erbij) dat ik weliswaar Italiaans-Spaans was, maar niet heel erg “macho”.. “een klein beetje maar”, voegde ze eraan toe. Ik nam het maar op als compliment.. Een beetje is genoeg.

Dit alles kwam door mijn achtergrond, maar mogelijk ook beïnvloedt door intieme relaties die ik zelf heb gehad. Mijn ouders gaven mij immers nooit seksuele voorlichting (zal een cultureel ding zijn), pas na mijn puberjaren praatte ik met mijn ouders, of broers (of neven) over dat soort dingen, en ook maar deels.

Ik heb intieme relaties met vrouwen uit verschillende culturen gehad, dus snap dat de vrouwen het leuk vinden om erover te praten, zoals in dit boek. Ik val op geëmancipeerde vrouwen, dus vrouwen bleven zichzelf bij mij, wat ik leuk en leerzaam vond. Zwarte Caraïbische vrouwen bleven zich “zwart” (inclusief bijv. kritiek op arrogante blanken) gedragen met mij, wat wij ook samen deden, en hetzelfde geldt voor Afrikaanse, Antilliaanse, Surinaamse, Italiaanse, Spaanse, Arabische, en Nederlandse (zelfs Friese) vrouwen, waar ik ooit iets mee had. Ik had zelden relaties waarin we elkaar probeerden te “veranderen”.. Ik merkte ook veel verschillen, zoals in de passie, en de omgang met seks.

Ik kon al die verschillen eigenlijk wel waarderen, om dezelfde reden dat ik van cultuur en van sterke persoonlijkheden houd. Als wij twee maar een goede relatie hadden, en elkaar begrepen. Het hielp mijn leven leuker en spannender te maken.

Dat soort intieme relaties zijn immers ook meestal leuk en spannend. Een thema als dit moet ook absoluut niet te zwaar gemaakt worden. Er zijn al genoeg zware dingen in de wereld..

Cultuur is leuk, dus cultuurverschil (uiteindelijk) ook. De ruimte krijgen dat te verkennen met andere mensen is vrijheid. Daardoor je te laten beïnvloeden ook, en overnemen wat je aanspreekt, achterlaten (ook uit je eigen erfenis) wat je niet aanspreekt. Zo probeer je de mooie dingen van elke cultuur te behouden, om je leven te verrijken. Zo komen culturen tot elkaar..

CONCLUSIE

Dit boek is lezenswaardig en vermakelijk. Ook wel leerzaam, maar ook herkenbaar, en met leuke humor. Sophie Perrier kan zeker schrijven en leuke citaten selecteren.

Een van mijn onderzoeksvragen was of het te generaliserend was. Dat is denk ik onvermijdelijk vanwege de anekdotische opzet. De geïnterviewde vrouwen noemden voorbeelden uit hun verleden, en noemden begrijpelijkerwijs terugkerende dingen uit hun ervaring. Ongetwijfeld zijn er ook niet-ingehouden Nederlandse mannen met gevoel voor romantiek, zoals er inmiddels ook wel Arabische, Italiaanse, of Kroatische mannen zijn die vrouwen wel als gelijkwaardig willen behandelen in bed. Ook zal niet elke Spanjaard zo “vurig” in bed zijn, als hun algemene imago, om nog maar wat te noemen, of zal niet elke Fransman zoveel aandacht geven aan zoveel mogelijk flirten en maitresses zoeken.

Hoe “onverbiddelijk” was dit oordeel van buitenlandse vrouwen over Nederlandse mannen, zoals de ondertitel luidt?

Dat valt al met al best mee, maar niet zonder kritiek op de - nogmaals: algemeen gesteld - nuchtere, beheerste, verstandelijke, passieloze benadering van relaties door de Nederlandse man. De pluspunten hiervan (serieus, gedisciplineerd wanneer nodig) worden echter ook veelvuldig genoemd, dus het beeld is genuanceerd.

Dat sommige vrouwen het in dit boek als een uitdaging zien de “koude” Nederlander wat warmer, gepassioneerder te maken, is ergens ook wel schattig. Het zou zelfs bijna ontroerend mooi zijn als zij dat als beloning ziet voor zijn geëmancipeerde consideratie/respect voor haar wensen.. That’s love, baby..

Die historisch onstane cultuurverschillen per land heb ik altijd al een interessant thema gevonden: mogelijk omdat ik geboren ben uit ouders uit twee verschillende landen, in weer een ander land. Ik hoorde daar opgroeiend ook veel over. Zo zei mijn moeder ooit stellig: “Italianen zijn jaloerser dan wij Spanjaarden, vaak over onzin”.. Ik moest daar toch over nadenken: was dat op mijn vader gebaseerd of (ook) op andere Italianen die zij heeft gekend? Ik ken namelijk ook veel Nederlanders die “jaloers zijn over onzin”, in de vorm van “misgunnen”.

Dit alles toont, in ieder geval, in dit dystopische “corona” tijdsgewricht – met politiek opgelegde lockdowns en isolatie – hoe mooi het is als je vrij je medemens kunt “verkennen”, zonder restricties. Je gewoon vrij kunt bewegen in openbare ruimten, mensen spontaan leren kennen, verliefd kunt worden, langzaam steeds nader tot elkaar komt, al flirtend. In vrijheid en in gelijkheid. Elkaar – en daarmee andere culturen – open leren kennen, desgewenst ook intiem.

Vrijheid is hierbij nodig, maar nu dus verstoord door het coronabeleid. Ik zei in Maart 2020 al overtuigd, en dat herhaal ik stellig: “lockdowns zijn iets van dictaturen”. Veel van het ermee samenhangende beleid, was even vernederend of erg, en nog erger: van vrijheidsbeneming tot vaccinatie-/injectiedrang,en nu apartheid tegen en discriminatie van gestigmatiseerde ongevaccineerden.

Ik ben het niet eens met dit draconische/totalitaire beleid aangaande een immers toch relatief mild griepvirus, dat moge duidelijk zijn. Een leuk thema om het lang over te hebben vind ik het echter ook niet.

Dit prettig geschreven boek (uit 2001) met interviews door Sophie Perrier, geeft inzicht in een veel leukere wereld, waar je vrolijker van wordt, zelfs met wat ongemakken. Tegelijkertijd maakt dat mij wat nostalgisch: ze herinneren mij aan vrijere tijden, toen je nog spontaan mensen kon ontmoeten, jezelf daarmee ook leerde kennen in relatie tot anderen. Ubuntu, of “mens door andere mensen”, zoals ze in Bantoe-gebieden in Afrika zeggen.

De spanning van mogelijk verliefd worden, een speelse flirt, of zelfs alleen maar grappige of boeiende gesprekken met mensen die je mogelijk zelfs net ontmoet had. Met andere woorden: het echte leven. Het natuurlijke menselijke leven.

Dat kon ooit zonder al die verdachtmaking en angstpropaganda onzin rond afstand, besmettingsrisico etc., die nu teveel in onze hoofden zitten, sinds dat coronabeleid.

Mensen zijn potentiële liefdes-, vriendschaps-, of zelfs inspiratiebronnen – of juist niet, maar daar leer je weer van -, maar in ieder geval veel en veel meer dan potentiële “ziektebronnen” die nu van ons gemaakt worden..

Dit boek toont dat mede aan. Al met al een aanrader. Goed leesbaar, en vol met leerzame, geestige anekdotes.

‘De Mannen van Nederland : het onverbiddelijke oordeel van buitenlandse vrouwen’ . – Sophie Perrier (Uitgeverij Plataan, 2001). 120 pag..

maandag 5 april 2021

De gesel van het neoliberalisme: Ewald Engelen's 'Ontwaak! Kom uit uw neoliberale sluimer' (2021)

Zowel “neoliberalisme” als “technocratie” zijn termen waarvan ik eigenlijk alleen - tot voor kort - "ongeveer" wist wat ermee bedoeld wordt. Ik ben hoger opgeleid en heb jarenlang in een bibliotheek van een wetenschappelijke instituut gewerkt, maar toch kwam er tot voor kort geen sluitende definitie in mijn hoofd op van deze termen. “Neoliberalisme” associeerde ik met “kapitalisme”, het belang van grote bedrijven en banken, en verder, wel, de VVD. Wat het “neo” (nieuw) maakte wist ik niet precies.

“Technocratie” vond ik nog lastiger om goed te definiëren. Ik vermoedde iets van beleid gebaseerd op kille apparatuur en (reken)modellen.

Welnu, het pas (2021) verschenen en goed leesbare boek ‘Ontwaak! Kom uit uw neoliberale sluimer’ van Ewald Engelen hielp me uit de metaforische brand: het besprak beide thema’s, in relatie tot met name de recente Nederlandse geschiedenis.

Ik kwam het boek tegen in de sociale media, en had weleens eerder wat gelezen van Engelen. Ik was het over het algemeen wel met hem eens. Ook beschreef hij leuk sociaal-economische ontwikkelingen, niet zonder humor, alhoewel wel met soms complexe zinnen. Dat laatste zie ik ook als uitdaging.

Ook tijdens wat nu speelt, en dat ook mij meer raakte dan me lief was, namelijk de coronacrisis, bleken Engelen en ik het grotendeels eens. Laten we zeggen dat we beiden tot de linkervleugel behoren van mensen die kritisch zijn over de coronamaatregelen/het lockdownbeleid.

DUIDING

In dit boek uit 2021 was ik dus ook geïnteresseerd, omdat ik de thematiek interessant vond – mijn interesse is echter breed – maar ik vooral ook duiding zocht. Dit zeker ook in de corona tijd van pandemie, die Engelen ook in dit boek over neoliberalisme betrekt. Sommige tegenstanders van het coronabeleid gebruiken de term “plandemie”.

Zelfs als complottheorieën – zoals rond Bill Gates, WEF, Agenda 2030 etc. – waar blijken te zijn – mijn persoonlijk vermoeden: in ieder geval deels -, heeft loos speculeren over de achtergronden van het internationale coronabeleid nu geen zin. Althans: niet zonder een grondige analyse van de politiek en economie die er aan vooraf ging, zoals in Nederland. Dit leek mij een nuttige, historische duiding die ik zocht. Het is een lacune die het boek voor me vult, dat gaandeweg ook meteen “neoliberalisme” en “technocratie” duidelijk voor mij definieert.

Tenminste, dat verwachtte ik. Dit boek voldeed aan die verwachtingen, laat ik dat voorop stellen. Ik heb het met plezier gelezen, en kreeg ook het gevoel dat ik wat bijleerde. Het had iets van “bevestiging” van mijn denkbeelden – ik geef het toe -, maar zeker ook opende het boek mijn ogen voor andere ontwikkelingen en verbanden, die ik zelf nog niet zo zag. Ergens in het boek vat Engelen samen wat volgens hemzelf het kernthema van dit boek is: “de manier waarop hoogopgeleide experts het zogenaamde publieke belang misbruiken om de eigen belangen te dienen ten koste van die van laagopgeleiden.”.. Dat is nog eens duidelijke taal! Rond dit kernthema wordt veel interessants uiteen gezet.

NEOLIBERALISME

Ja, ik weet na lezen beter wat “neoliberalisme” is, hoewel een strakke, “catchy” definitie moeilijk te geven is. Engelen wijdde er zelfs een apart hoofdstukje aan met als titel ‘Wat is neoliberalisme?’, met als deel van de definitie: “meer macht aan aandeelhouders (eigenaren) van ondernemingen, en minder voor andere belanghebbenden (werknemers, klanten, en leveranciers). Dit leidde tot de karakteristieke, neoliberale focus op “winstmaximalisatie”. Het “neo” (nieuwe) ervan ten opzichte van het eerdere “laissez faire” liberalisme zit hem in de “ordening” via wetgeving en gerichte politieke steun.

Interessanter is hoe Engelen de dominantie van het neoliberalisme in het economische beleid van Nederland, en de rest van de Westerse wereld, beschrijft, hoe deze opkwam, en de status quo werd. De norm werd dat de vrije markt alles kan oplossen, simpel gezegd, en dat een minimale, maar effectieve, staat dit ondersteunt.

Dit Anglo-Amerikaanse kapitalistische model kwam inderdaad overwaaien uit de VS en het Verenigd Koninkrijk naar de rest van Europa. Dit was begin jaren 80 (1980s), met de University of Chicago als een leidend neoliberaal bolwerk, met internationale invloed. In Nederland, met een handelstraditie, was die invloed er relatief vroeger en sterker, zo vertelt Engelen, vergeleken met andere landen in Europa: landen als Frankrijk waar gemarginaliseerde economische “scholen” (Keynes, Marx e.a.) nog wel wat meer ruimte en politieke invloed behielden.

Engelen zet goed voor mij uiteen dat er weinig “altruïstisch” en “humanitair” is aan het neoliberalisme, en dat het cynisch genoeg inderdaad de belangen dient van een kleine, welvarende financiële elite in de wereld. Complottheorieën zijn niet eens meer nodig. Het idee van “trickle down economics”, dus dat de baten van winstgevende bedrijven iedereen, ook de arbeiders onderin (want meer werk) ten goede zouden komen, lijkt het cynische egoïsme te legitimeren.

Engelen spreekt zelf over een “proces” sindsdien, in plaats van een “complot”, een “gelijkschakeling” zo men wil, tussen alle machtige maatschappelijke groepen: politiek, de pers, met het grootkapitaal, tegenover “de massa”, en het “volk”. Deze gelijkschakeling -procesmatig, maar met welbegrepen eigenbelang - heeft zich volgens Engelen de laatste decennia in Nederland haast volledig voltrokken. Het omvatte ook puur machtspolitiek en druk, en subtiele omkoping ( zoals “job security” toch kan worden beschouwd).

POLITIEK

Alle “middenpartijen”, zo stelt hij, VVD, PVDA, CDA, D66, inclusief GroenLinks, voeren nu al een tijd neoliberaal economisch beleid uit, of propageren dat. Rechts-populistische partijen die het “ongenoegen” onder het volk willen kanaliseren - PVV, FVD – doen dat volgens Engelen met een verkeerde focus: op cultureel nationalisme, migratiebeperking, en harder vreemdelingenbeleid, daarbij het echte, diepere probleem, namelijk armoede onder dat volk door neoliberalisme, negerend. Partijen als PVV en FVD zitten in dezelfde “neoliberale” fuik wat betreft hun economische standpunten als de “middenpartijen” die ze zelf (als het “kartel”, zoals FVD voorman Thierry Baudet ze noemde) bekritiseren.

Het echte probleem, en dat vond ik een sterk punt van Engelen, is niet “migratie” of “mobiliteit” van mensen, maar mobiliteit van “kapitaal”.

Slechts de SP heeft een duidelijk ander economisch verhaal, volgens Engelen, terwijl de Partij voor de Dieren, ook wat meer afwijkend is qua ecologisch en economisch beleid van de “middenpartijen”, en minder in die neoliberale fuik zit.

WERELDBEELD

Wat is die “fuik” dan wel, en welk wereldbeeld zit achter het neoliberalisme? Dat vind ik interessant. Het “wereldbeeld” van het egoïsme, klaarblijkelijk, gedeeld door meerdere hoogopgeleiden. Daarnaast ziet Engelen ook het mensbeeld van de rationele, calculerende “homo economicus” terugkomen, sinds de stimulering van het neoliberalisme. Het gaat voorts, meer praktisch, uit van het “aanbod” (markten creëren) dan van de “vraag” van consumenten. Dit zorgt voor een – vanuit het perspectief van burger/klant - opdringeriger soort kapitalisme, met welbeschouwd ook meer leugenachtigheid (“behoeftes creëren” is the name of the marketing game), in vergelijking met de Keynesiaanse school van kapitalisme. Verrijking van het grootkapitaal, eenvoudig samen gevat, als belangrijkste uitkomst.

Overtuigend toont Engelen aan dat dit neoliberalisme – ondanks de “trickle down” pretenties – eigenlijk vooral negatieve gevolgen had voor de meerderheid van de bevolking. De bankencrisis van 2008 liet dat zien. Een kleine elite bleef er van profiteren, welke ook alsmaar rijker werd. Die elite werd juist politiek gesteund als antwoord op die economische crisis van 2008, en het neoliberalisme daarmee versterkt, ook politiek..

Hij zet ook uiteen hoe de analyses die ten grondslag liggen aan het neoliberalisme tot een “self-fulfilling prophecy” leiden: de scheiding van “feiten” en “theorie”, depolitisering van economie, samenhang tussen probleem en “oplossingen”. De interpretatie van feiten is inderdaad een heikel – en corrumpeerbaar - punt in meerdere wetenschappen.

ECONOMEN

Veel aandacht geeft Engelen ook aan “economie” als wetenschappelijke discipline. Met de dominantie van neoliberalisme sinds 1980 kregen academisch geschoolde economen - zo illustreert Engelen – veel macht en aanzien, resulterend in een combinatie van arrogantie en tunnelvisie. Hier gebruikt hij de term “technocraten” ook, alsmede “econocraten”. Kort door de bocht geformuleerd: meer geïnteresseerd in cijfers en winst dan in de bredere maatschappij. Of in zulke hinderlijke factoren als “het volk” of “democratie”.

Opvallend is ook – en dat verbaast mij ook, vanuit mijn tijd in een wetenschappelijk instituut – het gebrek aan open discussie in specifiek de economische discipline, het gebrek aan tegenspraak en twijfel. Wetenschap gedijt immers bij de twijfel, en elke “waarheid” erin is tijdelijk. In echte wetenschap dan.

Aan de neoliberale economen is dat over het algemeen weinig besteedt, verduidelijkt Engelen. Ze worden hierbij ook gesteund door de journalistiek, die dezelfde hoogopgeleide, technocratische positie en levensvisie delen, aldus Engelen. Het veelvuldig gebruik van de termen “topeconoom” of “topeconomen” in de media, wijzen op dat ontzag, als deel van een bredere kritiekloosheid. Dat de meeste politieke partijen diezelfde neoliberale focus hebben, eveneens.

Zo kregen deze technocratische economen veel invloed op het politieke discours, en “neoliberaliseerden” deze (mijn term) sinds de 1980s, zogezegd, tot op heden. In Nederland, en een flink deel van de Westerse wereld (en daarbuiten). Dit alles vergrootte de ongelijkheid tussen rijk en arm, en hoogopgeleid en lager opgeleid, maar vergrootte ook de ecologische schade.

MINACHTING

Voorts is een andere interessante lijn in dit boek van Engelen, het dédain of de regelrechte minachting van de hoogopgeleide “technocraten” voor “het volk”, met andere woorden: de lager-opgeleide (en armere) meerderheid. Dit uit zich volgens Engelen in een focus op “verdienste” (merit) van deze hoogopgeleide academici, voortkomend uit een vermeend superieur brein, waar goed gebruik van gemaakt is, door bijvoorbeeld die net-niet-zelfbenoemde topeconomen, en andere academische geschoolden in hun “bubble” en letterlijk of figuurlijk “gated communities”. Deze hoogopgeleide elite heeft een aura van internationaal, kosmopoliet burgerschap om zichzelf heen gecreëerd, geplaatst tegenover het al snel als dom, en xenofoob neergezet lager opgeleide “volk”, vatbaarder voor nepnieuws, populisme, en stemmen op Trump, of partijen als PVV, of voor nationalistische en racistische stromingen, etcetera.

RACISME

Terecht bekritiseert Engelen die hoogopgeleide hoogmoed, in Nederland ook sterk aanwezig, die generaliserend en onwaar is, ook wat betreft “racisme”. Het riekt ook nogal naar hypocrisie. De zwarte Amerikaanse komiek Paul Mooney gaf aan dat racisme vooral iets is wat (rijke) “blanken” DOEN (niet toelaten, niet aannemen, niet verstrekken), en dus meer is dan ergens “rancuneus PRATEN over andere rassen”, zonder verdere machtsmiddelen.

Die hoogopgeleide elite heeft die machtsmiddelen en zal de eigen groep daarmee bevoordelen. Ja, inderdaad vooral rijke blanke mannen, die al uit welvarende gezinnen komen. Daar ligt de hypocrisie.

Een autochtoon Nederlandse PVV-stemmer (werkeloos of uit de arbeidersklasse) die scheldt op teveel Marokkanen en andere buitenlanders in zijn wijk of omgeving, zal geen prettige of positieve persoon zijn, zeker niet voor individuele niet-Nederlanders, en andersom geldt dat ook voor leden van in Nederland etnische minderheden (Marokkanen, Surinamers e.a.) die alleen maar in rancuneuze en negatieve termen aan autochtone Nederlanders kunnen denken (vaak vanwege wat vernederende ervaringen), en contact met die Nederlandse meerderheid maar liever helemaal vermijden, ook al is dat wat generaliserend.

Deze “rancuneuze” mensen hebben door hun maatschappelijke positie echter weinig macht. Premier Mark Rutte, eindverantwoordelijke voor de “racistische” toeslagenaffaire, had daarentegen duidelijk wel macht.. Net als alle grote politieke partijen.

CULTUUR

Engelen betoogt dat de focus op “culturele” onderwerpen dominanter is geworden in het internationale politieke discours, met name sinds de terroristische aanslag (9/11) in 2001. De Islam en zich daarop beroepend terrorisme kreeg zeker overmatige aandacht van overheden, met strengere terreurwetten, en nieuwe, ingrijpende bevoegdheden, en meer inbreuk op privacy en lichamelijke integriteit. Populistische partijen in sommige landen maakten hier en daar gebruik van de Islamofobie, maar het werd ook deel van een breder “cultureel” discours binnen gevestigde partijen over de plaats van de Islam in Westerse samenlevingen. Het evidente feit dat de meerderheid van moslims geen terroristen zijn – en dat het vanuit de psychologie ook zomaar zo kan zijn dat individuele moslims hun religieus fanatisme gebruiken als uitlaatklep voor allerlei (eigen) frustraties -, werden daarbij gemakshalve veronachtzaamd.

Dat Islam-terrorisme was een “hype”, kun je concluderen uit wat Engelen in dit boek stelt, zelfs een afleidingsmanouevre om “neoliberaal” beleid te rechtvaardigen, via een sterkere, maar ondemocratische staat.

Hetzelfde vindt hij gelden voor de focus op andere “culturele”of “raciale” onderwerpen (naast de Islam in Nederland) in het maatschappelijke discours, en in de media in Nederland: “Zwarte Piet”, het Nederlands slavernijverleden of koloniaal verleden, emancipatie, standbeelden van koloniale moordenaars of slavenhouders, of zelfs thema’s als “genderneutraliteit”.

Dit dient vooral om “het volk” af te leiden van de macht van het “neoliberalisme”, en de ongelijkheid die het veroorzaakt, vindt hij. Verdeel en heers, met andere woorden, het volk (de “gevaarlijke” meerderheid) dus verdeeld houden.

Ik denk te snappen wat Engelen ermee bedoelt, hoewel ik het er niet 100% mee eens ben. De wetenschappelijke bibliotheek waar ikzelf ruim twaalf jaar voor werkte, had juist dat Nederlandse slavernijverleden (en koloniaal verleden) als thema, waarbij ik mij specialiseerde in het Caraïbisch gebied.

Ik heb er veel geleerd, maar vooral ook hoe belangrijk is om veel van dat slavernijverleden te leren: voor iedereen in de huidige wereld, en niet slechts mensen van Afrikaanse afkomst. Als slecht voorbeeld, voor het belang van mensenrechten en gelijkheid, en om de positie van bijvoorbeeld Afrika in de huidige wereld te begrijpen..

Ik vind het (Nederlands) “slavernijverleden” dan ook geen irrelevante “afleiding” zoals Engelen lijkt te suggereren, ook omdat de trans-Atlantische slavenhandel en plantage-slavernij in de Amerika’s, eigenlijk ook historisch aan de basis staan van het “kapitalisme” als zodanig, dus ook de huidige neoliberale variant, die Engelen in dit boek heftig bekritiseerd. De opbrengsten van de Britse slavernij financierden de bekende, eerste Industriële Revolutie, zoals wel wat bekender mag zijn.

Hetzelfde geldt voor racisme, waarbij Engelen wel terecht Martin Luther King citeert over de toch ook gedeelde belangen van arme arbeiders (van elk ras) met de Afro-Amerikanen – ook veelal van de arbeidersklasse – voor wie hij opkwam.. ze hadden dezelfde (neoliberaal-kapitalistische, rijke, witte) vijand. Nu nog steeds, zou je kunnen betogen.

Hoewel racisme bestaat, en discriminatie op uiterlijk en cultuur, ook in Nederland, aan de orde van de dag zijn, moeten de relaties met het dominante, ongelijkheid-bevorderende neoliberalisme niet vergeten worden, lijkt Engelen te stellen.

Enigszins samenvattend zegt Engelen treffend, achterin het boek:

“Het neoliberale middel bij uitstek is het creëren van een technocratie die de controle over de regels van de markten en de bescherming van de eigendomsrechten zoveel mogelijk buiten het bereik van volk en democratie houdt”.

Het doel van neoliberalisme is de staat gebruiken om markten verder te verdiepen en eigendomsrechten verder te zekeren, stelt hij tegelijkertijd.

Om dit te bereiken zijn ‘rampen” en “crises” welkome aanleidingen, en zo komen we bij een ander thema in dit boek: de corona crisis.

CORONA

Engelen schreef dit boek terwijl deze merkwaardige coronacrisis gaande is, wereldwijd, met een beleid van ongekende “lockdowns”, ook in Nederland, nodig geacht – of als zodanig gepresenteerd – om verspreiding van de virale ziekte (een nieuwe SARS variant) die via China de wereld over ging (sinds Februari 2020) tegen te gaan. Zoals we veel te veel in de media hebben moeten vernemen, wordt dit virus “Covid 19” genoemd.

Ik was onder de indruk van Engelen’s analyse van deze crisis, met name het politiek gebruik ervan.

Hij geeft zich niet over aan complottheorieën rond Bill Gates, Agenda 2030, the Great Reset, die veel criticasters van het coronabeleid aanhalen, maar refereert er eigenlijk wel indirect naar.

Interessant is echter juist dat hij het plaatst binnen het verloop van het Westerse neoliberalisme.

Hij spreekt – vind ik terecht – tegen dat de hele crisis en het ondemocratische “lockdown-beleid”- wat opvallend veel regeringen nu hanteren - een “ommekeer” is ten opzichte van dat neoliberalisme.

Integendeel: hij ziet het eerder als een bevestiging ervan, zelfs een culminatie van hetgeen eraan vooraf ging. Net als bij de “terrorisme hype” sinds 2001, de politiek gebruikte “banken crisis” van 2008, ziet hij de corona crisis - of “corona hype” zoals ik het zelf wel wil noemen – als nog zo’n noodsituatie en crisis die de “powers that be” gebruiken om het neoliberalisme verder te versterken.

Er is zelfs een vergelijkbare rol van academisch geschoolde “technocraten”, wier woord wet lijkt, zonder de gebruikelijke toetsing en tegenspraak. Voorheen waren dat dus de (neoliberale) “economen”, nu dus de “virologen”, met eenzelfde neiging tot arrogantie en tunnelvisie.

Een desastreus gezag – veelal gebaseerd op zeker betwistbare “modellen” – welke zelfs basale burgerrechten en –vrijheden die we als Nederlandse burgers sinds 1945 voor lief namen, beperkten en afnamen. Voor het eerst sinds de Nazi-tijd een Avondklok, daarvoor al gedwongen sluiting van publieke gelegenheden, reisbeperkingen, samenscholingsverboden, en andere ge- en verboden die de lichamelijke integriteit zelfs aantasten (mondkapjesplicht, meer en meer gedwongen tests en inentingen, en quarantaine).

Engelen zegt daarbij dat de angst bij het volk voor het virus, het vergemakkelijkt voor die neoliberale elite om hun doelen door te drukken.

VERKIEZINGEN EN STEMGEDRAG

Engelen zegt in dit boek weinig over de ernst of aard van Covid 19, en of dat het beleid legitimeert. Of die angst voor corona bij “het volk” (een meerderheid, lijkt het) terecht is (overlijdenspercentage inmiddels minder dan 0,23%, aanwijsbare risicogroepen, is het nog wel een pandemie?) daar kun je ook een boom over opzetten, en genoeg mensen doen dat tegenwoordig nu ook. Terecht uiteraard. Zowel aan de linkerkant als de rechterkant van het politieke spectrum.

Viruswaarheid (rond Willem Engel) is naar eigen zeggen teleurgesteld in de “Linkse” steun voor het corona/lockdownbeleid, maar gezien de partijpunten voor de laatste verkiezingen (Willem Engel was zelf verkiesbaar voor Lijst 30), hebben hun sociaal-economische en culturele standpunten meer met pre-corona GroenLinks of Partij voor de Dieren, of zelfs de SP gemeen, dan met rechts-populisme. Niet erg “neoliberaal” dus.

Wel aan die rechtse kant zit de Forum voor Democratie (FVD), waar partijleider Baudet met Wybren Van Haga een sterke criticaster van het coronabeleid binnen heeft gehaald, kritiek die Baudet nu lijkt te delen (na eerdere steun voor het beleid). FVD was van de “cultureel nationalistische” school die Engelen bekritiseerde: met dus de verkeerde (xenofobe) antwoorden op de noden van het laagopgeleide volk. Met de “corona focus” van nu ook Baudet veranderde de partij wel wat.

Van Haga is minder met “cultureel nationalisme” bezig en probeert nuchter als ondernemer naar het coronabeleid te kijken, en zelfs of Baudet werkelijk een “racist” is betwijfel ik eigenlijk, ondanks wat ongelukkige uitspraken die de media haalden, of opgeblazen zijn. Sommige hardvochtige voorstellen als deel van hun plannen (van de FVD) gaan in die richting, maar verschillen ook niet zoveel van wat in ‘t VVD-of CDA-programma staat (“opsporen van illegalen”, kansarme migratie beperken, en meer van dat soort onempathische, rechtse onzin). De FVD is in ieder geval deels zeker Rechts en elitair, waardoor ze economisch ook gewoon meegaan met het neoliberalisme. Hetzelfde geldt voor de nog xenofobere PVV.

Daarnaast joeg Baudet met zijn recentelijke “obsessie” met het coronabeleid andere FVD-leden weg, die meer met “cultureel nationalisme” en xenofobie bezig waren, en die dat blijkbaar meer dan Baudet combineerden met hun smetvrees. Hetzelfde geldt voor Geert Wilders die het lockdownbeleid steunde, maar electoraal gewin zag in het tegen de draconische avondklok zijn.

Engelen (en zijn partner)’s eigen Partij Voor De Dieren is volgens hemzelf de enige waarvan het electoraat grotendeels bestaan uit mensen die én Links én hoogopgeleid én kritisch over het coronabeleid met mensenrechtenschendende – en niet-effectieve – maatregelen durven te zijn (avondklok en de meeste andere beperkingen).

Dat geldt ook voor Willem Engel en de zijnen, maar die haalde de kiesdrempel niet (volgens Engel zelf door fraude).. Partij Voor De Dieren wel.

Ook Van Haga lijkt beloond te zijn voor zijn anti-coronabeleid standpunt (enkele zetels), terwijl GroenLinks voor hun pro-coronabeleid – zo lijkt het - juist zetels verloor, bij een deel van hun achterban (immers populair bij Linksige studenten, die levendige studentensteden als Amsterdam, Utrecht, en Nijmegen in dystopische spooksteden zagen veranderen, met na een bepaald tijdstip alleen politie of bezorgers op straat).

Het stemgedrag is een ander thema in dit boek: waarom blijft de meerderheid van de Nederlandse bevolking die neoliberale “middenpartijen” (VVD e.a.) stemmen, die tegen hun eigen belangen in gaan, en die van een elite juist versterken?

Dat is een belangrijk thema van het boek: die “gelijkschakeling” en gevoelde verwantschap tussen hoogopgeleide technocraten, neerkijkend op het volk, met de media, en politiek, die de politieke en economische realiteit in hun voordeel hebben “geframed” (grote bedrijven laten groeien, winstmaximalisatie, meer markt is goed, “trickle down economics”), en steeds meer mensen daaraan mee hebben laten doen, afhankelijk van hebben gemaakt.

Denk aan het toenemende huizenbezit en aantal hypotheken onder Nederlanders, de afgelopen decennia.. Dat is deel van een neoliberaal wereldbeeld, naast andere dingen, die veel Nederlandse middenklassers bij de VVD maar ook bij D66, of het PVDA en CDA herkennen, waardoor veel mensen die partijen de afgelopen verkiezingen (17 maart 2021) gewoon weer in meerderheid stemden (of “leken te hebben” om de optie van fraude open te houden).

Dit “stemmen tegen eigen belangen in” lijkt raadselachtig, maar Engelen verklaart in dit boek zeer goed hoe dat zo kon ontstaan. Het is uiteraard ook niet zonder historische paralellen (onderdanige slaven op plantages die anderen verraadden, slijmen bij de baas, nepotisme etc.). Met de “corona crisis” kwam de factor “angst voor ziekte” of zelfs “smetvrees” (die laatste term is voor mijn rekening) erbij, ook misbruikt door neoliberale krachten.

Engelen geeft terecht kritiek op de waarheidsclaims van (nu virologische) deskundigen, die principieel betwistbaar dienen te zijn, inclusief de achterliggende aannames, maar dat niet zijn. Die claims van deskundigen (het OMT met name) lijken een eindpunt van debat te zijn, en niet een beginpunt van debat en waarheidsvinding, zoals in echte wetenschap.

Ik herinner mij dat uit mijn tijd in een wetenschappelijk instituut, over meer – zij het soms moeizaam - “debat-toelatende” thema’s als “slavernijgeschiedenis” en antropologie. Discussie was open en soms zelfs aangemoedigd, ook vanwege het evidente, scheve feit dat blanke academici schrijven/onderzoeken over zwarte/Afrikaanse geschiedenis.

Echter: toen heikele thema’s als “herstelbetalingen voor slavernij” besproken werden, onder meer aangekaart door Surinaamse wetenschappers, ging een deel van de (blanke) deskundigen op hun strepen staan. Het ging toen immers om geld van de overheid en de elite. De “apologistische” school van slavernij historici als Piet Emmer (die het leed en de omvang van de Afrikaanse Holocaust teveel zou relativeren) of (iets gematigder) Gert Oostindie, had veel macht – en ook meer toegang tot de politiek – lieten als blanke wetenschappers van zich horen via invloedrijke kanalen, hoewel ze genuanceerde kritiek kregen van andere (o.m. zwarte) slavernij deskundigen. De blanke “apologisten” onder wetenschappers speelden dus de machtskaart.

Dat zie je nu ook, wil ik betogen. Engelen lijkt dat te bevestigen. In de “epiloog” aan het einde, gaat hij meer in op het huidige coronabeleid.

Hij ziet de coronacrisis niet als “nieuwe kans” voor een groene en eerlijke samenleving, ondanks vage (en oncontroleerbare) pretenties van het World Economic Forum (club van rijkste mensen in deze wereld), en mensen als Bill Gates, maar ziet dat eerder als misleidende retoriek, om het neoliberalisme verder te versterken, via oneigenlijke middelen.

Het feit dat – zoals Oxfam Novib ook al concludeerde – de kleine, maar rijkste (financiële) elite van miljardairs in deze wereld sinds “corona” en lockdowns alleen maar rijker is geworden, terwijl wereldwijd de ongelijkheid, armoede, en honger juist toenamen, bevestigt dat. Dit is dan niet eens een "onbedoeld gevolg”, maar zou best weleens juist de bedoeling ervan kunnen zijn.

MORBIDE SYMPTOMEN

Engelen lijkt dat te concluderen, waarbij hij ook wijst op een soort “macht der wanhoop” en overschreeuwen door de neoliberale elite van zichzelf. Ergens is er het besef dat neoliberalisme niet werkt voor de meerderheid, maar dat besef moet overschreeuwd en onderdrukt worden. Vandaar dat gebrek aan wetenschappelijke tegenspraak, de virologische “technocratie”, de strikte, ondemocratische, vrijheidsbeperkende maatregelen voor het volk, en de merkwaardige terugkeer van dingen eigen aan dictaturen (vreedzame demonstraties verbieden, censuur), in wat we dachten een democratisch land was. “Overcompensatie door onzekerheid” zegt Engelend prikkelend over dit beleid, en terecht naar mijn mening.

Is het internationale coronabeleid – met lockdowns en restricties – eigenlijk een agressieve vlucht naar voren van een onzeker wordende neoliberale elite? Engelen citeert hier de Italiaanse intellectueel Antonio Gramsci, die sprak over “morbide symptomen”, als deel van die wanhopige, elitaire machtsgreep tijdens een crisis.

Zo’n agressieve “vlucht naar voren” is een constante in de wereldgeschiedenis, inclusief bij ondemocratische (fascistische of anderszins totalitaire) regimes, hoe deze zichzelf ook legitimeerden (fascistisch, communistisch, islamitisch, nationalistisch, e.a.). Bestudeer daarvoor maar het Italiaanse fascisme, de Rode Khmer, het fundamentalistische Talibaan-beleid, 't Ayatollah beleid in Iran, Pinochet in Chili, Franco en Salazar in Spanje en Portugal, maar ook – dichter bij huis – Hitler in Duitsland, die anders dan sommige andere dictatoren, niet via staatsgrepen of oorlogen, maar gewoon via democratische methoden in het centrum van de macht kwam, om de democratie daarna dus te vernietigen.

Die “schijndemocratie” is ook lang een euvel in Nederland geweest, maar totdat sinds Maart 2020 vrijheden en grondrechten geschonden werden (sluiting publieke etablissementen, samenscholingsverbod, lockdowns, avondklokken, reisrestricties, vraag om verplichte tests en quarantaines, mondkapjes, indirecte vaccinatiedwang etc.), kon de gemiddelde Nederlandse burger zich daar wat meer aan onttrekken. Al was het alleen maar door vrijelijk vrienden te bezoeken of ontmoeten, of vertier te zoeken, in toen nog “ongeproblematiseerde” en vrij toegankelijke culturele plekken of uitgaansgelegenheden.

“De neoliberale orde staat op instorten, bezweken onder haar eigen mislukkingen”, zegt Engelen stellig in de laatste paragraaf. Om het boek te eindigen met een oproep, en ook in de hoofdtitel van het boek, ‘Ontwaak!’.

Daar ben ik het helemaal mee eens!

Zeker lezenswaardig en leerzaam, dit boek. Aan te raden!