donderdag 1 februari 2018

Conga (of Tumbadora?)

Het woord “conga” heeft internationaal - in meerdere talen - een zekere bekendheid. Het woord wordt in ieder geval toegepast op een bepaald muziekinstrument, een trommel, en ook als zodanig herkend. Het woord is als zodanig bekend in het Engels, Frans, Nederlands, Italiaans, Duits en Portugees. De term “conga” voor het instrument heeft zelfs het Mandarijn, Kantonees, en Japans gehaald. Verder ook het Hindi, waarin het als “Kaanga” uitgesproken wordt. In het Esperanto is het woord er als “la kunga”, merkwaardig genoeg. In het Arabisch klinkt het als “al koenecha”. Enigszins enigmatisch werd “conga” in het Tsjechisch Konfu, en het klinkt als “kongoewe” in het Servisch (dat het cyrillisch schrift gebruikt), en als “konguyu” in het Turks. Maar ik dwaal nogal af..

De bekendheid van het begrip is derhalve breed, zelfs internationaal dus, maar moet ook weer niet overdreven worden. Niet iedereen is even veel met percussie of muziek bezig, dus het komt nog weleens voor dat conga’s (foutief) als “bongos” aangeduid worden – zowel in het Engels, Frans, als het Nederlands heb ik die fout horen maken -, of nogal algemeen als “trommel”, of als deel van percussie. Zelfs “tom tom’s” is weleeens gezegd over conga’s.

Ik durf de stelling, desalniettemin, wel aan dat de conga wereldwijd één van de bekendste percussie-instrumenten is, in ieder geval in de Westerse wereld. Vaak ook een “startinstrument” voor aspirant-percussionisten. Dit deels vanwege de link naar de Westerse popmuziek, ooit vanuit “latin” muziek, eerst gelegd in de Verenigde Staten, en voorzichtig uitgebreid in de Jazz, en Rhythm & Blues vanaf ongeveer 1950.

CUBA

De conga als instrument is echter ontstaan in Cuba, en was deel van de Afro-Cubaanse cultuur voordat het internationaler bekend werd als instrument. Daar zit een heel, complex verhaal achter – die verspreiding van de conga’s. Dit is extra interessant, naar mijn mening, omdat het verhaal ervan, in zekere zin, ook het verhaal van zwarte muziek in de Amerika’s is.

Voor velen zal deze laatste, vergaande stelling wellicht wat uitleg vereisen. Is het niet specifiek een Cubaans instrument? Ja en nee. Het is ontstaan in Cuba, maar gebaseerd op Afrikaanse modellen, onder Afrikanen die tot slaaf gebracht waren in Cuba. Met name de Makuta trommel, met een gelijkende vorm, uit het gebied van Congo en omliggend Bantu-sprekend gebied in Centraal-Afrika, wordt als een directe voorloper gezien.

Deze Makuta trommels waren al een tijd in Cuba in gebruik, voordat de conga als zodanig zich ontwikkelde in Cuba, in de loop van de vroege 20ste eeuw. De Rumba als genre bestond al eerder (al rond 1900), maar werd eerst op een soort “dozen” gespeeld, een soort voorlopers van de huidige “cajón”. Het verbod op trommels vanuit staatswege – of het tegenwerken van trommelgebruik -, hinderde de ontwikkeling ervan, net als elders in het Caraïbisch gebied. De Son, uit Oost-Cuba, kende eerst vooral als trommels de kleinere maar dubbele “bongo’s”, met net als de conga een open onderkant, en eveneens Centraal-Afrikaanse wortels, maar in Cuba als zodanig gevormd.

Zeker sinds ongeveer 1930 werd de conga al algemener gebruikt in Afro-Cubaanse muziek, waaronder de Rumba, en andere Afro-Cubaanse genres, zoals de Son uit Oost-Cuba. Soms naast andere percussie-instrumenten en trommels. Dit kon vanaf toen “openlijker” in de populaire cultuur. De deels Congolese/Centraal-Afrikaanse wortels van de Son muziekstijl, dat steeds populairder werd in Cuba vanaf 1920 – en later sterk salsa zou beïnvloeden – leek goed te passen bij het Conga instrument, met ook Congolese roots.

TUMBADORA

Die Congolese roots hoor je ook aan de naam “Conga” (oud-Spaans voor “uit Congo”)..zou je zeggen. De ironie is echter dat hoewel een van de bekendste Cubaanse muziekinstrumenten, de ”conga” niet bekend staat onder die naam in Cuba zelf. Het muziekinstrument Conga heet daar “Tumbadora”.

Conga is in Cuba de naam van een soort dans, deel van een parade tijdens carnaval. Een Conga is in Cuba de naam voor zo’n parade met weliswaar verbonden muziekgenres en instrumenten. Zowel in Havana als in Santiago de Cuba (de tweede stad in Oost-Cuba) ontwikkelde zich een rijke carnavaltraditie, vergelijkbaar met die van Rio de Janeiro, met gaandeweg ook een sterk stempel van de Afro-Cubaanse cultuur en folklore. Hoe dan ook, de conga als instrument verscheen ook tijdens zulke carnavalparade’s voor het eerst in de jaren 30 van de 20e eeuw, toen als noviteit, maar goed passend bij de andere trommels. Het verschijnen in de Conga parades van (onder meer!) deze Tumbadoras (conga’s in andere talen dus), heeft de begripsverwarring buiten Cuba mogelijk veroorzaakt.

Een andere oorzaak van dat laatste kan zijn de “deel wordt geheel” fout, die wel vaker taalkundig wordt gemaakt, bijvoorbeeld ook in geografische begrippen. Conga’s hebben verschillende maten, en die van middengrootte staat ook wel bekend als “conga” (Tumbadora conga), de kleine als “quinto”, en de grote bijvoorbeeld als “salidor” (naast andere namen, als Tumba).

BANDEN MET DE VS

Vóór de Cubaanse Revolutie die Fidel Castro aan de macht bracht in 1959, waren er nog veel, gemakkelijke betrekkingen tussen Cuba en de nabijgelegen Verenigde Staten. Cuba was dan ook “onafhankelijk” geworden van Spanje in 1892, na de Spaans-Amerikaanse oorlog, waarbij de VS in naam Cuba hielp tegen Spanje, maar uiteindelijk de macht overnamen. Militair, maar ook na 1892 en de “officiële” onafhankelijkheid. Wellicht gemankeerde onafhankelijk, want ingrijpen van de VS bleef wettelijk verankerd bij een “ongewenste regering”, als ware Cuba toch nog een soort puppet state. Ook deze constructie en verhouding zorgde natuurlijk voor veel “verkeer” tussen Cuba en de Verenigde Staten. Ook cultureel.

De VS politici die macht uitoefenden in Cuba na 1892 waren veelal blanken uit de zuidelijke staten van de VS, vaak met een racistische “Jim Crow”-mentaliteit, komend uit een wereld van segregatie en achterstelling van zwarten in de VS. Dit werd deels voortgezet in Cuba, waarbij blanke Cubanen ook bevoordeeld werden, en onder de Amerikanen vooral de politiek en cultuur domineerden. De meer gemengde Cubaanse samenleving hield dat echter ook deels tegen, of gaf het een eigen draai in Cuba. Met de tijd veranderde het ook, en werd bijvoorbeeld trommelen steeds meer toegestaan, en Afro-Cubaanse in het algemeen cultuur meer ruimte gegeven, met name vanaf ongeveer 1930. Reizende jazzmusici uit de VS kwamen er op Cuba mee in contact, en zo ontstond een muzikaal contact. Meerdere Cubaanse muzikanten reisden of emigreerden ook naar de VS na 1930, waaronder bekende percussionisten en conga-spelers.

ARSENIO EN CHANO

Dan komen we bij twee Cubaanse muzikanten uit die bij de ontwikkeling van de conga in muziek cruciaal waren. Arsenio Rodríguez en Chano Pozo. De eerste, Rodríguez, was de eerste die bij Son-formaties conga’s (Tumbadoras) toevoegde, en een soort standaard-format voor de Cubaanse populaire “big band” tot stand bracht. Met dus die conga’s. Dit was rond 1940. Voor het eerst werd de conga “standaard” in populaire muziek. Dat bleef het. Arsenio Rodríguez was een blinde muzikant en bandleider, speelde vooral de tres gitaar, en was van Afrikaanse (ook Congolese) afkomst. Hij had veel invloed in Cubaanse muziek.

Hoewel er meerdere vroege congueros (Conga-spelers) waren, is met name Chano (van Luciano) Pozo ook zeker van belang. Vooral vanwege het punt dat ik met dit essay wil maken. Chano Pozo (geboren in 1915) was namelijk een van die Cubaanse muzikanten die naar de VS, New York, emigreerde, en wel in de 1940s. Hij was toen al een ervaren conga-speler, en kwam via Mario Bauzá – een Cubaanse muzikant al wat meer gesetteld in de VS- in contact met Dizzy Gillespie. Deze jazzartiest Gillespie experimenteerde graag met Afro-Caraïbsche en Afro-Braziliaanse muziek als uitbreiding van zijn jazz-universum, toen zich bewegende richting het vrijere, improviserende “Bebop”. Hij wilde een Cubaanse conga-speler toevoegen aan zijn band en dat werd dus Chano Pozo. Pozo trad voor het eerst op met Gillespie in 1947. Dit was eigenlijk voor het eerst in de wereld van de jazz. Conga-spelers in de VS waren daarvoor eigenlijk alleen bezig binnen Cubaanse muziekgenres, of als deel van reizende Cubaanse gezelschappen, maar in ieder geval in Cubaanse genres. In Dizzy Gillespie’s jazzband hadden conga’s nu echter ook een plaats, en werden nu bekender buiten Cubaanse genres.

Je zou kunnen zeggen dat Dizzy Gillespie de conga’s, en daarmee deels Afro-Cubaanse muziekgenres, introduceerde binnen zwarte genres in de VS, en daarmee uiteindelijk de popmuziek, via Rhythm & Blues en Funk. Die invloed bleef. Denk aan het latere gebruik van conga’s bij James Brown en Motown, om maar wat te noemen. Afro-Cubaanse muziek beinvloedde eerder echter al de jazz in New Orleans, zoals ik in een eerder blogbericht al schreef. Gillespie consolideerde dat wel zogezegd, via Pozo en de conga’s in zijn band, en eerdere contacten met Cubaanse musici. Pozo was co-auteur van twee nummers bij Gillespie, het bekende Manteca, en Tin Tin Deo.

Het nummer Manteca, uit 1947, is een klassieker in meer dan een opzicht. Een van de bekendere nummers van Dizzy Gillespie (samen met bijvoorbeeld Night In Tunesia). Het wordt zelfs beschouwd als grondleggende song in de Afro-Cuban Jazz, en was de eerste song, ritmisch gebaseerd op de “clave” (zie verderop in deze tekst) die een jazz-standaard werd. Zelfs hen met slechts vage kennis van de Jazz zouden het nummer best weleens gehoord kunnen hebben.

Helaas overleed Chano Pozo al jong, na zo’n jaar met Gillespie gewerkt te hebben, namelijk in december, 1948. Dit was in de Rio Bar in Harlem, New York. Pozo kreeg naar verluidt ruzie met een Puerto Ricaan, ene El Cabito, die hij ervan beschuldigde hem slechte of eigenlijk “nep” marijuana te hebben verkocht. Deze Cabito nam hardhandig revanche, en vermoordde uiteindelijk Pozo. Chano Pozo werd slechts 33 jaar oud, maar had dus zeker muzikale invloed gehad.

NED SUBLETTE

Dan kom ik bij een van de interessantste dingen die ik de laatste tijd heb gelezen. Naar mijn mening, maar dat spreekt vanzelf. In het boek ‘Cuba and its Music : From the First Drums to the Mambo’ (Chicago Review Press, 2004), door Ned Sublette, schrijft deze laatste over de tijd van Chano Pozo bij Dizzy Gillespie sinds 1947. Hoe twee “muziekculturen” elkaar troffen. De Afro-Cubaanse aan de ene kant, en de (VS) African-American aan de andere kant. Allebei te vatten onder de generieke term “zwarte muziek”, maar met essentiële onderlinge muzikale verschillen. Gillespie wilde ook wat “nieuws” toevoegen aan zijn muziek, en niet iemand die paste binnen een vooropgelegd kader. Chano Pozo en zijn Cubaanse conga’s konden blijkbaar aan die experimenteerwens voldoen.

Het genoemde boek van Ned Sublette is overigens deels een basis voor mij, voor dit artikel.

CLAVE EN SWING

Die verschillen binnen “zwarte muziek” in de Amerika’s – muziek van de Afrikaanse Diaspora dus – vind ik een interessant thema, dat ik dan ook vaker behandeld heb op mijn (dit) blog. Onder meer in Ned Sublette’s boek, is dat een belangrijk thema, maar ook bij andere auteurs, en bij historici en antropologen in de sociale wetenschappen. Zoals in de “Black” of “Africana Studies”, zoals dat in sommige landen – de VS – als academische discipline bestaat, bijvoorbeeld. In Nederland bestaat dat niet als academische discipine, vooral omdat de “poortwachters” in wetenschappelijke kringen, ook wat betreft de studie van zwarte, Caraïbische thema's, of de Afrikaanse diaspora, vooral nog blanke Nederlanders zijn. Ook cultureel en politiek, blijkbaar.

SLAVENHANDEL

Het heeft namelijk te maken met het verleden van kolonialisme, de slavenhandel van Afrikanen naar de West door de verschillende koloniale mogendheden, en de verschillen daartussen. De kolonisering van de Amerika’s begon uiteraard met de “ontdekking” van de Amerika’s in 1492 door Christopher Columbus, Genuees (en kort vóór 1492 nog residerend in Portugal), maar in Spaanse dienst. De “nieuwe” gebieden werden geclaimd door Spanje, deels hardhandig veroverd, en de aanwezige Amerindianen tot slaaf gebracht. Het zware werk, mishandeling, en meegebrachte ziekten zorgden echter voor snel vele doden onder hen, en genocidale gevolgen. Spanje begon toen Afrikaanse slaven in te voeren, naar verluidt naar Portugees voorbeeld. Portugezen handelden al eerder in tot slaaf gemaakte zwarte Afrikanen langs de Afrikaanse kusten, en ook Arabieren en Moren voor hen deden dat.

Deze geschiedenis is verder bekend, of zou dat in ieder geval moeten zijn. Die slavenhandel en slavernij van Afrikanen in de West breidde zich uit, ook nadat andere Europese landen gebieden gingen claimen en veroveren op de Spanjaarden en Portugezen. Zo ontstonden er Britse, Franse, Nederlandse, en zelfs Deense koloniën (wat nu de US Virgin Islands zijn) in de Amerika’s. van verschillende omvang, en waarvan sommigen heel erg slavernij-gefocust waren.

Die verschillende mogendheden haalden Afrikanen voor slavenwerk grotendeels uit verschillende delen van Afrika, in verschillende perioden. Er was een beleid wat betreft Cuba om slaven uit niet-Islamitisch beinvloede delen van Afrika te halen: Centraal en “tropisch woud” Afrika. Dit leek deels bewust beleid om culturele of religieuze redenen van de in naam Christelijke Spanjaarden. Deze laatsten waren overigens – ironisch genoeg – zelf wel Islamitisch beïnvloed, gedurende de Moorse periode in Iberië. Daarnaast waren de meer sedentair levende Afrikanen in het gebied van Congo en Angola, cynisch gezegd, “easy pickings” (makkelijk te verkrijgen), ook door vroege toegang van Portugal tot Angola. Relatief veel Afrikanen uit het gebied van Congo en Angola kwamen derhalve in Spaanse en Portugeze koloniën als Cuba en Brazilië terecht. Daarnaast ook relatief veel Afrikanen uit het Yoruba gebied (ZW Nigeria en Benin).

De Britten hadden weer meer toegang tot slaven in andere delen van wat nu Nigeria, zoals de Igbo en Ijaw gebieden, in Kameroen, en Ghana. Deels ook Senegambia en het Guinea-gebied. De Fransen hadden vooral veel toegang tot slaven uit wat nu Benin is, en omliggende gebieden als Togo en Ivoorkust, en ook deels Senegambia en de Sahel-gebieden rond Guinea. De Nederlanders ook relatief wat meer in Ghana, en ook wel Angola.

CULTURELE ERFENISSEN

Deze relatieve verschillen hadden uiteraard invloed op de cultuur die de Afrikanen meebrachten en nog deels konden behouden in verschillende delen van de Amerika’s. Een pijnlijke geschiedenis ligt erachter, maar muzikaal heeft het leerzame en interessante gevolgen gehad.

Vrijwel in elke kolonie in de Amerika’s met slavernij van Afrikanen, kwamen deze Afrikanen uit verschillende delen van Afrika, maar met concentraties. Deze kennis is wat wijder verspreid – ook onder het “gewone volk” in de gebieden zeg maar, hoewel wat versimpeld en soms wat verdraaid. Derhalve was er relatief veel Dahomey/Benin invloed onder Afrikanen in Haïti, van Twi-sprekende Afrikanen uit het gebied van Ghana in Jamaica, en enkele andere plekken, zoals Suriname. Igbo kwamen iets meer op Jamaica en andere eilanden, vooral Barbados, terecht.

In Cuba zowel relatief veel Afrikanen met een Yoruba achtergrond, maar ook veel met een Congo achtergrond. In Brazilië – deels gelijkend - ook veel Yoruba, maar ook veel met een Angola achtergrond.

De VS ontving relatief veel Afrikanen uit het Sahel, Guinea (Mande-sprekend) gebied, en Senegambia, hoewel verschillend per staat.

Dit alles had invloed op de cultuur en ontwikkeling van de zwarte muziek in deze gebieden, en de dominante Afrikaanse invloeden daarbinnen. Dat lijkt nogal vanzelfsprekend. Evenwel zijn de implicaties ervan wat minder bekend.

SWING

Kort en wat simpel gezegd: dat hele idee van “swing” in de zwarte muziek in de VS is een erfenis uit “Griot Afrika”, de grotendeels Mande-sprekende, Sahel-gebieden van Senegal tot Guinee en Mali, en tot noordelijk Nigeria. Delen van zwart Afrika, maar met veel Islamitische en Arabische invloeden,en met veel “snaarinstrumenten”, en wat minder “trommels” dan zuidelijker in Afrika. Zoals overal in sub-Saharaans Afrika is “ritme” belangrijk in de muziek in dit gebied, maar minder “polyritmisch” en enkelvoudiger. Deze Griot muziek had een duidelijke invloed op wat we nu kennen als de Blues, wat zelfs de relatieve leek makkelijk kan horen. Het idee van “swingen” rond de tel van een maat kan moeilijk los worden gezien van de karakteristieken van snaarinstrumenten.

CLAVE

Afro-Cubaanse muziek had weer iets andere invloeden en wortels. Ritmisch op een andere, veelzijdigere manier, en gevormd door Afrikanen waarvan de muziek vooral gedomineerd werd door trommels en andere percussie, en “polyritmische”muziek (meerdere ritmes tegelijk , rond een basis “sleutelmaat”, of in het Spaans: “clave”). Dit vormde Afro-Cubaanse genres als de Son, Rumba, en uiteindelijk de Afro-Cubaans gebaseerde Salsa. In Brazilië onder meer de bekende Samba. Noten/slagen zijn bij deze clave polyritmiek “straight”op de tel, op de achtste noten. Maar dan dus met meer ritmes tegelijk.

Son en Rumba dragen duidelijk een “Congo-stempel”, hoewel met name in de Rumba ook ander invloeden niet onbelangrijk waren. In deze culturele context in Cuba verscheen dus ook de conga als belangrijk percussie-instrument. Eerst in Rumba, kort erop ook in Son, en daarmee ook in Mambo, en de Salsa. De Salsa is muzikaal gezien vooral gebaseerd op Afro-Cubaanse muziek, met name Son, met ook Rumba-invloeden. De term Salsa dook voor eigenlijk Cubaanse muziek op in de 1960s in New York. Conga’s werden toen al enkele decennia gebruikt in Cubaanse muziek in Cuba zelf, en dus ook in de 1950s in Latin Jazz, of door Latin beïnvloede jazz, zoals van Gillespie.

De term “Salsa” voor het muziekgenre is vaag, en onderwerp van discussie. Weliswaar is het ontstaan in een omgeving met veel Puerto Ricanen (New York), en andere Spaanstaligen (Dominicanen e.a.), en heeft dat invloed gehad, maar de muzikale structuur bleef vooral Cubaans-gebaseerd. Veel bekende Salsa-artiesten en muzikanten waren Puerto Ricaans (Tito Puente e.a.), en beïnvloedden zo Salsa deels. Salsa werd voorts populair in heel Latijns-Amerika, waar ook Salsa artiesten opkwamen, soms ook met internationale faam (Sergio Blades uit Panama, of Oscar D’Leon uit Venezuela).

In de Salsa waren de Conga’s vanaf het begin een belangrijk instrument, als belangrijke “drager” van het ritme. Drumstellen zoals we die in popmuziek kennen, waren in het begin niet gangbaar, dus de rol ervan ging naar andere trommels.

De link van de conga met andere niet-Latin of Cubaans-gebaseerde genres in de VS was toen (na 1960) echter allang gelegd, via Jazz, Latin Jazz, en later ook Soul en Funk. In Motown producties waren vaak conga’s te horen, vaker dan andere Cubaanse percussie (af en toe bongo’s, raspen wat minder), in het werk van James Brown en Curtis Mayfield e.a.

CONGO

Dat maakt de term “conga” (oud-Spaans voor “Congolees”) voor de trommel wel symbolisch interessant, ook al is het foutief. De conga als trommel heeft als soortnaam altijd “Tumbadora” geheten. De term is ook weer niet absurd fout. Het is gemodelleerd op trommels uit het Congo gebied, de genoemde Makuta, waar open onderkanten van trommels gangbaar zijn, wat je ook aan de bongo’s ziet. Het is van oorsprong ook grotendeels “Conga/Congolees”.

Het gemak van het stemsysteem zoals dat later ontstond (metalen stemschroeven), maar ook het krachtige, “ronde” geluid - vanwege de goed doordachte half-conisch/half-ronde klankkast onder het koeievel - hielp bij de verspreiding en populariteit van de Conga trommel. Het vel was en is vooral van koeiehuid gemaakt, anders dan bij de meeste bongo’s en djembe’s (daar vooral van geit), wat het een zwaardere en lagere resonantie geeft, en relatief veel volume.

Tegelijkertijd is de verwijzing naar de Congo en Bantoe-sprekend gebied interessant om historische redenen. Afrikanen uit het gebied van Congo waren relatief wijd verspreid terecht gekomen in de Amerika’s, als zijnde een van de grootste slachtoffers van die mensenhandel in Afrikanen. In wat nu de VS is, kwamen aardig wat slaven uit het Congo-gebied terecht, met name rond Louisiana, en enkele andere staten. Naar schatting zo’n 25 % van de Afrikaanse slaven in Jamaica kwam uit het gebied van Congo, tegen zo’n 50% uit het gebied van Ghana. Zo’n 40% van de slaven in Cuba kwam uit het gebied van Congo. De invloed van slaven uit het Congo-gebied is ook merkbaar in Haiti, Colombia, Curaçao, Martinique en Guadeloupe, en voormalig Britse koloniën. Dit vertaalde zich ook muzikaal. Vodou-muziek, in Haiti, is met name Benin/Dahomey-beïnvloed, maar ook met duidelijk Yoruba en Congo invloeden, in delen ervan. Denk verder aan Bantoe/Congo namen als Tambú en Tumba voor muziekgenres in Curaçao ( een Nederlandse kolonie). Ook in Suriname zijn er aanwijsbare Congo invloeden, in het Winti geloof, maar ook daarbuiten.

REGGAE

Ik ben zelf vooral een Reggae-liefhebber, en heb mij derhalve in dat genre verdiept door de jaren heen. Dat blijkt ook uit mijn (dit) blog, dat vooral Engelstalig is. Het Jamaicaanse genre is rond 1968 ontstaan uit eerdere genres Ska en Rocksteady, die eerder in de jaren 60 ontstonden, onder verschillende invloeden.

Ik ben zelf behalve reggae-fan, ook een conga-speler (naast van algemene percussie), dus heb daar zeker op gelet. Hoe gangbaar is de Conga in Reggae?

Wel, niet zo gangbaar als in Cubaanse muziek en (dus) Salsa, maar het is terugkerend als deel van de standaard-percussie set, zoals ook in andere genres als Funk. Daarnaast worden vooral lokale Afro-Jamaicaanse trommels gebruikt, zoals de op de Ghanese Akete gebaseerde, meer cylindrische Kete trommels, die ook Rastafari-aanhangers gebruiken bij Nyabinghi sessies.

In meer seculiere Reggae-muziek, maar ook die met vaak een Rastafari bodschap, werden echter ook vaak Conga’s gebruikt, samen met andere Afro-Cubaanse instrumenten, zoals de “guïro” rasp, welke zelfs best wel vaak te horen is in Reggae (met name sinds de 1970s). Bob Marley’s band the Wailers maakte er veel gebruik van (van conga’s, vooral ook live), alsmede de Roots Reggae artiest Burning Spear (Winston Rodney), die zelf overigens ook conga’s speelt. Hoewel in Cuba in die moderne vorm ontstaan, is de conga natuurlijk vooral “African-based”, en daarmee passend bij ook de tekstuele boodschap van veel Roots Reggae.

Het gebruik van de conga’s is in reggae beperkt en veelal subtiel, vanwege het dragende karakter van het standaard aanwezige “drumstel” in de Reggae , zoals in andere Westerse of pop-muziekgenres. De Conga is derhalve meer “toevoegend” in reggae, dan dragend (zoals in bijv. Salsa, of Rumba), maar vaak wel hoorbaar aanwezig. Net als andere percussie naast het drumstel, zorgt het voor ritmische verdieping en verbreding, en daarmee een connectie met de Afrikaanse wortels; Afrika bekend staande als meeste percussieve en ritmische continent. Een cliché – dus zeker te versimpeld – maar in de kern niet onwaar. Europa = harmonie, Azië = melodie, en Afrika = ritme, is nog zo’n “kort door de bocht” cliché. Deels kloppend, maar de realiteit is dat op alle continenten alle drie de elementen (harmonie, melodie, en ritme) een rol spelen in de muziek.

PAN-AFRIKAANSER

Helemaal interessant vindt ik het gegeven dat de Cubaanse invloed, onder meer via die Conga, zwarte muziek in zowel de VS, als in Jamaica – waar Ska eerst beïnvloed was door R&B uit de VS – hielp de muziek “pan-Afrikaanser” te maken, inclusief polyritmische “clave” principes uit Congo. Dit kwam dan bovenop een muzikale “swing-basis” (met Griot Africa-wortels), met name in de VS.

Lokale Afrikaanse invloeden in Jamaica waren echter ook vaak polyritmisch en clave, maar konden vanwege verboden en ander koloniaal beleid minder bewaard blijven dan in Cuba. De Congo-gebaseerde “Kumina”-religie en –muziek bleef nog wel bewaard in sommige (oostelijke) delen van Jamaica, en beïnvloedde daar deels Reggae, via een omweg. Via Afro-Cuba kwam het dan nog meer terug, of werd versterkt, zou je kunnen zeggen. Dat heeft iets rechtvaardigs, tegenover de koloniale deculturalisering door Europeanen. Een soort herstel van een pan-Afrikaanse balans.

Zo bekeken dient de Conga als Afro-Cubaans instrument in genres als Reggae, Soul, of Funk dan ook gezien te worden als meer dan een “Latin” of Salsa-invloed. Het is meer dan dat symbolisch een noodzakelijke Afrikaanse invloed, die muziekgenres van zwarte mensen beter doet aansluiten met de rest van de Afrikaanse Diaspora, maar ook met delen van Afrika waar ze oorspronkelijk vandaan komen, en niet alleen een specifiek, door de Islam beïnvloed, Mande-sprekend, of Sahel-deel, ervan. Het klopt historisch beter, zou je kunnen zeggen. Maakt het gebalanceerder..

Welnu, de al genoemde Chano Pozo was de eerste die conga’s speelde op de Swing-gebaseerde genres in de VS als Jazz of R&B van Dizzy Gillespie. Hij paste Cubaanse Conga-patronen aan om ruimte voor andere instrumentalisten te laten om te “swingen” zoals in de Jazz traditie. Gaten laten vallen, die in Son of Rumba gevuld zouden zijn door de conguero.

Ned Sublette beschrijft het in het werk ‘Cuba and its Music : from the first drums to the Mambo’ als volgt:

Chano Pozo created the role of the conga soloist in the modern band, somewhat the way Coleman Hawkins created the solo tenor sax”.

En, even verderop:

It’s not natural for a conguero to play in swing time, but Chano could make a pocket for it… He’d played in jazzbands in Cuba, and had already figured out how the two feels – African American and Afro-Cuban - might mesh instead of contradicting each other”.

Zo werd het al met al toch polyritmischer, met daarnaast nog steeds die swing. Sommige genres, zoals Funk, werden onder deze Afro-Cubaanse invloeden, wat strakker en polyritmischer. De Conga-patronen op veel James Brown nummers, bijvoorbeeld, zijn toch vaak deels afgeleid van Cubaanse patronen als de Tumbao, of uit de Rumba.

In andere genres, zoals Soul, combineerden de Conga’s meer met een soort Swing – denk aan fraaie Marvin Gaye songs als What’s Going On en Mercy Mercy Me - , wat op zich een leuk effect had. Chano Pozo deed dat dus al sinds 1947, in de band van Dizzy Gillespie..

IRONIE

Wat nu de D.R. Congo is heeft een rijke, gevarieerde cultuur, mooie tropische oerwouden, maar helaas grotendeels ook een onfortuinlijke geschiedenis. Hetzelfde geldt voor het aangrenzende Angola en Congo-Brazzaville. In het geval van D.R. Congo is nog te noemen dat het een Belgische kolonie werd, hoewel eerst eigendom van de Belgische koning Leopold, sinds 1885. Dit werd het in dezelfde periode dat de slavernij in Cuba werd afgeschaft.

Die koloniale, Belgische tijd in Congo was wreed en genocidaal, gericht op exploitatie, met racisme en geweld als sturende middelen. Miljoenen doden onder de Congolese bevolking had dit ten gevolg, en daarnaast vele verminkingen; handen en armen afhakken was een gangbare straf door de Belgen, toegepast op Congolezen. In die zin past Koning Leopold in hetzelfde rijtje als Adolf Hitler, Pol Pot, of Stalin. De miljoenen doden in Congo tijdens dit koloniaal bewind zijn echter relatief veel minder bekend.

Zoals gezegd, was hetzelfde gebied van Congo eerder – tussen 1500 en 1900 - een belangrijke (want “makkelijke”) bron van slaven voor Europeanen, en de lokale bevolking dus een van de grootste slachtoffers. Heden ten dage zijn er nog demografische, maar zeker ook economische en maatschappelijke gevolgen merkbaar in D.R. Congo en Angola.

De Conga trommel – van oorsprong uit ditzelfde gebied – herinnert aan die periode van trans-Atlantische slavenhandel, maar meer als overleefde kracht van de cultuur van Congo, nu wijdverspreid te vinden en bekend als muziekinstrument in het Westen, Latijns Amerika, en daarbuiten, waaronder Afrika zelf. Zoals ik aan het begin schreef: een van de bekendste percussie-instrumenten ter wereld. Dat is een symbolische ironie. Het is een ironie die pijnlijk is, maar ergens toch ook grappig. Misschien zelfs “mooi”. Dit juist door wat het vertegenwoordigt: de kracht van cultuur tegen de verdrukking in..