Posts tonen met het label sociale geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale geschiedenis. Alle posts tonen

donderdag 1 februari 2024

Net mensen en perspectief

Je kunt het gerust een “delicaat” thema noemen, in ieder geval een “beladen” thema: het Midden Oosten en Israël daarbinnen.

OPGROEIEND

Opgroeiend in Nederland, en het onderwijssysteem in Nederland, en ook de media, volgend, krijg je al jong beelden daarover mee. Ik had sinds kind al een interesse in andere landen, en zocht informatie over Afrika of andere gebieden op in de openbare bibliotheek, zodat er wel een soort balans in aandacht ontstond in mijn geval. Mijn ouders (vader Italiaans, moeder uit Spanje), bepaalden ook deels mijn geografische interesse, en maakten het wat breder.

Desalniettemin was er zover ik mij herinner altijd relatief veel aandacht voor Israël in het nieuws en journaal.. Latere politieke machinaties van de VS of andere Westerse machten eisten ook onze aandacht op in de richting van elders in het Midden Oosten, met name Irak en Iran.

Vanwege, zegt men, het schuldgevoel van Europa over de Holocaust was er ook veel aandacht in het onderwijs en de media over de Holocaust, de Tweede Wereldoorlog, het Joodse volk, en de staat Israël, hoewel die opvallend genoeg - hoewel frequent - ook vaak oppervlakkig bleef.

Ik kon dat eerlijk gezegd wel begrijpen, hoewel ik bezwaren bleef houden (zelfs als kind al) tegen de beperkte aandacht voor gebieden op de aarde die mijn interesse hadden gewekt (soms zelfs via muziek of een goed boek..of vriendinnen van mijn moeder), zoals in Afrika en Latijns-Amerika. Ook daar ontstond wel een balans toen de Apartheid in Zuid-Afrika een tijd wat meer aandacht kreeg, zoals in het nieuws.

VATBAAR

Terugkijkend ben ik nooit – zelfs niet als kind – een “vatbaar” iemand geweest. Ook niet vatbaar voor gekleurd (“biased” in het Engels) of “propaganda” nieuws.. als iets op bijv. televisie leugenachtigs was voelde ik het meestal wel ergens aan. Ik onderzocht zelf ook graag dingen, dat scheelt. Ik had een kritische, analytische geest.

Toch.., bij maar genoeg herhaling en “drammerigheid” raakte ook ik weleens beïnvloedt of van slag. Op mijn basisschool en middelbare school (beide – ooit – van katholieke signatuur, met nog wat resten ervan) was er aandacht voor de Tweede Wereldoorlog, met – eerlijk is eerlijk – voldoende aandacht voor de Jodenvervolging en Holocaust, en het onmenselijke Nazi-beleid. Wel was de rol van het verzet in Nederland wat groter voorgesteld in het geheel. Ik twijfelde ook toen, maar het beeld dat ik kreeg was dat toen de Duitsers onder het Nazi-bewind Nederland binnen vielen in 1940, alle Nederlanders meteen massaal in opstand kwamen. Toegegeven, het werd ook weer niet zo gesteld, maar de suggestie werd sterk gewekt. De waarheid is wat anders, weten we nu. Er was wat verzet van dappere mensen, maar vooral veel angst en lafheid – zelfs deels meegaandheid -, zoals vaker onder bezettingen.

GERELATIVEERD

Ook dat werd gelukkig in het onderwijs zelf gerelativeerd. Nadat ik eerst het beeld kreeg van Nederlands massaal slachtofferschap, maar toch verzet, tegen Duitsers, relativeerden leraren die ik ook had, en die echt geschiedenis hadden bestudeerd, dit al in een vroeg stadium. Ze legden uit dat het verzet eerder uitzonderlijk was, en de behandeling van Nederlanders door de Nazi’s relatief mild was, vergeleken met bijv. Polen, omdat Nederlanders een “Germaans broedervolk” volgens de Nazi-leer waren.

Een andere (geschiedenis)lerares die ik me als leuk herinner, een blonde Groningse die goed kon vertellen,op de middelbare school in Hoofddorp, haalde mijn laatste twijfel weg, met het wrange: “na de oorlog heeft iedereen in het verzet gezeten”.. Tijdens de Duitse bezetting viel dat helaas mee.. Of eigenlijk tegen..

Latere historische bronnen bevestigden inderdaad dat Duitse invallende soldaten instructies van hogere Nazi’s kregen om zich wat rustiger en milder op te stellen tegenover de mede-Germanen de Nederlanders, of in ieder geval (niet altijd succesvol) die schijn op te houden. Het bleef een bezettende macht.

Nederlanders waren toen relatief meegaand en hadden een gezagsgetrouwe, calvinistische traditie. Deze wisten de Nazi’s in hun voordeel uit te buiten door relatief veel Joden te kunnen opsporen en deporteren in Nederland, zelfs uit een stad als Amsterdam, met toen veel Joden, en zichzelf als stad toen al “dwars” en eigenzinnig vindend. Een pijnlijke episode in Nederland en Amsterdam, ook al kwam het meestal niet door diep racistisch antisemitisme en moordzucht onder gewone Nederlanders – hoewel dat Germaanse verwantschap (en superioriteit!) idee bij sommige Nederlanders (zoals NSB-ers) wel bestond –, maar toch vaker door, wel, laffe gezagsgetrouwheid. Er bestond iets van latent antisemitisme in Nederland, ook in Amsterdam onder niet-Joden, ondanks het relatief tolerante imago, met name flauwe grappen over vermeende geldzucht of onbetrouwbaarheid van Joden, dat wel, maar dat had je in meer landen.

OUDERS

Die relativering kwam dus vanzelf wel. Soms kom je de waarheid mondjesmaat te weten. In mijn geval speelden de landen waar mijn ouders vandaan kwamen ook een rol: een Noord-Italiaanse vader, en Zuid-Spaanse moeder. Ik wist dat de geschiedenis van Italië en Spanje ook verbonden waren aan het fascisme, en voelde mij daar wat onprettig bij, als al jong open en multicultureel iemand. Daarnaast geloofde ik toen nog dat Nederland (niet alleen Joden) massaal slachtoffer was van en in verzet ging tegen Duitse Nazi’s, en ik daardoor uit “foutere” landen kwam. Onzin, achteraf bekeken.

Mijn moeder was duidelijk links en progressief en anti-Franco (hoewel ze niet graag lang over politiek praatte). Ik denk dat ze teveel humor had en van het leven hield om teveel met politiek – zeker niet partijpolitiek - bezig te zijn, maar als ze er wat over zei, was het meestal pro-vrijheid “linksig”. Eigenlijk net als ik nu.. “can’t fight genetics”, haha

Mussolini, de Italiaanse uitvinder van het fascisme, werd ook nooit positief besproken, ook niet door mijn vader. Hij herinnerde zich van de laatste jaren van het fascisme in Italië (toen hij kind was) dat er een nare, strenge sfeer heerste, veel soldaten op straat, en dat hij de fascistische groet moest geven op school, aan leraren. Niet lang daarna zette echter de democratie in, in Italië, - en economische groei -, en probeerden de Italianen te doen alsof er niets gebeurd was.

In Spanje bleef er een fascistoïde dictatuur onder generaal Franco tot 1975. Franco verbond zich wat losjes aan Hitler en Mussolini, en hun militaire hulp hielp hem uiteindelijk in 1939 aan de macht, maar hij opereerde wat strategischer en “slimmer” door zich ook weer niet te direct aan hen te verbinden, en toch een beetje diensten te verlenen aan geallieerde landen als de VS .. om zo dus niet meteen met zijn fascistische collega’s elders in Europa onder te gaan. Zo overleefde hij de Tweede Wereldoorlog: door zich er buiten weten te houden..

Binnenlands in Spanje, mengde Franco aspecten van Mussoliniaans fascisme met oerconservatieve Spaanse katholieke tradities, waardoor hij een breder deel van conservatief Spanje koest hield dat niet wist wat fascisme was, zogezegd, mogelijk mede geholpen door anti-communistische, en pro-regime propaganda. En, uiteraard, zoals in elke dictatuur, een repressie-apparaat: veel soldaten en politie op straat, censuur, en rechten ontnemen aan burgers: tegen de overheid kon je weinig beginnen.

Dat verklaart mede het eigenlijk wel schokkende feit dat mijn moeder er pas achter kwam dat die Holocaust (inclusief concentratiekampen) had plaats gevonden toen ze rond 1966 naar Nederland kwam. Spanje onder Franco onderwees dat niet. Hitler was een voormalige bondgenoot, zal een reden zijn. Er was ook weer niet een verering van Nazisme of (direct) anti-semitisme in het Spaanse onderwijs toen: thema’s waren eerder beperkt en binnenlands gericht (nationalistisch, maar niet echt een rassenleer). Het antisemitisme bestond in Spanje ook, en uitte het zich in handelsland Nederland in vooroordelen over vermeende geldzucht van Joden, in Spanje vooral in de aloude mythe onder Christenen/katholieken dat “de Joden Jezus hadden vermoord”.. Domme onzin, natuurlijk: Jezus was uiteraard Jood onder Joden.. Verraden door zijn eigen mensen, eerder..

Heel af en toe werd het wel pervers: mijn moeder vertelde dat in het staatsnieuws voor films in bioscopen in Spanje (rond de verjaar- of sterfdag van Hitler of Mussolini) ooit te zien was dat Franco als katholiek in een kerk een zegen uitsprak voor Hitler en Mussolini. Later zag ze in hoe absurd en immoreel dat was.

(foto boven: ik als begin-tiener met mij ouders in Andalusië, Spanje, rond eind 1980s).

Spanjaarden werden toen zoveel mogelijk dom gehouden, en die namen Hitler en Mussolini waren voor velen onder hen vage namen uit buitenland en historie: net als je nu tegen Nederlanders Hindenburg of Jaruzelski noemt. Schandalige, ideologische geschiedvervalsing uiteraard, maar veel verder ging die aandacht niet. Franco poogde Spanje in zijn eigen ideologische, rechts-conservatieve wereld op te sluiten. Een nationale wereld die uiteraard voordelig was voor de “powers that be” in het land, de staat, maar ook (regime-steunende) werkgevers en grote bedrijven, grootgrondbezitters, en de andere rijken, die in zo’n dictatuur (met rechteloze arbeiders) makkelijker mensen konden uitbuiten. Mijn moeder “voelde” dat, vertelde ze. Dat noemen we ook wel “onderdrukking”.

Als “linkse tante” was mijn moeder later voorspelbaar kritisch over de Israëlische bezetting van Palestijns gebied, maar zag dat – zoals ze vaker deed – vooral in termen van rijk tegen arm. Op andere punten (positie van de vrouw met name) was ze echter weer kritisch over aspecten van de Islam, maar dat was ze ook over het katholicisme.

LUYENDIJK

Ik vertel dit allemaal, “where I come from” zeg maar, omdat ik met dit verleden in mijn hoofd, pas een interessant boek heb gelezen, relevant voor dit thema: door voormalig journalist/correspondent in het Midden Oosten (w.o. Israël) Joris Luyendijk. Luyendijk beschreef zijn ervaringen in het Midden Oosten in het goed leesbare boek ‘Het zijn net mensen’, eerst uitgegeven in 2006.

Die ervaringen waren met name van 1998 tot 2003. De titel geeft al een beetje aan dat hij aandacht heeft over perspectief en vooroordelen bij een Westerse (Nederlandse) journalist als hij.

Ik zag de schrijver Joris Luyendijk ook weleens op televisie. Het was iemand die goed en prettig relativerend kon vertellen (vooral over de Arabische wereld), en ook als presentator van VPRO Zomergasten (in 2006 en 2007) dat ik regelmatig keek, vond ik hem veelal ook geslaagd. Aan dit boek ‘Het zijn net mensen’ was ik echter tot voor kort niet toegekomen.

Het Israël-Palestina conflict en andere problemen in het Midden-Oosten spelen anno 2024 uiteraard nog steeds – hoewel recentelijk tijdelijk concurrerend met die rare “covid psychose” tussen 2020 en 2023.

Vanaf met name 2022 mochten andere thema’s weer meer prioriteit krijgen, en daar zaten helaas ook dramatische ontwikkelingen bij. Geografisch werden deels de oude specialiteiten weer hervat (zoals Israël), naast bijvoorbeeld Oekraïne, en de luchtaanval op ziekenhuis in Gaza (door Israël bezet Palestijns gebied) leidde eind 2023 tot veel verontwaardiging.

CORRESPONDENTSCHAP

Luyendijk beschrijft zijn ervaringen van de periode 1998 tot 2003, toen hij de Arabische wereld “coverde” als correspondent, of een deel ervan, voor de Volkskrant en NRC, en de televisie. Zijn standplaatsen waren eerst Caïro in Egypte – waar hij al eerder voor zijn sociaal-wetenschappelijke studie (antropologie) verbleef -, en daarna Beiroet en Oost-Jeruzalem. Hij richtte zich dus eerst op Egypte en de Arabische wereld, later op Israël, en aan het eind van zijn correspondentschap op Irak, binnengevallen door de VS.

Als sociale wetenschapper van buiten de journalistiek was Luyendijk verbaasd – veelal onaangenaam verrast – door die journalistiek, i.c. de werkwijzen. De moeilijkheid ervan in Arabische dictaturen, en de afhankelijkheid van gestructureerde, internationale nieuwsfilters en stroomlijning.

Hij legt goed uit in dit boek dat in de Arabische dictaturen met sterke, bijna totalitaire repressie, vrije nieuwsgaring, of gewoon de eerlijke mening van mensen vragen, moeilijk werd gemaakt. Dit noodde bijvoorbeeld tot anoniem maken van geciteerde bronnen, om mensen niet in problemen te brengen met staatsagenten en geheime diensten. Dit maakte achtergrondartikelen ook een uitdaging vol afgeleide informatie, legt Luyendijk boeiend uit. Beeldend beschrijft hij - in meer dan een opzicht -moeizame gesprekken.

Het woord “perspectief” is voor dit boek erg belangrijk, wat al blijkt uit de titel Het Zijn Net Mensen. Zijn ervaringen in Egypte en elders botsten vaak met simplistische stereotypen die in het Westen bestonden over de Arabische wereld (eerst ook bij Luyendijk zelf), vaak overigens gevoed door partijdige – of beperkte – media. Dit betrof niet alleen politiek, maar ook cultuur en het dagelijkse leven.

De Arabische wereld is intern veel gevarieerder dan mensen denken, dat ten eerste. Verder: de aanwezigheid van “humor” onder Arabieren, moppen over anderen uit een bepaalde streek, maar ook zelfspot, ontbraken niet, en evenmin andere speelse flexibiliteit. Dit leek hem te verbazen.

MANIPULATIE

Het heeft deels met cultureel onbegrip – of vooroordelen - te maken, maar ook met partijdigheid en gestuurde belangen. Propaganda-apparaten die nieuws naar hun eigen voordeel kleuren waren er aan beide kanten, vanuit die dictaturen, maar ook bij “democratische” Westerse media. De ene anti-Amerikaans/-Westers (of –Israël), de ander pro-Amerikaans/-Westers (of –Israël), heel grof samengevat.

Vanuit deze wisselwerking tussen cultureel onbegrip, gebrek aan kennis over de geschiedenis van de regio (en van conflicten), en mediasturing/manipulatie, ontstond dan een beeld in de Westerse media, ook in de Nederlandse en bij het Nederlandse publiek.

Joris Luyendijk beschrijft hoe hij dat beeld, met moeite en beperkingen, probeerde bij te sturen met zijn stukken en bijdragen richten de werkelijke situatie onder Arabieren en in Israël.

Bij de gestuurde, “gelikte”, en geoliede propaganda of PR-machines om de journalistiek te “informeren” – en eigenlijk te binden – van de Israëlische autoriteiten, en later de VS/het Pentagon (bij de inval in Irak), staken schril af de amateuristische pogingen onder Palestijnen, en helemaal de loze, voorspelbare anti-Westerse propaganda van ondemocratische, onderdrukkende Arabische regimes, of nog erger, maar marginaler, anti-Joodse scheldpartijen, "rants", of beschuldigingen, met zowel oude economische als oude religieuze antisemitische ideeën op herhaling, maar nu door Arabieren.

Zelfs als Palestijnen in bezette gebieden toch echt vooral het slachtoffer waren en de onderliggende partij, kwam dat leed vooral op beeldgerichte televisie, PR-technisch slecht over. Het Arabische taboe op openbaar kwetsbaarheid en zwakte tonen (cultureel beperkt tot privé-sfeer), wordt in Europa, sinds ik schat zo in de hippie-tijd en 1970s (en “praatgroepen”, sociale academies) -, minder begrepen in modern Europa, waardoor het beeld van gevoelloze, Joden-hatende fanatici er soms onterecht stand houdt. Dictatoriale trekken bij Palestijnse leiders en de Hamas, bemoeilijken ook de vrije nieuwsgaring en meningsuiting, wat Luyendijk al eerder ook al in Arabische dictaturen, in nog extremere mate, merkte.

Duidelijk een cultureel en contextueel verschil, maar uitgebuit vanwege partijdigheid, en de pro-Israël (en pro-Westen) focus in ook Nederlandse media kon Luyendijk niet ontkennen. Joodse en Israëlische persvoorlichters kenden de Europese cultuur beter, en konden beter inspelen op Westerse karaktertrekken om hun kant van het verhaal te bevoordelen. Serene, rustige begrafenissen en rouwprocessen – met beperkte hysterie. Wat meer genuanceerde, of althans schijnbaar redelijk geuite, verontwaardiging of bezwaren, van toch ook Europeser lijkende Joden, leidde makkelijker tot identificatie bij Europeanen.

Luyendijk leerde hierover – de meerdere “filters” - tussen het echte nieuws en gekleurde perspectieven en belangen - gaandeweg steeds beter, en daarvan doet dit boek boeiend verslag, alsmede over zijn toegenomen begrip over wat leven onder zo’n dictatuur en bezetting in de praktijk nu echt inhoudt, ook voor gewone Arabieren. Veel angst en omkoping in dictaturen, onder andere. Veel onduidelijkheid en verwarring ook, en ook zelfbeperking. Die zelfbeperking volgend op angst leidt ook psychologisch tot allerlei neurosen of stoornissen als ontkenning of vluchtgedrag, en negatief afreageren op anderen, projectie, etcetera.

Dat kun je zo kil medicaliseren en pathologiseren. Mooier is het - en dat doet Luyendijk toch ook in het boek -, om dat gewoon als een al te menselijke reactie te zien op onrecht, onderdrukking, terreur, of oorlog. Mogelijk vanuit een andere cultuur die we niet meteen begrijpen, een armoediger samenleving, en een andere, complexe geschiedenis, die soms moeilijk uit te leggen is… maar van mensen als jij en ik.. Zonder bij voorbaat een kant te kiezen.

AFGESTOMPT

Luyendijk gaf aan dat hij deze correspondentenperiode afsloot omdat hij merkte “afgestompt” te raken te midden van gevolgen van oorlog, bezetting, conflicten en terreur.

Inderdaad een van de uitdagingen in het leven van ieder persoon: niet afgestompt raken. Niet de nieuwsgierigheid en empathie verliezen, meestal gepaard gaand met een grauwer gebruik van zintuigen, en een uitgeschakeld gevoel. Die afstomping voorkom je denk ik door je bezig te houden met positieve en mooie dingen, wat moeilijker wordt, immers, omgeven door negatieve en lelijke dingen als oorlog, geweld, gebrek, haat, en terreurdreiging.

Luyendijk was dat wijselijk redelijk voor, en kon zich blijkbaar de luxe van stoppen met zijn baan veroorloven, in die positie, en ook als iemand met “7 vinkjes” voor maatschappelijk succes, zoals hijzelf in een later boek schreef (Zeven Vinkjes). Die 7 vinkjes zijnde, wit, autochtoon, man, hetero, hoog opgeleid met hoog-opgeleide ouders, en nog wat meer (Randstad, ABN-sprekend).. geprivilegieerd dus. Wat ikzelf wel als goede graadmeter van privilege in een samenleving zie is of je zelf “wilt” stoppen met ergens te werken, of dat je ergens “moet” stoppen met werken. Onmacht dus. Verwant hieraan definieerde James Brown “soul” (zowel een muziekgenre, als kwaliteit in alle zwarte muziek) als the word “can’t”..

Luyendijk wilde en kon makkelijk weg vanuit dat 7 vinkjes-privilege, denkelijk voor iets beters elders (later schreef hij over de financiële wereld in het “wall street” van Europa: de London City), maar het leek mij een begrijpelijke keuze, zoals hij vertelt over de gewenning die afstomping werd, en die nooit goed is..

REFLECTIE

Luyendijk maakte de manipulatie van nieuws en “filters” ervoor duidelijk, ook in praktische zin, alsmede de belangen die er speelden. Mijn inschatting is dat het (het verhulde eigenbelang en de verhulde propaganda) sindsdien niet verbeterd of zelfs alleen maar erger is geworden in het zelfverklaarde vrije Westen, zoals de recente covid-hype liet zien, mede door toenemende machtsconcentratie in de media, en voortdurende ongelijke economische en militaire macht .

De vraag drong zich na het lezen van dit boek aan mij op, daar ik mij zelf eerder in de stuk als “nooit erg vatbaar” beschreef.. Ik denk althans van mijzelf dat ik een goede intuïtie voor leugenachtigheid heb, ook qua propaganda of nieuws. Mogelijk borstklopperij of mijn eigen ego strelend, en herinner ik mij opzettelijk vooral die keren dat mijn intuïtie bevestigd werd.

De kritische geluiden tegen de Israëlische onderdrukking van Palestijnen kende ik van Linkse kringen, soms ook in mijn nabije omgeving, maar ook de angst voor Islamitisch terreur. Misschien bevat een wat abstracte, maar simpele “rijk tegen arm” verklaring – zoals mijn moeder die gaf – meer wijsheid dan ik dacht. Luyendijk beschreef hoe veel geld hebben (Israël, VS, Europa) ook uitgebreide, professionele mediamanipulatie veel beter faciliteert, inclusief toegang.

De arm-rijk verklaring lijkt wat “klassenstrijd/Marxistisch”-achtig maar relativeert daarom juist het culturele ongemak dat de Arabische cultuur en de Islam soms oproepen, zoals de macho waarden, de positie van de vrouw, hysterie (je kunt ook vriendelijker zeggen: warmbloediger of temperamentvoller), en agressie en geweld. Deels ook bij mij, geef ik toe. Ik probeer dat te relativeren middels economische en vooral onderwijsverschillen, maar ook psychologische kennis die ik mettertijd opdeed.

Agressief pratende mensen die “stoer” doen, schelden, en gewelddadige bedreigingen uiten – of zelfs alleen maar druk/”hysterisch” zijn, doen inderdaad “stoer”, maar zijn ook vaak “in paniek”, “wanhopig”, en gepijnigd door trauma’s door onderdrukking en geweld, die zo overschreeuwd worden. Ze zitten “vast”. Dat kan, in ieder geval. Iemand zich zo “intimiderend” gedragend kan uiteraard even goed vol met haat en rancune zitten, zonder goede reden, maar uit onzekerheid of negatieve bewijsdrang zo zijn, als een soort gangster of crimineel. Een blik in de ogen en waarneming van houding is veelal genoeg, om te merken of iemand, zoals ik in een Reggae-liedje (Nah Tarry Ya, van Admiral Tibet) hoorde, is “ you a man of peace, or a man of war (?)..”

Wat ik mede van mijn moeder’s verhalen, levend onder de Franco-dictatuur, begreep was inderdaad het gevoel van “rechteloosheid” dat Luyendijk ook noemt als het gevoel onder een corrupte dictatuur, zoals in Arabische landen: het recht krijgt immers geen beloop, tegen machtige groepen die je benadelen of weg willen hebben. Dictaturen willen mensen rechteloos en ook dom houden, toch geldend als “verzachtende omstandigheden” als mensen hun ongenoegen iets anders uiten dan in open, vrije samenlevingen.

Veel verklikkers en verraders in dictaturen ook, en mijn moeder had het over “enchufes”, als woord voor vriendjespolitiek/nepotisme met belangrijke functies en banen voor regime-getrouwe mensen. Het Spaanse woord “enchufe” is te vertalen als “aansluiting” Of “connectie/plug-in” (voor een functie dus), en vond ik hier wel grappig omdat het een van die Arabische leenwoorden in de Spaanse taal is, namelijk volgens etymologen afgeleid van het Arabische “jawf” (maag). Dit werd dus “enchufe”, werkwoord “enchufar” in het Spaans.

Een van de punten in dit boek van Luyendijk is juist dat dit soort noodzakelijke contextualiseringen in het Westerse nieuws wat minder gegeven wordt bij Arabieren en Palestijnen, dan bij Israeliërs die hun (terechte) zorgen over terreur delen, en helemaal bij Westerlingen, of aan de kant van de VS. In de belangrijkste Westerse media werden het “Hollywood”-achtige militaire VS-perspectief uitgedragen van de militaire invasie van Irak en bijbehorende problemen (nu ook weer mbt Oekraïne). Met soms wat nuances of tegenspraak. Destijds waren de mainstream media in Nederland iets democratischer (meer debatten met tegenstanders) dan later tijdens de coronacrisis. Daar blijkt uit – filosofisch interessant – dat de realiteit complex en veelzijdig is (dictatuur, armoede, oorlog), maar leugens (w.o. media-hype’s) opvallend eenduidig en eenvormig. Veel ooit zogenaamd kritische, dwarse denkers namen immers opeens zinloze injecties/”vaccins”, bleven desgewenst thuis, en deden even zinloze maskertjes op. Even was de leugen sneller, haha.

CONTROLE

Ik definieer “trauma” deels als onvermogen (of weer: onmacht), en “de controle kwijt zijn”, t.o.v. pijn veroorzaakt door machtiger partijen. Dat doet pijn en dehumaniseert. Wat in Nederlandse, nuchtere ogen lijkt op “hysterie” onder bijvoorbeeld Arabieren, lijkt soms echter ook op “zichzelf niet onder controle hebben”. Dat roept ons wantrouwen op, en maakt wat onzeker en bang, vooral bij zich macho gedragende mannen. Zo oppervlakkig is het mediabeeld helaas, en vaak onterecht. Het voorbeeld van mensen als Martin Luther King, en Nelson Mandela laten daarentegen zien dat jezelf “toch onder controle houden” (al wordt je leven en alles wat je hebt bedreigd en onderdrukt) waardig en wijs is, en inspirerend blijft, naast ook “mediageniek” genoeg. Ook Malcolm X, iets strijdbaarder en moslim, kon in talkshows beheerst en intelligent debatten voeren met blanken en tegenstanders, zonder ongenuanceerde of onbewezen “onzin te praten” of loze, generaliserende beledigingen. Dat kwam bij weldenkende, niet vooringenomen mensen goed over.

Mogelijk zijn iets meer “vrouwelijke” waarden van zorg, communicatie,en gelijkwaardigheid - die meer een balans vonden met mannelijke in de Afrikaanse en Afro-Amerikaanse culturen -, hier nuttig voor Arabieren. Daarnaast vereist dat ook een open debat in een open, democratische samenleving waarin veel Arabieren, en zeker niet Iraqi’s onder Saddam Hussein’s onvrije dictatuur, simpelweg niet leefden.

Helaas bijt de pro-mannelijkheid focus van de Koran en Islam (naar huidige maatstaven) zich hier in de staart bij Islamitisch protest tegen het Westen.. die vrouwonvriendelijkheid is er ook ook in de Bijbel (vrouwen krijgen zelfs onterecht de schuld van dingen), maar die is gerelativeerd in het latere, vrijere Christendom. De Jamaicaanse Rastafari-aanhanger en dichter Mutabaruka stelde ooit dat die “heilige boeken” als de Koran en Bijbel geschreven zijn door “onzekere mannen”, die vrouwen op hun plaats wilden zetten (naast andere dingen), reden waarom hij er wat afstand van nam in zijn interpretatie van Rastafari.

Evenwel, alleen als je je in welvaart en in vrijheid als individu kunt ontwikkelen, heb je nog de “luxe”, of beter: ruimte, voor een vrije, aangepaste interpretatie van wat anderen “heilig” noemen. Normen en waarden, vrij leven. Zo is dat in het Westen gebeurd sinds de 1960s met het Christendom. Democratie speelde daarbij een rol, vrij onderwijs, emancipatie richting individuele vrijheid, vrouwenemancipatie, maar toch ook welvaart: niet alleen maar hoeven te overleven en strijden, maar ook gewoon leven, leren, en liefhebben. Had mijn moeder met haar (weer gewoon) “rijk tegen arm” over het Palestina-conflict toch in de kern gelijk..

De Arabische dictaturen die Luyendijk in dit boek beschrijft – met censuur en controle, en andere onderdrukkende omstandigheden en politiestaten, zoals de bezetting van Palestijns gebied, of overheersend oorlogsgeweld van de VS tegen Irak, bemoeilijken die “zelfcontrole” of “zelfverbetering voor het grotere goed” bij individuele leiders, zichzelf verbonden hebbend aan corrupte macht. Dat geldt echter ook voor die mediamanipulatie door autoritaire of belanghebbende partijen (aan beide zijden, maar zeker ook de Westerse), waardoor andere kanten van het verhaal, zelfs als er charismatische, inspirerende en overtuigende woordvoerders van zijn, gewoon minder toegang of kans krijgen.. Een treffende illustratie van hoe vrijheid en gelijkheid gerelateerd zijn.

Ik kon me altijd voorstellen dat Joden een eigen, onafhankelijk land wilden, en dat kan ik me nog, vanuit de geschiedenis. Van mij mag het, en het is niet eens onzin. Ik ben een voorstander van gezond, open nationalisme, verbonden aan cultuur/geloof, van ieder volk, dat geen andere volkeren lastig - of binnen - valt. Leuk voor de variatie ook: er bestaan immers al meerdere “Arabische” landen, dus een Joodse mag er ook bij. Dat is de “wat” kant. Verder zitten er alleen meerdere kanten aan het verhaal - met name de “hoe” kant - die het voor mij soms moeilijker maken een kant te kiezen, vooral als het nieuws onbetrouwbaar is.. Dit laatste bleek uit dit goed leesbare en leerzame boek Het Zijn Net Mensen (2006) van Joris Luyendijk.

Toegegeven, we zitten nu een tijd verder in een tijd van Internet en meer alternatieve media. De menselijke neiging om alles in het eigen voordeel en eigenbelang te manipuleren moet echter niet onderschat worden - ook niet in die alternatieve media -, vaak door middel van een quasi-beredeneerde ideologie of religie. De drammerige poging tot "verrechtsing" van het op zich legitieme coronaverzet - even kritische mensen uit de progressieve hoek (met soms meer systeemkritiek) als George Van Houts of Ewald Engelen negerend - is daar een recent voorbeeld van.

Alles neutraal van alle kanten bekijkend - en gewoon toegeven als we iets niet weten - lijkt mij dan het wijste, en dat zegt eigenlijk ook Joris Luyendijk in dit boek.. Aan de andere kant wist ik dat al een tijdje..

donderdag 1 februari 2018

Conga (of Tumbadora?)

Het woord “conga” heeft internationaal - in meerdere talen - een zekere bekendheid. Het woord wordt in ieder geval toegepast op een bepaald muziekinstrument, een trommel, en ook als zodanig herkend. Het woord is als zodanig bekend in het Engels, Frans, Nederlands, Italiaans, Duits en Portugees. De term “conga” voor het instrument heeft zelfs het Mandarijn, Kantonees, en Japans gehaald. Verder ook het Hindi, waarin het als “Kaanga” uitgesproken wordt. In het Esperanto is het woord er als “la kunga”, merkwaardig genoeg. In het Arabisch klinkt het als “al koenecha”. Enigszins enigmatisch werd “conga” in het Tsjechisch Konfu, en het klinkt als “kongoewe” in het Servisch (dat het cyrillisch schrift gebruikt), en als “konguyu” in het Turks. Maar ik dwaal nogal af..

De bekendheid van het begrip is derhalve breed, zelfs internationaal dus, maar moet ook weer niet overdreven worden. Niet iedereen is even veel met percussie of muziek bezig, dus het komt nog weleens voor dat conga’s (foutief) als “bongos” aangeduid worden – zowel in het Engels, Frans, als het Nederlands heb ik die fout horen maken -, of nogal algemeen als “trommel”, of als deel van percussie. Zelfs “tom tom’s” is weleeens gezegd over conga’s.

Ik durf de stelling, desalniettemin, wel aan dat de conga wereldwijd één van de bekendste percussie-instrumenten is, in ieder geval in de Westerse wereld. Vaak ook een “startinstrument” voor aspirant-percussionisten. Dit deels vanwege de link naar de Westerse popmuziek, ooit vanuit “latin” muziek, eerst gelegd in de Verenigde Staten, en voorzichtig uitgebreid in de Jazz, en Rhythm & Blues vanaf ongeveer 1950.

CUBA

De conga als instrument is echter ontstaan in Cuba, en was deel van de Afro-Cubaanse cultuur voordat het internationaler bekend werd als instrument. Daar zit een heel, complex verhaal achter – die verspreiding van de conga’s. Dit is extra interessant, naar mijn mening, omdat het verhaal ervan, in zekere zin, ook het verhaal van zwarte muziek in de Amerika’s is.

Voor velen zal deze laatste, vergaande stelling wellicht wat uitleg vereisen. Is het niet specifiek een Cubaans instrument? Ja en nee. Het is ontstaan in Cuba, maar gebaseerd op Afrikaanse modellen, onder Afrikanen die tot slaaf gebracht waren in Cuba. Met name de Makuta trommel, met een gelijkende vorm, uit het gebied van Congo en omliggend Bantu-sprekend gebied in Centraal-Afrika, wordt als een directe voorloper gezien.

Deze Makuta trommels waren al een tijd in Cuba in gebruik, voordat de conga als zodanig zich ontwikkelde in Cuba, in de loop van de vroege 20ste eeuw. De Rumba als genre bestond al eerder (al rond 1900), maar werd eerst op een soort “dozen” gespeeld, een soort voorlopers van de huidige “cajón”. Het verbod op trommels vanuit staatswege – of het tegenwerken van trommelgebruik -, hinderde de ontwikkeling ervan, net als elders in het Caraïbisch gebied. De Son, uit Oost-Cuba, kende eerst vooral als trommels de kleinere maar dubbele “bongo’s”, met net als de conga een open onderkant, en eveneens Centraal-Afrikaanse wortels, maar in Cuba als zodanig gevormd.

Zeker sinds ongeveer 1930 werd de conga al algemener gebruikt in Afro-Cubaanse muziek, waaronder de Rumba, en andere Afro-Cubaanse genres, zoals de Son uit Oost-Cuba. Soms naast andere percussie-instrumenten en trommels. Dit kon vanaf toen “openlijker” in de populaire cultuur. De deels Congolese/Centraal-Afrikaanse wortels van de Son muziekstijl, dat steeds populairder werd in Cuba vanaf 1920 – en later sterk salsa zou beïnvloeden – leek goed te passen bij het Conga instrument, met ook Congolese roots.

TUMBADORA

Die Congolese roots hoor je ook aan de naam “Conga” (oud-Spaans voor “uit Congo”)..zou je zeggen. De ironie is echter dat hoewel een van de bekendste Cubaanse muziekinstrumenten, de ”conga” niet bekend staat onder die naam in Cuba zelf. Het muziekinstrument Conga heet daar “Tumbadora”.

Conga is in Cuba de naam van een soort dans, deel van een parade tijdens carnaval. Een Conga is in Cuba de naam voor zo’n parade met weliswaar verbonden muziekgenres en instrumenten. Zowel in Havana als in Santiago de Cuba (de tweede stad in Oost-Cuba) ontwikkelde zich een rijke carnavaltraditie, vergelijkbaar met die van Rio de Janeiro, met gaandeweg ook een sterk stempel van de Afro-Cubaanse cultuur en folklore. Hoe dan ook, de conga als instrument verscheen ook tijdens zulke carnavalparade’s voor het eerst in de jaren 30 van de 20e eeuw, toen als noviteit, maar goed passend bij de andere trommels. Het verschijnen in de Conga parades van (onder meer!) deze Tumbadoras (conga’s in andere talen dus), heeft de begripsverwarring buiten Cuba mogelijk veroorzaakt.

Een andere oorzaak van dat laatste kan zijn de “deel wordt geheel” fout, die wel vaker taalkundig wordt gemaakt, bijvoorbeeld ook in geografische begrippen. Conga’s hebben verschillende maten, en die van middengrootte staat ook wel bekend als “conga” (Tumbadora conga), de kleine als “quinto”, en de grote bijvoorbeeld als “salidor” (naast andere namen, als Tumba).

BANDEN MET DE VS

Vóór de Cubaanse Revolutie die Fidel Castro aan de macht bracht in 1959, waren er nog veel, gemakkelijke betrekkingen tussen Cuba en de nabijgelegen Verenigde Staten. Cuba was dan ook “onafhankelijk” geworden van Spanje in 1892, na de Spaans-Amerikaanse oorlog, waarbij de VS in naam Cuba hielp tegen Spanje, maar uiteindelijk de macht overnamen. Militair, maar ook na 1892 en de “officiële” onafhankelijkheid. Wellicht gemankeerde onafhankelijk, want ingrijpen van de VS bleef wettelijk verankerd bij een “ongewenste regering”, als ware Cuba toch nog een soort puppet state. Ook deze constructie en verhouding zorgde natuurlijk voor veel “verkeer” tussen Cuba en de Verenigde Staten. Ook cultureel.

De VS politici die macht uitoefenden in Cuba na 1892 waren veelal blanken uit de zuidelijke staten van de VS, vaak met een racistische “Jim Crow”-mentaliteit, komend uit een wereld van segregatie en achterstelling van zwarten in de VS. Dit werd deels voortgezet in Cuba, waarbij blanke Cubanen ook bevoordeeld werden, en onder de Amerikanen vooral de politiek en cultuur domineerden. De meer gemengde Cubaanse samenleving hield dat echter ook deels tegen, of gaf het een eigen draai in Cuba. Met de tijd veranderde het ook, en werd bijvoorbeeld trommelen steeds meer toegestaan, en Afro-Cubaanse in het algemeen cultuur meer ruimte gegeven, met name vanaf ongeveer 1930. Reizende jazzmusici uit de VS kwamen er op Cuba mee in contact, en zo ontstond een muzikaal contact. Meerdere Cubaanse muzikanten reisden of emigreerden ook naar de VS na 1930, waaronder bekende percussionisten en conga-spelers.

ARSENIO EN CHANO

Dan komen we bij twee Cubaanse muzikanten uit die bij de ontwikkeling van de conga in muziek cruciaal waren. Arsenio Rodríguez en Chano Pozo. De eerste, Rodríguez, was de eerste die bij Son-formaties conga’s (Tumbadoras) toevoegde, en een soort standaard-format voor de Cubaanse populaire “big band” tot stand bracht. Met dus die conga’s. Dit was rond 1940. Voor het eerst werd de conga “standaard” in populaire muziek. Dat bleef het. Arsenio Rodríguez was een blinde muzikant en bandleider, speelde vooral de tres gitaar, en was van Afrikaanse (ook Congolese) afkomst. Hij had veel invloed in Cubaanse muziek.

Hoewel er meerdere vroege congueros (Conga-spelers) waren, is met name Chano (van Luciano) Pozo ook zeker van belang. Vooral vanwege het punt dat ik met dit essay wil maken. Chano Pozo (geboren in 1915) was namelijk een van die Cubaanse muzikanten die naar de VS, New York, emigreerde, en wel in de 1940s. Hij was toen al een ervaren conga-speler, en kwam via Mario Bauzá – een Cubaanse muzikant al wat meer gesetteld in de VS- in contact met Dizzy Gillespie. Deze jazzartiest Gillespie experimenteerde graag met Afro-Caraïbsche en Afro-Braziliaanse muziek als uitbreiding van zijn jazz-universum, toen zich bewegende richting het vrijere, improviserende “Bebop”. Hij wilde een Cubaanse conga-speler toevoegen aan zijn band en dat werd dus Chano Pozo. Pozo trad voor het eerst op met Gillespie in 1947. Dit was eigenlijk voor het eerst in de wereld van de jazz. Conga-spelers in de VS waren daarvoor eigenlijk alleen bezig binnen Cubaanse muziekgenres, of als deel van reizende Cubaanse gezelschappen, maar in ieder geval in Cubaanse genres. In Dizzy Gillespie’s jazzband hadden conga’s nu echter ook een plaats, en werden nu bekender buiten Cubaanse genres.

Je zou kunnen zeggen dat Dizzy Gillespie de conga’s, en daarmee deels Afro-Cubaanse muziekgenres, introduceerde binnen zwarte genres in de VS, en daarmee uiteindelijk de popmuziek, via Rhythm & Blues en Funk. Die invloed bleef. Denk aan het latere gebruik van conga’s bij James Brown en Motown, om maar wat te noemen. Afro-Cubaanse muziek beinvloedde eerder echter al de jazz in New Orleans, zoals ik in een eerder blogbericht al schreef. Gillespie consolideerde dat wel zogezegd, via Pozo en de conga’s in zijn band, en eerdere contacten met Cubaanse musici. Pozo was co-auteur van twee nummers bij Gillespie, het bekende Manteca, en Tin Tin Deo.

Het nummer Manteca, uit 1947, is een klassieker in meer dan een opzicht. Een van de bekendere nummers van Dizzy Gillespie (samen met bijvoorbeeld Night In Tunesia). Het wordt zelfs beschouwd als grondleggende song in de Afro-Cuban Jazz, en was de eerste song, ritmisch gebaseerd op de “clave” (zie verderop in deze tekst) die een jazz-standaard werd. Zelfs hen met slechts vage kennis van de Jazz zouden het nummer best weleens gehoord kunnen hebben.

Helaas overleed Chano Pozo al jong, na zo’n jaar met Gillespie gewerkt te hebben, namelijk in december, 1948. Dit was in de Rio Bar in Harlem, New York. Pozo kreeg naar verluidt ruzie met een Puerto Ricaan, ene El Cabito, die hij ervan beschuldigde hem slechte of eigenlijk “nep” marijuana te hebben verkocht. Deze Cabito nam hardhandig revanche, en vermoordde uiteindelijk Pozo. Chano Pozo werd slechts 33 jaar oud, maar had dus zeker muzikale invloed gehad.

NED SUBLETTE

Dan kom ik bij een van de interessantste dingen die ik de laatste tijd heb gelezen. Naar mijn mening, maar dat spreekt vanzelf. In het boek ‘Cuba and its Music : From the First Drums to the Mambo’ (Chicago Review Press, 2004), door Ned Sublette, schrijft deze laatste over de tijd van Chano Pozo bij Dizzy Gillespie sinds 1947. Hoe twee “muziekculturen” elkaar troffen. De Afro-Cubaanse aan de ene kant, en de (VS) African-American aan de andere kant. Allebei te vatten onder de generieke term “zwarte muziek”, maar met essentiële onderlinge muzikale verschillen. Gillespie wilde ook wat “nieuws” toevoegen aan zijn muziek, en niet iemand die paste binnen een vooropgelegd kader. Chano Pozo en zijn Cubaanse conga’s konden blijkbaar aan die experimenteerwens voldoen.

Het genoemde boek van Ned Sublette is overigens deels een basis voor mij, voor dit artikel.

CLAVE EN SWING

Die verschillen binnen “zwarte muziek” in de Amerika’s – muziek van de Afrikaanse Diaspora dus – vind ik een interessant thema, dat ik dan ook vaker behandeld heb op mijn (dit) blog. Onder meer in Ned Sublette’s boek, is dat een belangrijk thema, maar ook bij andere auteurs, en bij historici en antropologen in de sociale wetenschappen. Zoals in de “Black” of “Africana Studies”, zoals dat in sommige landen – de VS – als academische discipline bestaat, bijvoorbeeld. In Nederland bestaat dat niet als academische discipine, vooral omdat de “poortwachters” in wetenschappelijke kringen, ook wat betreft de studie van zwarte, Caraïbische thema's, of de Afrikaanse diaspora, vooral nog blanke Nederlanders zijn. Ook cultureel en politiek, blijkbaar.

SLAVENHANDEL

Het heeft namelijk te maken met het verleden van kolonialisme, de slavenhandel van Afrikanen naar de West door de verschillende koloniale mogendheden, en de verschillen daartussen. De kolonisering van de Amerika’s begon uiteraard met de “ontdekking” van de Amerika’s in 1492 door Christopher Columbus, Genuees (en kort vóór 1492 nog residerend in Portugal), maar in Spaanse dienst. De “nieuwe” gebieden werden geclaimd door Spanje, deels hardhandig veroverd, en de aanwezige Amerindianen tot slaaf gebracht. Het zware werk, mishandeling, en meegebrachte ziekten zorgden echter voor snel vele doden onder hen, en genocidale gevolgen. Spanje begon toen Afrikaanse slaven in te voeren, naar verluidt naar Portugees voorbeeld. Portugezen handelden al eerder in tot slaaf gemaakte zwarte Afrikanen langs de Afrikaanse kusten, en ook Arabieren en Moren voor hen deden dat.

Deze geschiedenis is verder bekend, of zou dat in ieder geval moeten zijn. Die slavenhandel en slavernij van Afrikanen in de West breidde zich uit, ook nadat andere Europese landen gebieden gingen claimen en veroveren op de Spanjaarden en Portugezen. Zo ontstonden er Britse, Franse, Nederlandse, en zelfs Deense koloniën (wat nu de US Virgin Islands zijn) in de Amerika’s. van verschillende omvang, en waarvan sommigen heel erg slavernij-gefocust waren.

Die verschillende mogendheden haalden Afrikanen voor slavenwerk grotendeels uit verschillende delen van Afrika, in verschillende perioden. Er was een beleid wat betreft Cuba om slaven uit niet-Islamitisch beinvloede delen van Afrika te halen: Centraal en “tropisch woud” Afrika. Dit leek deels bewust beleid om culturele of religieuze redenen van de in naam Christelijke Spanjaarden. Deze laatsten waren overigens – ironisch genoeg – zelf wel Islamitisch beïnvloed, gedurende de Moorse periode in Iberië. Daarnaast waren de meer sedentair levende Afrikanen in het gebied van Congo en Angola, cynisch gezegd, “easy pickings” (makkelijk te verkrijgen), ook door vroege toegang van Portugal tot Angola. Relatief veel Afrikanen uit het gebied van Congo en Angola kwamen derhalve in Spaanse en Portugeze koloniën als Cuba en Brazilië terecht. Daarnaast ook relatief veel Afrikanen uit het Yoruba gebied (ZW Nigeria en Benin).

De Britten hadden weer meer toegang tot slaven in andere delen van wat nu Nigeria, zoals de Igbo en Ijaw gebieden, in Kameroen, en Ghana. Deels ook Senegambia en het Guinea-gebied. De Fransen hadden vooral veel toegang tot slaven uit wat nu Benin is, en omliggende gebieden als Togo en Ivoorkust, en ook deels Senegambia en de Sahel-gebieden rond Guinea. De Nederlanders ook relatief wat meer in Ghana, en ook wel Angola.

CULTURELE ERFENISSEN

Deze relatieve verschillen hadden uiteraard invloed op de cultuur die de Afrikanen meebrachten en nog deels konden behouden in verschillende delen van de Amerika’s. Een pijnlijke geschiedenis ligt erachter, maar muzikaal heeft het leerzame en interessante gevolgen gehad.

Vrijwel in elke kolonie in de Amerika’s met slavernij van Afrikanen, kwamen deze Afrikanen uit verschillende delen van Afrika, maar met concentraties. Deze kennis is wat wijder verspreid – ook onder het “gewone volk” in de gebieden zeg maar, hoewel wat versimpeld en soms wat verdraaid. Derhalve was er relatief veel Dahomey/Benin invloed onder Afrikanen in Haïti, van Twi-sprekende Afrikanen uit het gebied van Ghana in Jamaica, en enkele andere plekken, zoals Suriname. Igbo kwamen iets meer op Jamaica en andere eilanden, vooral Barbados, terecht.

In Cuba zowel relatief veel Afrikanen met een Yoruba achtergrond, maar ook veel met een Congo achtergrond. In Brazilië – deels gelijkend - ook veel Yoruba, maar ook veel met een Angola achtergrond.

De VS ontving relatief veel Afrikanen uit het Sahel, Guinea (Mande-sprekend) gebied, en Senegambia, hoewel verschillend per staat.

Dit alles had invloed op de cultuur en ontwikkeling van de zwarte muziek in deze gebieden, en de dominante Afrikaanse invloeden daarbinnen. Dat lijkt nogal vanzelfsprekend. Evenwel zijn de implicaties ervan wat minder bekend.

SWING

Kort en wat simpel gezegd: dat hele idee van “swing” in de zwarte muziek in de VS is een erfenis uit “Griot Afrika”, de grotendeels Mande-sprekende, Sahel-gebieden van Senegal tot Guinee en Mali, en tot noordelijk Nigeria. Delen van zwart Afrika, maar met veel Islamitische en Arabische invloeden,en met veel “snaarinstrumenten”, en wat minder “trommels” dan zuidelijker in Afrika. Zoals overal in sub-Saharaans Afrika is “ritme” belangrijk in de muziek in dit gebied, maar minder “polyritmisch” en enkelvoudiger. Deze Griot muziek had een duidelijke invloed op wat we nu kennen als de Blues, wat zelfs de relatieve leek makkelijk kan horen. Het idee van “swingen” rond de tel van een maat kan moeilijk los worden gezien van de karakteristieken van snaarinstrumenten.

CLAVE

Afro-Cubaanse muziek had weer iets andere invloeden en wortels. Ritmisch op een andere, veelzijdigere manier, en gevormd door Afrikanen waarvan de muziek vooral gedomineerd werd door trommels en andere percussie, en “polyritmische” muziek (meerdere ritmes tegelijk , rond een basis “sleutelmaat”, of in het Spaans: “clave”). Dit vormde Afro-Cubaanse genres als de Son, Rumba, en uiteindelijk de Afro-Cubaans gebaseerde Salsa. In Brazilië onder meer de bekende Samba. Noten/slagen zijn bij deze clave polyritmiek “straight” op de tel, op de achtste noten. Maar dan dus met meer ritmes tegelijk.

Son en Rumba dragen duidelijk een “Congo-stempel”, hoewel met name in de Rumba ook andere invloeden niet onbelangrijk waren. In deze culturele context in Cuba verscheen dus ook de conga als belangrijk percussie-instrument. Eerst in Rumba, kort erop ook in Son, en daarmee ook in Mambo, en de Salsa. De Salsa is muzikaal gezien vooral gebaseerd op Afro-Cubaanse muziek, met name Son, met ook Rumba-invloeden. De term Salsa dook voor eigenlijk Cubaanse muziek op in de 1960s in New York. Conga’s werden toen al enkele decennia gebruikt in Cubaanse muziek in Cuba zelf, en dus ook in de 1950s in Latin Jazz, of door Latin beïnvloede jazz, zoals van Gillespie.

De term “Salsa” voor het muziekgenre is vaag, en onderwerp van discussie. Weliswaar is het ontstaan in een omgeving met veel Puerto Ricanen (New York), en andere Spaanstaligen (Dominicanen e.a.), en heeft dat invloed gehad, maar de muzikale structuur bleef vooral Cubaans-gebaseerd. Veel bekende Salsa-artiesten en muzikanten waren Puerto Ricaans (Tito Puente e.a.), en beïnvloedden zo Salsa deels. Salsa werd voorts populair in heel Latijns-Amerika, waar ook Salsa artiesten opkwamen, soms ook met internationale faam (Sergio Blades uit Panama, of Oscar D’Leon uit Venezuela).

In de Salsa waren de Conga’s vanaf het begin een belangrijk instrument, als belangrijke “drager” van het ritme. Drumstellen zoals we die in popmuziek kennen, waren in het begin niet gangbaar, dus de rol ervan ging naar andere trommels.

De link van de conga met andere niet-Latin of Cubaans-gebaseerde genres in de VS was toen (na 1960) echter allang gelegd, via Jazz, Latin Jazz, en later ook Soul en Funk. In Motown producties waren vaak conga’s te horen, vaker dan andere Cubaanse percussie (af en toe bongo’s, raspen wat minder), in het werk van James Brown en Curtis Mayfield e.a.

CONGO

Dat maakt de term “conga” (oud-Spaans voor “Congolees”) voor de trommel wel symbolisch interessant, ook al is het foutief. De conga als trommel heeft als soortnaam altijd “Tumbadora” geheten. De term is ook weer niet absurd fout. Het is gemodelleerd op trommels uit het Congo gebied, de genoemde Makuta, waar open onderkanten van trommels gangbaar zijn, wat je ook aan de bongo’s ziet. Het is van oorsprong ook grotendeels “Conga/Congolees”.

Het gemak van het stemsysteem zoals dat later ontstond (metalen stemschroeven), maar ook het krachtige, “ronde” geluid - vanwege de goed doordachte half-conisch/half-ronde klankkast onder het koeievel - hielp bij de verspreiding en populariteit van de Conga trommel. Het vel was en is vooral van koeiehuid gemaakt, anders dan bij de meeste bongo’s en djembe’s (daar vooral van geit), wat het een zwaardere en lagere resonantie geeft, en relatief veel volume.

Tegelijkertijd is de verwijzing naar de Congo en Bantoe-sprekend gebied interessant om historische redenen. Afrikanen uit het gebied van Congo waren relatief wijd verspreid terecht gekomen in de Amerika’s, als zijnde een van de grootste slachtoffers van die mensenhandel in Afrikanen. In wat nu de VS is, kwamen aardig wat slaven uit het Congo-gebied terecht, met name rond Louisiana, en enkele andere staten. Naar schatting zo’n 25 % van de Afrikaanse slaven in Jamaica kwam uit het gebied van Congo, tegen zo’n 50% uit het gebied van Ghana. Zo’n 40% van de slaven in Cuba kwam uit het gebied van Congo. De invloed van slaven uit het Congo-gebied is ook merkbaar in Haiti, Colombia, Curaçao, Martinique en Guadeloupe, en voormalig Britse koloniën. Dit vertaalde zich ook muzikaal. Vodou-muziek, in Haiti, is met name Benin/Dahomey-beïnvloed, maar ook met duidelijk Yoruba en Congo invloeden, in delen ervan. Denk verder aan Bantoe/Congo namen als Tambú en Tumba voor muziekgenres in Curaçao ( een Nederlandse kolonie). Ook in Suriname zijn er aanwijsbare Congo invloeden, in het Winti geloof, maar ook daarbuiten.

REGGAE

Ik ben zelf vooral een Reggae-liefhebber, en heb mij derhalve in dat genre verdiept door de jaren heen. Dat blijkt ook uit mijn (dit) blog, dat vooral Engelstalig is. Het Jamaicaanse genre is rond 1968 ontstaan uit eerdere genres Ska en Rocksteady, die eerder in de jaren 60 ontstonden, onder verschillende invloeden.

Ik ben zelf behalve reggae-fan, ook een conga-speler (naast van algemene percussie), dus heb daar zeker op gelet. Hoe gangbaar is de Conga in Reggae?

Wel, niet zo gangbaar als in Cubaanse muziek en (dus) Salsa, maar het is terugkerend als deel van de standaard-percussie set, zoals ook in andere genres als Funk. Daarnaast worden vooral lokale Afro-Jamaicaanse trommels gebruikt, zoals de op de Ghanese Akete gebaseerde, meer cylindrische Kete trommels, die ook Rastafari-aanhangers gebruiken bij Nyabinghi sessies.

In meer seculiere Reggae-muziek, maar ook die met vaak een Rastafari bodschap, werden echter ook vaak Conga’s gebruikt, samen met andere Afro-Cubaanse instrumenten, zoals de “guïro” rasp, welke zelfs best wel vaak te horen is in Reggae (met name sinds de 1970s). Bob Marley’s band the Wailers maakte er veel gebruik van (van conga’s, vooral ook live), alsmede de Roots Reggae artiest Burning Spear (Winston Rodney), die zelf overigens ook conga’s speelt. Hoewel in Cuba in die moderne vorm ontstaan, is de conga natuurlijk vooral “African-based”, en daarmee passend bij ook de tekstuele boodschap van veel Roots Reggae.

Het gebruik van de conga’s is in reggae beperkt en veelal subtiel, vanwege het dragende karakter van het standaard aanwezige “drumstel” in de Reggae , zoals in andere Westerse of pop-muziekgenres. De Conga is derhalve meer “toevoegend” in reggae, dan dragend (zoals in bijv. Salsa, of Rumba), maar vaak wel hoorbaar aanwezig. Net als andere percussie naast het drumstel, zorgt het voor ritmische verdieping en verbreding, en daarmee een connectie met de Afrikaanse wortels; Afrika bekend staande als meeste percussieve en ritmische continent. Een cliché – dus zeker te versimpeld – maar in de kern niet onwaar. Europa = harmonie, Azië = melodie, en Afrika = ritme, is nog zo’n “kort door de bocht” cliché. Deels kloppend, maar de realiteit is dat op alle continenten alle drie de elementen (harmonie, melodie, en ritme) een rol spelen in de muziek.

PAN-AFRIKAANSER

Helemaal interessant vindt ik het gegeven dat de Cubaanse invloed, onder meer via die Conga, zwarte muziek in zowel de VS, als in Jamaica – waar Ska eerst beïnvloed was door R&B uit de VS – hielp de muziek “pan-Afrikaanser” te maken, inclusief polyritmische “clave” principes uit Congo. Dit kwam dan bovenop een muzikale “swing-basis” (met Griot Africa-wortels), met name in de VS.

Lokale Afrikaanse invloeden in Jamaica waren echter ook vaak polyritmisch en clave, maar konden vanwege verboden en ander koloniaal beleid minder bewaard blijven dan in Cuba. De Congo-gebaseerde “Kumina”-religie en –muziek bleef nog wel bewaard in sommige (oostelijke) delen van Jamaica, en beïnvloedde daar deels Reggae, via een omweg. Via Afro-Cuba kwam het dan nog meer terug, of werd versterkt, zou je kunnen zeggen. Dat heeft iets rechtvaardigs, tegenover de koloniale deculturalisering door Europeanen. Een soort herstel van een pan-Afrikaanse balans.

Zo bekeken dient de Conga als Afro-Cubaans instrument in genres als Reggae, Soul, of Funk dan ook gezien te worden als meer dan een “Latin” of Salsa-invloed. Het is meer dan dat symbolisch een noodzakelijke Afrikaanse invloed, die muziekgenres van zwarte mensen beter doet aansluiten met de rest van de Afrikaanse Diaspora, maar ook met delen van Afrika waar ze oorspronkelijk vandaan komen, en niet alleen een specifiek, door de Islam beïnvloed, Mande-sprekend, of Sahel-deel, ervan. Het klopt historisch beter, zou je kunnen zeggen. Maakt het gebalanceerder..

Welnu, de al genoemde Chano Pozo was de eerste die conga’s speelde op de Swing-gebaseerde genres in de VS als Jazz of R&B van Dizzy Gillespie. Hij paste Cubaanse Conga-patronen aan om ruimte voor andere instrumentalisten te laten om te “swingen” zoals in de Jazz traditie. Gaten laten vallen, die in Son of Rumba gevuld zouden zijn door de conguero.

Ned Sublette beschrijft het in het werk ‘Cuba and its Music : from the first drums to the Mambo’ als volgt:

“Chano Pozo created the role of the conga soloist in the modern band, somewhat the way Coleman Hawkins created the solo tenor sax”.

En, even verderop:

“It’s not natural for a conguero to play in swing time, but Chano could make a pocket for it… He’d played in jazzbands in Cuba, and had already figured out how the two feels – African American and Afro-Cuban - might mesh instead of contradicting each other”.

Zo werd het al met al toch polyritmischer, met daarnaast nog steeds die swing. Sommige genres, zoals Funk, werden onder deze Afro-Cubaanse invloeden, wat strakker en polyritmischer. De Conga-patronen op veel James Brown nummers, bijvoorbeeld, zijn toch vaak deels afgeleid van Cubaanse patronen als de Tumbao, of uit de Rumba.

In andere genres, zoals Soul, combineerden de Conga’s meer met een soort Swing – denk aan fraaie Marvin Gaye songs als What’s Going On en Mercy Mercy Me - , wat op zich een leuk effect had. Chano Pozo deed dat dus al sinds 1947, in de band van Dizzy Gillespie..

IRONIE

Wat nu de D.R. Congo is heeft een rijke, gevarieerde cultuur, mooie tropische oerwouden, maar helaas grotendeels ook een onfortuinlijke geschiedenis. Hetzelfde geldt voor het aangrenzende Angola en Congo-Brazzaville. In het geval van D.R. Congo is nog te noemen dat het een Belgische kolonie werd, hoewel eerst eigendom van de Belgische koning Leopold, sinds 1885. Dit werd het in dezelfde periode dat de slavernij in Cuba werd afgeschaft.

Die koloniale, Belgische tijd in Congo was wreed en genocidaal, gericht op exploitatie, met racisme en geweld als sturende middelen. Miljoenen doden onder de Congolese bevolking had dit ten gevolg, en daarnaast vele verminkingen; handen en armen afhakken was een gangbare straf door de Belgen, toegepast op Congolezen. In die zin past Koning Leopold in hetzelfde rijtje als Adolf Hitler, Pol Pot, of Stalin. De miljoenen doden in Congo tijdens dit koloniaal bewind zijn echter relatief veel minder bekend.

Zoals gezegd, was hetzelfde gebied van Congo eerder – tussen 1500 en 1900 - een belangrijke (want “makkelijke”) bron van slaven voor Europeanen, en de lokale bevolking dus een van de grootste slachtoffers. Heden ten dage zijn er nog demografische, maar zeker ook economische en maatschappelijke gevolgen merkbaar in D.R. Congo en Angola.

De Conga trommel – van oorsprong uit ditzelfde gebied – herinnert aan die periode van trans-Atlantische slavenhandel, maar meer als overleefde kracht van de cultuur van Congo, nu wijdverspreid te vinden en bekend als muziekinstrument in het Westen, Latijns Amerika, en daarbuiten, waaronder Afrika zelf. Zoals ik aan het begin schreef: een van de bekendste percussie-instrumenten ter wereld. Dat is een symbolische ironie. Het is een ironie die pijnlijk is, maar ergens toch ook grappig. Misschien zelfs “mooi”. Dit juist door wat het vertegenwoordigt: de kracht van cultuur tegen de verdrukking in..