Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen

maandag 3 november 2025

Twee boekrecensies in één: Hans Kaldenbach en Paulien Cornelisse

‘Doe maar gewoon: 99 tips voor het omgaan met Nederlanders’ is een boek(je) geschreven door “intercultureel adviseur” Hans Kaldenbach, eerst geschreven in 1994.

De titel suggereert een soort inleiding voor nieuwkomers, hoewel het dan mogelijk voor sommigen vertaald moet worden. Hij refereert ook naar Marokkanen, Turken, en Surinamers, en de verschillen tussen hun culturen en de Nederlandse, en wat in Nederland gebruikelijk is.

Inderdaad waren dat in 1994 (bij schrijven) al de grootste migrantengroepen in Nederland, maar het geldt uiteraard voor alle mensen van buitenlandse origine, zo te lezen. Uit Kaldenbach’s vergelijkingen lijkt hij vooral de wat exotischer buitenlander voor ogen te hebben, niet direct omliggende “Germaanse” landen, met veel meer culturele overeenkomsten (of we nu willen of niet).

Dit via 99 “tips” die eerder als thematische uitleglemma’s kunnen worden gezien.

Een klein boekske op zich, van 53 pagina’s.

PAULIEN CORNELISSE

Een ander boek dat ik al eerder had gelezen, werd geschreven door Paulien Cornelisse, en is mogelijk wat bekender: 'Taal is zeg maar echt mijn ding’, eerst geschreven in 2009, dus een tijdje later.

Het boek van Paulien Cornelisse is wat dikker dan Kaldenbach’s boek, met zo’n 229 pagina’s, en zelfs een heus register.

Ook hier: verschillende subonderwerpen/lemma’s, maar dan rond taalverschijnselen en –trends - in het moderne Nederlands.

Het boekje van Kaldenbach gaat dus over de Nederlandse “cultuur” (voor buitenlanders uitgelegd), en dat van Cornelisse over de Nederlandse “taal”.

Dat lijken twee verschillende dingen, maar uit studie van de antropologie blijkt dat in historische zin cultuur – en verschil erin - begon met taal, betekenis ontlenen via (eigen, nieuwe) metaforen. Het legt ook het praktische vast via symboliek.

Toen ik een keer de antropologie bestudeerde was dat gegeven, dat culturen met taal beginnen, iets wat ik niet wist, maar eigenlijk ook weer wel. Verhelderend, in ieder geval.

HANS KALDENBACH

Hans Kaldenbach beschrijft in ‘Doe maar gewoon’ Nederlandse gewoonten zoals op tijd komen – de klok wordt strak aangehouden – en andere haast clichématige zaken, die we wel vaker gehoord hebben, maar meestal ook wel (deels) ware cliché’s zijn: je kunt niet zomaar onaangekondigd op visite komen bij Nederlanders, noch automatisch mee-eten als op visite. Kinderen gaan vroeg en op tijd naar bed, en de omgangsvormen zijn wat ingehouden: men praat rustig, danst weinig. “Genieten lijkt wel een zonde”, stelt hij in een van de tips, dit relaterend aan een calvinistische invloed in Nederland.

Hij noemt ook positieve, minder saaie Nederlandse cliché’s als eerlijkheid, eerder schuld toegeven (vergeleken met? Buitenlanders hier?), eerder een persoonlijke mening geven (ik- versus “wij” cultuur), en beschrijft het begrip “gezelligheid”, soms samen vallend met een kopje koffie met een enkel koekje (misschien zelfs twee!).

Mogelijk is “gezellig” te vertalen naar andere talen – het Engelse “cozy” komt in de buurt – maar het is toch ook weer typisch Nederlands.

Ik herinner mij dat mijn Spaanse moeder dat woord vaak in Spaanse zinnen niet vertaalde, maar in Spaanse zinnen als leenwoord gebruikte: “era bien “gezellig” ahí dentro” (het was best wel gezellig daarbinnen).

CULTUUR EN TAAL

Zo zijn er meer taalgerelateerde dingen in Kaldenbach’s boekje, wijzend op de onvermijdelijke connectie tussen een cultuur en de bijbehorende taal.

Andersom zijn er om dezelfde reden ook culturele verwijzingen in het boek over taal van Cornelisse. Eigenlijk logisch, dus.

De Spaanse filosoof Miguel De Unamuno zei ooit: “Het ras is de taal..”. Hoewel ik het vaak met Unamuno eens ben, en hij veel zinnigs zei, was ik het hier minder mee eens. “Cultuur is de taal”, klopt al wat meer, denk ik zelf. "Ras" is als term te vaag.

Een belangrijk verschil tussen beide boeken is dat Kaldenbach spreekt over culturele gewoontes die al wat langer mee gaan, en wellicht bij jongere generaties zijn aan het veranderen, terwijl Cornelisse het vaker over huidige “taaltrends” heeft: juist die veranderingen dus, maar ook wel oudere uitdrukkingen hekelt.

Cornelisse doet dat leuk en grappig, en ik begrijp waarom het boek een bestseller werd. Van het gebruik van woorden als “gewoon”, de vage toevoeging ..”en alles”, gebruik van aanhalingstekens, voetbaltaal, “subtiel opscheppen”.. Grappig, want vaak herkenbaar om ons heen, op het werk, in ons sociale leven, of in de media.

GENERALISEREND

Kaldenbach heeft wat minder leuke humor, maar geeft wel wat interessante indrukken van de Nederlandse cultuur. Die herken ik vaak ook, maar niet altijd.

Mogelijk vanuit Nederlandse trots of verwantschap heeft Kaldenbach soms een te rooskleurig beeld van Nederlanders en hun gedrag, soms positief generaliserend, maar soms ook negatief generaliserend.

Hij stelt dat Nederlands “altijd” schuld zullen bekennen en excuses maken. Hij zet dit geniepig af tegen ander culturen (Marokkanen), die dus blijkbaar leugenachtiger en ontkennender zijn. Vooral dat “altijd” van Kaldenbach maakt het onzin. Hij verbindt dat aan een schuld-cultuur, versus een schaamte-cultuur, en een ik-cultuur, versus een wij-cultuur, maar is gewoon niet voor alle Nederlanders waar.

Kaldenbach bestudeerde ook weleens “hangjongeren”, wat mogelijk voor wat vertekening zorgde. Bij wetsoverteding zullen betrapte Marokkanen ontkennen en leugenachtig zijn, maar hetzelfde geldt voor Nederlandse misdaadplegers, of andere bedriegers en beroepsleugenaars (politici, verkopers). Die heb je onder elk volk, zoals ook de neiging om de schuld bij de ander en niet bij jezelf te leggen, vanuit een misplaatste trots, of het grote eigen ego.

PRATEN

“Je laat elkaar uitpraten” schijnt ook zoiets positiefs Nederlands te zijn, volgens Kaldenbach, en dat is wel iets meer waar, althans in formele gesprekken,of in talkshows op tv, en dergelijke. Ik zag ooit bij familie in Andalusië (Spanje) op tv een Spaanse talkshow waar er door elkaar heen “getetterd” werd, en men herhaaldelijk (tientallen keren) moest vragen “Me vas a dejar hablar?”, mag ik even uitspreken?.. Ook was het luider of zelfs “bozer”, de rustige, beheerste toon van Nederlanders ontbrak. Als iemand zijn stem teveel verheft, en men “boos” klinkt, in een Nederlands talkshow, wordt deze meestal het woord ontnomen, en de microfoon weg genomen of uitgeschakeld. In Spanje blijkbaar niet.

Ook dat “laten uitpraten” is echter generaliserend. Als Nederlanders je niet mogen, of wantrouwen, zullen ze in het sociale verkeer geen open gesprek tot stand laten komen, zoals overal, en je je zinnen niet af laten maken… een kinderachtige, en eigenlijk antipathieke, trek, - we zitten immers niet meer op de middelbare school -, maar “des mensch”.

Rustig, zonder stemverheffing, praten is volgens Kaldenbach hoe dan ook in het algemeen typisch Nederlands, wat ook wel nog steeds een beetje zo is, alhoewel verschillend per sociale groep (voetbalsupporters?, dronken feesters?).

Paulien Cornelisse heeft een grappig stuk in haar boek over zo’n uitzondering: een buurtgenoot van haar in Amsterdam: een fanatieke Ajax-fan die de gewoonte had om hard op straat “Joden!”, “Joden!” te roepen, wat nogal rabiaat anti-semtisch lijkt, als je niet weet dat Ajax-aanhangers zichzelf zo noemen.

Toch raar: stel dat een ander (wit) iemand “Chinezen!”, “Chinezen!” op straat roept. Dan vermoeden we toch een gevaarlijke, racistische frustratie bij deze persoon.

Hoe dan ook, en met welke intentie dan ook: niet alle Nederlanders praten altijd rustig en ingehouden, weet ik ook uit eigen ervaring.

Noodgedwongen grijpt Kaldenbach dus naar generalisaties, vooral vergelijkend met Marokkanen, Turken, Antillianen, en Surinamers. Het is meer sociologisch, of het nu altijd helemaal klopt, of niet.

Het leuke boek van Cornelisse is daarentegen meer psychologisch, en gedetailleerd op taal gericht, ook bij een-op-een interacties. Taalgericht, weliswaar, maar ook op dat detailniveau uit zich de cultuur van een land.

Veel van wat Cornelisse beschrijft is hoe mensen zich interessant of intellectueler proberen te maken met woordgebruik, zoals in de zinsnede “ik geloof niet in veel tv kijken”, versus “ik kijk niet zoveel tv”, of “het is een aanvaller, maar van een ander kaliber dan EEN Lionel Messi”, zoals in het Voetballiaans. Dat “een” geeft een analytisch tintje, even zeer als zeggen “ik geloof niet in..”. Dat beschrijft ze grappig.

OOGCONTACT

Niet alles herkende ik van wat Kaldenbach zei. Zo zouden Nederlanders elkaar langer en meer in de ogen kijken. Niet alleen onderschat hij daarmee man-vrouw verhoudingen en (ongewenste) seksuele spanning, maar ook in andere sociale contexten zijn ook veel Nederlanders wantrouwend, of, wat liever, te onzeker of verlegen, om oogcontact te maken, vooral in drukke steden, met etnische scheidslijnen.

Dat geldt uiteraard ook voor andere nationaliteiten en groepen, ook wat “geslotener” gemeenschappen als strengere moslims, bijvoorbeeld.

Het is geen halsmisdaad, maar sympathiek is vermijding van oogcontact natuurlijk nooit: iedereen wil “iemand die me ziet” om uit een songtekst van Doe Maar (song Radeloos) te citeren: het ontspant de relatie en sfeer, en opent mogelijkheden tot beschaafd, en wie weet zelfs inspirerend contact.

VERBONDENHEID

Dat Kaldenbach dat positieve in de ogen kijken als “typisch Nederlands” ziet (wat ik dus betwijfel) zal met de verliefdheid op eigen land – de “oer-connectie” via wortels met het eigen Nederlandse volk die hij voelt, te maken hebben. Die val je niet af, en verdedig je/praat je goed.

Ook dat is niet typisch Nederlands, maar ik merk wel dat ik (half Italiaans, half-Spaans, geboren in Nederland) die rotsvaste, eenduidige identificatie soms mis. Mijn ouders maakten grapjes over elkaars landen, met soms zelfs kritiek, en weer andere grapjes/kritiek over de Nederlandse buitenwereld.

Ook vaak grappig, maar verwarrend voor mij. Voor mijzelf probeer ik dan speels te combineren - laverend "tussen culturen in", maar het blijft ergens dubbel.

Germaanse volkeren als 't Nederlandse, zijn ook wat etnisch – en deels ook cultureel - “zuiverder” (sorry voor de dubieuze connotatie) dan “mijn” Mediterraanse landen Italië en Spanje, met veel meer historische etnische vermenging, en vooral in Spanje veelzijdig (Feniciërs, Basken, Kelten, Romeinen, Gothen, Berbers, Joden, zigeuners etc.). Dat “zuiverheid” denken wordt met zo’n historische mengelmoes lastiger.

Toen de Germanen naar Nederland kwamen woonden er al mensen (denk aan de pre-Saxische “hunebed” bouwers in Drenthe), maar het land is al met al relatief eenduidiger.

Die diepe verbondenheid met zijn Nederlandse roots schijnt door in Kaldenbach’s boek - tussen de regels door, zogezegd -, vooral in de (te) rooskleurige benadering van de Nederlandse volksaard, in vergelijking met andere culturen die daarmee negatief gekarakteriseerd worden: Nederlanders zijn eerlijker met meningen, maar ook in het schuld bekennen, terwijl die anderen (bijv. Marokkanen?)… liegend en bedriegend door het leven gaan?

Mogelijk is Kaldenbach’s oordeel vervormd door gesprekken met criminele Marokkaantjes – gepakt voor wetsovertreding - : die dus al verkeerd bezig waren. Die zijn niet per se representatief.

Kaldenbach verwart soms sociale positie met cultuur, en vergeet soms dat discriminatie bestaat. Nederlanders “durven te vragen naar promotie op hun werk”, stelt hij in een “tip”, terwijl mensen van buitenlandse afkomst in zo’n bedrijf dat niet durven, en door hard werken hopen promotie te maken.

Waarom zou dat nu zijn? Als je met de baas die “oer-connectie” deelt, tot hetzelfde volk behoort, dan ben je geen buitenstaander, maar een soort “insider”. Je kan wat meer maken en vragen.

Menig buitenlander - als buitenstaander - vreest vaak toch dat bij al teveel openlijke ambitie en uiting van een promotiewens in dat bedrijf, hij of zij als eerste weg moet bij een volgende ontslaggolf, juist vanwege teveel ambitie. Dat is dus meer sociaal dan cultureel.

Die subtiele discriminatie kennen Nederlanders in hun eigen land wat minder, en ontsnapte mogelijk ook de aandacht van Kaldenbach.

Ook Kaldenbach’s “tip” dat Nederlanders veel over het weer praten is dubieus. Dat is meer universeel, dan alleen typisch voor deze vochtige rivierdelta in NW Europa die Nederland heet. Ook in bijvoorbeeld het hete Andalusië in Zuid-Spanje, waar ik familie heb wonen, wordt over de hitte geklaagd, zelfs als niets nieuws onder de zon (ha!). Interessant feit: Zuidwest-Spanje - waar mijn "maternal roots" liggen - is formeel het warmste/heetste deel van gans Europa (over het jaar genomen).

Zoals Tom Waits terecht zong in zijn song Strange Weather: “Strangers talk only about the weather. All over the world, it’s the same..”

Andere “tips”, beschrijvingen van Nederlandse culturele gewoonten sneden wel wat meer hout, denk ik (precieze indeling van leven, ingehouden/rustig, geldgericht), in algemene, generaliserende zin dan.

Wat Cornelisse schrijft in ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ is óók vaak waar, maar meer op detailniveau, met meer psychologische diepgang. Soms lijken observaties futiel, maar toch grappig. Het steeds bredere gebruik van het oorspronkelijk existentiële woord “eigenlijk” in het Nederlands tot zoiets als: “ik was eigenlijk op zoek naar een krop sla”, in een groentewinkel.

Daar heeft ze veel leuke voorbeelden van, ook bij een woord als “toch”.

CALVINISTISCH

Ze vermoedt een calvinistische oorsprong veel gebruik van “toch”. In die protestantse interpretatie is de mens geboren met een erfzonde, als zondaar dus, die misschien door heel hard te werken/goed te doen mededogen van de Here God krijgt. In het katholicisme is er ook wel zoiets als een erfzonde, maar is het verder niet zo rigide. Hoe dan ook, vertelt Cornelisse, zegt dat “toch” dat we ondanks dat we zondaars zijn die altijd iets verplicht zijn in het calvinisme, we vandaag “toch” even gezellig en lekker zaten te eten, bijv.

Grappig en interessant, en elders verwijst ze ook naar een calvinistische invloed, zoals in relatie tot het woord “genieten”.

Daar is een parallel met het boekje van Kaldenbach, waarin hij het erin gestampte “genot is zondig” principe van het calvinisme/protestantisme noemt als verklaring van veel ingehouden cultureel gedrag van Nederlanders. Niet alleen bij praten, en feesten, maar ook qua kleding, eten, architectuur, etcetera.

Grappig genoeg zegt Cornelisse ongeveer hetzelfde in haar boek, ook in relatie tot “genieten", maar dan als taalkundig woord. Een citaat uit haar boek:

Het probleem met Nederlanders en genieten is natuurlijk dat we er te veel over nadenken. We mogen pas met vakantie als we er eerst hard voor gewerkt hebben. Een beloning zonder dat daar eerst voor geleden is, past niet bij onze calvinistische mentaliteit.”

Om dezelfde reden wordt het woord “genieten” vaker diffuus en algemeen gebruikt, terwijl het in andere talen vaak in relatie tot iets is: “enjoying the concert”, bijv. Ook in het Spaans, weet ik “Disfrutar (genieten) DE (van).. iets.. Het genieten staat in het Nederlands daarentegen meer op zichzelf.

CONCLUSIE

Beide boeken zijn lezenswaardig, en in verschillende mate leerzaam. Bij Kaldenbach kwamen veel cliché’s langs, maar ook enkele dingen waar ik nog niet aan heb gedacht. Ook wel enkele dingen die niet leerzaam zijn, omdat ze niet waar zijn, of te simplistisch.

Deels is er ook patriottische “wishful thinking” over zijn geliefde eigen Nederlandse volk. Ik kan hem dat verwijten, ware het niet dat zoveel mensen in de wereld dat hebben. Als “intercultureel adviseur” moet je daar (van die etnische oer-connectie) echter ook los van/boven kunnen staan, vind ik.

Cornelisse behandelt deels schijnbaar futiele zaken als woordkeuze en taalgrapjes - en humoristisch - , maar is al met al psychologisch leerzamer, met - nog veel meer dan bij Kaldenbach - dingen die ik nog niet zo opmerkte (soms wel aanvoelde). Wat ze schreef over “subtiele zelfverheerlijking”, bijvoorbeeld, bij persoonlijke gesprekken, en meer verhulde egotripjes en onzekerheden via taalgebruik.

Daar zit een “spel” met taal in, dat weer dat “ingehoudene” en sobere van Nederlanders (volgens Kaldenbach) juist tegen spreekt, maar wel weer “calvinistisch” gematigd en taalgericht (de Schrift, de Bijbel), en soms ook "berekenend" qua taalgebruik, in plaats van echt artistiek.

Een Franse leraar die ik ooit had, zei dat Fransen hun taal breedsprakiger en poëtischer praten en schrijven, dan meer pragmatische en zakelijke Nederlanders met hun taal. Datzelfde “breedsprakige” geldt op een iets andere manier ook wel voor die landen van mijn ouders (Italiaans, Spaans).

Dat is misschien nog wel waar, Nederlands wordt niet (evenmin als andere Germaanse talen) al te snel poëtisch gebruikt, maar “spelen met taal” is er wel degelijk, waardoor Cornelisse ook zo’n leuk boek kon schrijven.

De mens is van nature een sociaal wezen, maar ook een “spelend” wezen, zeg ik altijd maar. Daarom zijn ook al die verschillende culturen in deze wereld ontstaan..

donderdag 1 februari 2024

Net mensen en perspectief

Je kunt het gerust een “delicaat” thema noemen, in ieder geval een “beladen” thema: het Midden Oosten en Israël daarbinnen.

OPGROEIEND

Opgroeiend in Nederland, en het onderwijssysteem in Nederland, en ook de media, volgend, krijg je al jong beelden daarover mee. Ik had sinds kind al een interesse in andere landen, en zocht informatie over Afrika of andere gebieden op in de openbare bibliotheek, zodat er wel een soort balans in aandacht ontstond in mijn geval. Mijn ouders (vader Italiaans, moeder uit Spanje), bepaalden ook deels mijn geografische interesse, en maakten het wat breder.

Desalniettemin was er zover ik mij herinner altijd relatief veel aandacht voor Israël in het nieuws en journaal.. Latere politieke machinaties van de VS of andere Westerse machten eisten ook onze aandacht op in de richting van elders in het Midden Oosten, met name Irak en Iran.

Vanwege, zegt men, het schuldgevoel van Europa over de Holocaust was er ook veel aandacht in het onderwijs en de media over de Holocaust, de Tweede Wereldoorlog, het Joodse volk, en de staat Israël, hoewel die opvallend genoeg - hoewel frequent - ook vaak oppervlakkig bleef.

Ik kon dat eerlijk gezegd wel begrijpen, hoewel ik bezwaren bleef houden (zelfs als kind al) tegen de beperkte aandacht voor gebieden op de aarde die mijn interesse hadden gewekt (soms zelfs via muziek of een goed boek..of vriendinnen van mijn moeder), zoals in Afrika en Latijns-Amerika. Ook daar ontstond wel een balans toen de Apartheid in Zuid-Afrika een tijd wat meer aandacht kreeg, zoals in het nieuws.

VATBAAR

Terugkijkend ben ik nooit – zelfs niet als kind – een “vatbaar” iemand geweest. Ook niet vatbaar voor gekleurd (“biased” in het Engels) of “propaganda” nieuws.. als iets op bijv. televisie leugenachtigs was voelde ik het meestal wel ergens aan. Ik onderzocht zelf ook graag dingen, dat scheelt. Ik had een kritische, analytische geest.

Toch.., bij maar genoeg herhaling en “drammerigheid” raakte ook ik weleens beïnvloedt of van slag. Op mijn basisschool en middelbare school (beide – ooit – van katholieke signatuur, met nog wat resten ervan) was er aandacht voor de Tweede Wereldoorlog, met – eerlijk is eerlijk – voldoende aandacht voor de Jodenvervolging en Holocaust, en het onmenselijke Nazi-beleid. Wel was de rol van het verzet in Nederland wat groter voorgesteld in het geheel. Ik twijfelde ook toen, maar het beeld dat ik kreeg was dat toen de Duitsers onder het Nazi-bewind Nederland binnen vielen in 1940, alle Nederlanders meteen massaal in opstand kwamen. Toegegeven, het werd ook weer niet zo gesteld, maar de suggestie werd sterk gewekt. De waarheid is wat anders, weten we nu. Er was wat verzet van dappere mensen, maar vooral veel angst en lafheid – zelfs deels meegaandheid -, zoals vaker onder bezettingen.

GERELATIVEERD

Ook dat werd gelukkig in het onderwijs zelf gerelativeerd. Nadat ik eerst het beeld kreeg van Nederlands massaal slachtofferschap, maar toch verzet, tegen Duitsers, relativeerden leraren die ik ook had, en die echt geschiedenis hadden bestudeerd, dit al in een vroeg stadium. Ze legden uit dat het verzet eerder uitzonderlijk was, en de behandeling van Nederlanders door de Nazi’s relatief mild was, vergeleken met bijv. Polen, omdat Nederlanders een “Germaans broedervolk” volgens de Nazi-leer waren.

Een andere (geschiedenis)lerares die ik me als leuk herinner, een blonde Groningse die goed kon vertellen,op de middelbare school in Hoofddorp, haalde mijn laatste twijfel weg, met het wrange: “na de oorlog heeft iedereen in het verzet gezeten”.. Tijdens de Duitse bezetting viel dat helaas mee.. Of eigenlijk tegen..

Latere historische bronnen bevestigden inderdaad dat Duitse invallende soldaten instructies van hogere Nazi’s kregen om zich wat rustiger en milder op te stellen tegenover de mede-Germanen de Nederlanders, of in ieder geval (niet altijd succesvol) die schijn op te houden. Het bleef een bezettende macht.

Nederlanders waren toen relatief meegaand en hadden een gezagsgetrouwe, calvinistische traditie. Deze wisten de Nazi’s in hun voordeel uit te buiten door relatief veel Joden te kunnen opsporen en deporteren in Nederland, zelfs uit een stad als Amsterdam, met toen veel Joden, en zichzelf als stad toen al “dwars” en eigenzinnig vindend. Een pijnlijke episode in Nederland en Amsterdam, ook al kwam het meestal niet door diep racistisch antisemitisme en moordzucht onder gewone Nederlanders – hoewel dat Germaanse verwantschap (en superioriteit!) idee bij sommige Nederlanders (zoals NSB-ers) wel bestond –, maar toch vaker door, wel, laffe gezagsgetrouwheid. Er bestond iets van latent antisemitisme in Nederland, ook in Amsterdam onder niet-Joden, ondanks het relatief tolerante imago, met name flauwe grappen over vermeende geldzucht of onbetrouwbaarheid van Joden, dat wel, maar dat had je in meer landen.

OUDERS

Die relativering kwam dus vanzelf wel. Soms kom je de waarheid mondjesmaat te weten. In mijn geval speelden de landen waar mijn ouders vandaan kwamen ook een rol: een Noord-Italiaanse vader, en Zuid-Spaanse moeder. Ik wist dat de geschiedenis van Italië en Spanje ook verbonden waren aan het fascisme, en voelde mij daar wat onprettig bij, als al jong open en multicultureel iemand. Daarnaast geloofde ik toen nog dat Nederland (niet alleen Joden) massaal slachtoffer was van en in verzet ging tegen Duitse Nazi’s, en ik daardoor uit “foutere” landen kwam. Onzin, achteraf bekeken.

Mijn moeder was duidelijk links en progressief en anti-Franco (hoewel ze niet graag lang over politiek praatte). Ik denk dat ze teveel humor had en van het leven hield om teveel met politiek – zeker niet partijpolitiek - bezig te zijn, maar als ze er wat over zei, was het meestal pro-vrijheid “linksig”. Eigenlijk net als ik nu.. “can’t fight genetics”, haha

Mussolini, de Italiaanse uitvinder van het fascisme, werd ook nooit positief besproken, ook niet door mijn vader. Hij herinnerde zich van de laatste jaren van het fascisme in Italië (toen hij kind was) dat er een nare, strenge sfeer heerste, veel soldaten op straat, en dat hij de fascistische groet moest geven op school, aan leraren. Niet lang daarna zette echter de democratie in, in Italië, - en economische groei -, en probeerden de Italianen te doen alsof er niets gebeurd was.

In Spanje bleef er een fascistoïde dictatuur onder generaal Franco tot 1975. Franco verbond zich wat losjes aan Hitler en Mussolini, en hun militaire hulp hielp hem uiteindelijk in 1939 aan de macht, maar hij opereerde wat strategischer en “slimmer” door zich ook weer niet te direct aan hen te verbinden, en toch een beetje diensten te verlenen aan geallieerde landen als de VS .. om zo dus niet meteen met zijn fascistische collega’s elders in Europa onder te gaan. Zo overleefde hij de Tweede Wereldoorlog: door zich er buiten weten te houden..

Binnenlands in Spanje, mengde Franco aspecten van Mussoliniaans fascisme met oerconservatieve Spaanse katholieke tradities, waardoor hij een breder deel van conservatief Spanje koest hield dat niet wist wat fascisme was, zogezegd, mogelijk mede geholpen door anti-communistische, en pro-regime propaganda. En, uiteraard, zoals in elke dictatuur, een repressie-apparaat: veel soldaten en politie op straat, censuur, en rechten ontnemen aan burgers: tegen de overheid kon je weinig beginnen.

Dat verklaart mede het eigenlijk wel schokkende feit dat mijn moeder er pas achter kwam dat die Holocaust (inclusief concentratiekampen) had plaats gevonden toen ze rond 1966 naar Nederland kwam. Spanje onder Franco onderwees dat niet. Hitler was een voormalige bondgenoot, zal een reden zijn. Er was ook weer niet een verering van Nazisme of (direct) anti-semitisme in het Spaanse onderwijs toen: thema’s waren eerder beperkt en binnenlands gericht (nationalistisch, maar niet echt een rassenleer). Het antisemitisme bestond in Spanje ook, en uitte het zich in handelsland Nederland in vooroordelen over vermeende geldzucht van Joden, in Spanje vooral in de aloude mythe onder Christenen/katholieken dat “de Joden Jezus hadden vermoord”.. Domme onzin, natuurlijk: Jezus was uiteraard Jood onder Joden.. Verraden door zijn eigen mensen, eerder..

Heel af en toe werd het wel pervers: mijn moeder vertelde dat in het staatsnieuws voor films in bioscopen in Spanje (rond de verjaar- of sterfdag van Hitler of Mussolini) ooit te zien was dat Franco als katholiek in een kerk een zegen uitsprak voor Hitler en Mussolini. Later zag ze in hoe absurd en immoreel dat was.

(foto boven: ik als begin-tiener met mij ouders in Andalusië, Spanje, rond eind 1980s).

Spanjaarden werden toen zoveel mogelijk dom gehouden, en die namen Hitler en Mussolini waren voor velen onder hen vage namen uit buitenland en historie: net als je nu tegen Nederlanders Hindenburg of Jaruzelski noemt. Schandalige, ideologische geschiedvervalsing uiteraard, maar veel verder ging die aandacht niet. Franco poogde Spanje in zijn eigen ideologische, rechts-conservatieve wereld op te sluiten. Een nationale wereld die uiteraard voordelig was voor de “powers that be” in het land, de staat, maar ook (regime-steunende) werkgevers en grote bedrijven, grootgrondbezitters, en de andere rijken, die in zo’n dictatuur (met rechteloze arbeiders) makkelijker mensen konden uitbuiten. Mijn moeder “voelde” dat, vertelde ze. Dat noemen we ook wel “onderdrukking”.

Als “linkse tante” was mijn moeder later voorspelbaar kritisch over de Israëlische bezetting van Palestijns gebied, maar zag dat – zoals ze vaker deed – vooral in termen van rijk tegen arm. Op andere punten (positie van de vrouw met name) was ze echter weer kritisch over aspecten van de Islam, maar dat was ze ook over het katholicisme.

LUYENDIJK

Ik vertel dit allemaal, “where I come from” zeg maar, omdat ik met dit verleden in mijn hoofd, pas een interessant boek heb gelezen, relevant voor dit thema: door voormalig journalist/correspondent in het Midden Oosten (w.o. Israël) Joris Luyendijk. Luyendijk beschreef zijn ervaringen in het Midden Oosten in het goed leesbare boek ‘Het zijn net mensen’, eerst uitgegeven in 2006.

Die ervaringen waren met name van 1998 tot 2003. De titel geeft al een beetje aan dat hij aandacht heeft over perspectief en vooroordelen bij een Westerse (Nederlandse) journalist als hij.

Ik zag de schrijver Joris Luyendijk ook weleens op televisie. Het was iemand die goed en prettig relativerend kon vertellen (vooral over de Arabische wereld), en ook als presentator van VPRO Zomergasten (in 2006 en 2007) dat ik regelmatig keek, vond ik hem veelal ook geslaagd. Aan dit boek ‘Het zijn net mensen’ was ik echter tot voor kort niet toegekomen.

Het Israël-Palestina conflict en andere problemen in het Midden-Oosten spelen anno 2024 uiteraard nog steeds – hoewel recentelijk tijdelijk concurrerend met die rare “covid psychose” tussen 2020 en 2023.

Vanaf met name 2022 mochten andere thema’s weer meer prioriteit krijgen, en daar zaten helaas ook dramatische ontwikkelingen bij. Geografisch werden deels de oude specialiteiten weer hervat (zoals Israël), naast bijvoorbeeld Oekraïne, en de luchtaanval op ziekenhuis in Gaza (door Israël bezet Palestijns gebied) leidde eind 2023 tot veel verontwaardiging.

CORRESPONDENTSCHAP

Luyendijk beschrijft zijn ervaringen van de periode 1998 tot 2003, toen hij de Arabische wereld “coverde” als correspondent, of een deel ervan, voor de Volkskrant en NRC, en de televisie. Zijn standplaatsen waren eerst Caïro in Egypte – waar hij al eerder voor zijn sociaal-wetenschappelijke studie (antropologie) verbleef -, en daarna Beiroet en Oost-Jeruzalem. Hij richtte zich dus eerst op Egypte en de Arabische wereld, later op Israël, en aan het eind van zijn correspondentschap op Irak, binnengevallen door de VS.

Als sociale wetenschapper van buiten de journalistiek was Luyendijk verbaasd – veelal onaangenaam verrast – door die journalistiek, i.c. de werkwijzen. De moeilijkheid ervan in Arabische dictaturen, en de afhankelijkheid van gestructureerde, internationale nieuwsfilters en stroomlijning.

Hij legt goed uit in dit boek dat in de Arabische dictaturen met sterke, bijna totalitaire repressie, vrije nieuwsgaring, of gewoon de eerlijke mening van mensen vragen, moeilijk werd gemaakt. Dit noodde bijvoorbeeld tot anoniem maken van geciteerde bronnen, om mensen niet in problemen te brengen met staatsagenten en geheime diensten. Dit maakte achtergrondartikelen ook een uitdaging vol afgeleide informatie, legt Luyendijk boeiend uit. Beeldend beschrijft hij - in meer dan een opzicht -moeizame gesprekken.

Het woord “perspectief” is voor dit boek erg belangrijk, wat al blijkt uit de titel Het Zijn Net Mensen. Zijn ervaringen in Egypte en elders botsten vaak met simplistische stereotypen die in het Westen bestonden over de Arabische wereld (eerst ook bij Luyendijk zelf), vaak overigens gevoed door partijdige – of beperkte – media. Dit betrof niet alleen politiek, maar ook cultuur en het dagelijkse leven.

De Arabische wereld is intern veel gevarieerder dan mensen denken, dat ten eerste. Verder: de aanwezigheid van “humor” onder Arabieren, moppen over anderen uit een bepaalde streek, maar ook zelfspot, ontbraken niet, en evenmin andere speelse flexibiliteit. Dit leek hem te verbazen.

MANIPULATIE

Het heeft deels met cultureel onbegrip – of vooroordelen - te maken, maar ook met partijdigheid en gestuurde belangen. Propaganda-apparaten die nieuws naar hun eigen voordeel kleuren waren er aan beide kanten, vanuit die dictaturen, maar ook bij “democratische” Westerse media. De ene anti-Amerikaans/-Westers (of –Israël), de ander pro-Amerikaans/-Westers (of –Israël), heel grof samengevat.

Vanuit deze wisselwerking tussen cultureel onbegrip, gebrek aan kennis over de geschiedenis van de regio (en van conflicten), en mediasturing/manipulatie, ontstond dan een beeld in de Westerse media, ook in de Nederlandse en bij het Nederlandse publiek.

Joris Luyendijk beschrijft hoe hij dat beeld, met moeite en beperkingen, probeerde bij te sturen met zijn stukken en bijdragen richten de werkelijke situatie onder Arabieren en in Israël.

Bij de gestuurde, “gelikte”, en geoliede propaganda of PR-machines om de journalistiek te “informeren” – en eigenlijk te binden – van de Israëlische autoriteiten, en later de VS/het Pentagon (bij de inval in Irak), staken schril af de amateuristische pogingen onder Palestijnen, en helemaal de loze, voorspelbare anti-Westerse propaganda van ondemocratische, onderdrukkende Arabische regimes, of nog erger, maar marginaler, anti-Joodse scheldpartijen, "rants", of beschuldigingen, met zowel oude economische als oude religieuze antisemitische ideeën op herhaling, maar nu door Arabieren.

Zelfs als Palestijnen in bezette gebieden toch echt vooral het slachtoffer waren en de onderliggende partij, kwam dat leed vooral op beeldgerichte televisie, PR-technisch slecht over. Het Arabische taboe op openbaar kwetsbaarheid en zwakte tonen (cultureel beperkt tot privé-sfeer), wordt in Europa, sinds ik schat zo in de hippie-tijd en 1970s (en “praatgroepen”, sociale academies) -, minder begrepen in modern Europa, waardoor het beeld van gevoelloze, Joden-hatende fanatici er soms onterecht stand houdt. Dictatoriale trekken bij Palestijnse leiders en de Hamas, bemoeilijken ook de vrije nieuwsgaring en meningsuiting, wat Luyendijk al eerder ook al in Arabische dictaturen, in nog extremere mate, merkte.

Duidelijk een cultureel en contextueel verschil, maar uitgebuit vanwege partijdigheid, en de pro-Israël (en pro-Westen) focus in ook Nederlandse media kon Luyendijk niet ontkennen. Joodse en Israëlische persvoorlichters kenden de Europese cultuur beter, en konden beter inspelen op Westerse karaktertrekken om hun kant van het verhaal te bevoordelen. Serene, rustige begrafenissen en rouwprocessen – met beperkte hysterie. Wat meer genuanceerde, of althans schijnbaar redelijk geuite, verontwaardiging of bezwaren, van toch ook Europeser lijkende Joden, leidde makkelijker tot identificatie bij Europeanen.

Luyendijk leerde hierover – de meerdere “filters” - tussen het echte nieuws en gekleurde perspectieven en belangen - gaandeweg steeds beter, en daarvan doet dit boek boeiend verslag, alsmede over zijn toegenomen begrip over wat leven onder zo’n dictatuur en bezetting in de praktijk nu echt inhoudt, ook voor gewone Arabieren. Veel angst en omkoping in dictaturen, onder andere. Veel onduidelijkheid en verwarring ook, en ook zelfbeperking. Die zelfbeperking volgend op angst leidt ook psychologisch tot allerlei neurosen of stoornissen als ontkenning of vluchtgedrag, en negatief afreageren op anderen, projectie, etcetera.

Dat kun je zo kil medicaliseren en pathologiseren. Mooier is het - en dat doet Luyendijk toch ook in het boek -, om dat gewoon als een al te menselijke reactie te zien op onrecht, onderdrukking, terreur, of oorlog. Mogelijk vanuit een andere cultuur die we niet meteen begrijpen, een armoediger samenleving, en een andere, complexe geschiedenis, die soms moeilijk uit te leggen is… maar van mensen als jij en ik.. Zonder bij voorbaat een kant te kiezen.

AFGESTOMPT

Luyendijk gaf aan dat hij deze correspondentenperiode afsloot omdat hij merkte “afgestompt” te raken te midden van gevolgen van oorlog, bezetting, conflicten en terreur.

Inderdaad een van de uitdagingen in het leven van ieder persoon: niet afgestompt raken. Niet de nieuwsgierigheid en empathie verliezen, meestal gepaard gaand met een grauwer gebruik van zintuigen, en een uitgeschakeld gevoel. Die afstomping voorkom je denk ik door je bezig te houden met positieve en mooie dingen, wat moeilijker wordt, immers, omgeven door negatieve en lelijke dingen als oorlog, geweld, gebrek, haat, en terreurdreiging.

Luyendijk was dat wijselijk redelijk voor, en kon zich blijkbaar de luxe van stoppen met zijn baan veroorloven, in die positie, en ook als iemand met “7 vinkjes” voor maatschappelijk succes, zoals hijzelf in een later boek schreef (Zeven Vinkjes). Die 7 vinkjes zijnde, wit, autochtoon, man, hetero, hoog opgeleid met hoog-opgeleide ouders, en nog wat meer (Randstad, ABN-sprekend).. geprivilegieerd dus. Wat ikzelf wel als goede graadmeter van privilege in een samenleving zie is of je zelf “wilt” stoppen met ergens te werken, of dat je ergens “moet” stoppen met werken. Onmacht dus. Verwant hieraan definieerde James Brown “soul” (zowel een muziekgenre, als kwaliteit in alle zwarte muziek) als the word “can’t”..

Luyendijk wilde en kon makkelijk weg vanuit dat 7 vinkjes-privilege, denkelijk voor iets beters elders (later schreef hij over de financiële wereld in het “wall street” van Europa: de London City), maar het leek mij een begrijpelijke keuze, zoals hij vertelt over de gewenning die afstomping werd, en die nooit goed is..

REFLECTIE

Luyendijk maakte de manipulatie van nieuws en “filters” ervoor duidelijk, ook in praktische zin, alsmede de belangen die er speelden. Mijn inschatting is dat het (het verhulde eigenbelang en de verhulde propaganda) sindsdien niet verbeterd of zelfs alleen maar erger is geworden in het zelfverklaarde vrije Westen, zoals de recente covid-hype liet zien, mede door toenemende machtsconcentratie in de media, en voortdurende ongelijke economische en militaire macht .

De vraag drong zich na het lezen van dit boek aan mij op, daar ik mij zelf eerder in de stuk als “nooit erg vatbaar” beschreef.. Ik denk althans van mijzelf dat ik een goede intuïtie voor leugenachtigheid heb, ook qua propaganda of nieuws. Mogelijk borstklopperij of mijn eigen ego strelend, en herinner ik mij opzettelijk vooral die keren dat mijn intuïtie bevestigd werd.

De kritische geluiden tegen de Israëlische onderdrukking van Palestijnen kende ik van Linkse kringen, soms ook in mijn nabije omgeving, maar ook de angst voor Islamitisch terreur. Misschien bevat een wat abstracte, maar simpele “rijk tegen arm” verklaring – zoals mijn moeder die gaf – meer wijsheid dan ik dacht. Luyendijk beschreef hoe veel geld hebben (Israël, VS, Europa) ook uitgebreide, professionele mediamanipulatie veel beter faciliteert, inclusief toegang.

De arm-rijk verklaring lijkt wat “klassenstrijd/Marxistisch”-achtig maar relativeert daarom juist het culturele ongemak dat de Arabische cultuur en de Islam soms oproepen, zoals de macho waarden, de positie van de vrouw, hysterie (je kunt ook vriendelijker zeggen: warmbloediger of temperamentvoller), en agressie en geweld. Deels ook bij mij, geef ik toe. Ik probeer dat te relativeren middels economische en vooral onderwijsverschillen, maar ook psychologische kennis die ik mettertijd opdeed.

Agressief pratende mensen die “stoer” doen, schelden, en gewelddadige bedreigingen uiten – of zelfs alleen maar druk/”hysterisch” zijn, doen inderdaad “stoer”, maar zijn ook vaak “in paniek”, “wanhopig”, en gepijnigd door trauma’s door onderdrukking en geweld, die zo overschreeuwd worden. Ze zitten “vast”. Dat kan, in ieder geval. Iemand zich zo “intimiderend” gedragend kan uiteraard even goed vol met haat en rancune zitten, zonder goede reden, maar uit onzekerheid of negatieve bewijsdrang zo zijn, als een soort gangster of crimineel. Een blik in de ogen en waarneming van houding is veelal genoeg, om te merken of iemand, zoals ik in een Reggae-liedje (Nah Tarry Ya, van Admiral Tibet) hoorde, is “ you a man of peace, or a man of war (?)..”

Wat ik mede van mijn moeder’s verhalen, levend onder de Franco-dictatuur, begreep was inderdaad het gevoel van “rechteloosheid” dat Luyendijk ook noemt als het gevoel onder een corrupte dictatuur, zoals in Arabische landen: het recht krijgt immers geen beloop, tegen machtige groepen die je benadelen of weg willen hebben. Dictaturen willen mensen rechteloos en ook dom houden, toch geldend als “verzachtende omstandigheden” als mensen hun ongenoegen iets anders uiten dan in open, vrije samenlevingen.

Veel verklikkers en verraders in dictaturen ook, en mijn moeder had het over “enchufes”, als woord voor vriendjespolitiek/nepotisme met belangrijke functies en banen voor regime-getrouwe mensen. Het Spaanse woord “enchufe” is te vertalen als “aansluiting” Of “connectie/plug-in” (voor een functie dus), en vond ik hier wel grappig omdat het een van die Arabische leenwoorden in de Spaanse taal is, namelijk volgens etymologen afgeleid van het Arabische “jawf” (maag). Dit werd dus “enchufe”, werkwoord “enchufar” in het Spaans.

Een van de punten in dit boek van Luyendijk is juist dat dit soort noodzakelijke contextualiseringen in het Westerse nieuws wat minder gegeven wordt bij Arabieren en Palestijnen, dan bij Israeliërs die hun (terechte) zorgen over terreur delen, en helemaal bij Westerlingen, of aan de kant van de VS. In de belangrijkste Westerse media werden het “Hollywood”-achtige militaire VS-perspectief uitgedragen van de militaire invasie van Irak en bijbehorende problemen (nu ook weer mbt Oekraïne). Met soms wat nuances of tegenspraak. Destijds waren de mainstream media in Nederland iets democratischer (meer debatten met tegenstanders) dan later tijdens de coronacrisis. Daar blijkt uit – filosofisch interessant – dat de realiteit complex en veelzijdig is (dictatuur, armoede, oorlog), maar leugens (w.o. media-hype’s) opvallend eenduidig en eenvormig. Veel ooit zogenaamd kritische, dwarse denkers namen immers opeens zinloze injecties/”vaccins”, bleven desgewenst thuis, en deden even zinloze maskertjes op. Even was de leugen sneller, haha.

CONTROLE

Ik definieer “trauma” deels als onvermogen (of weer: onmacht), en “de controle kwijt zijn”, t.o.v. pijn veroorzaakt door machtiger partijen. Dat doet pijn en dehumaniseert. Wat in Nederlandse, nuchtere ogen lijkt op “hysterie” onder bijvoorbeeld Arabieren, lijkt soms echter ook op “zichzelf niet onder controle hebben”. Dat roept ons wantrouwen op, en maakt wat onzeker en bang, vooral bij zich macho gedragende mannen. Zo oppervlakkig is het mediabeeld helaas, en vaak onterecht. Het voorbeeld van mensen als Martin Luther King, en Nelson Mandela laten daarentegen zien dat jezelf “toch onder controle houden” (al wordt je leven en alles wat je hebt bedreigd en onderdrukt) waardig en wijs is, en inspirerend blijft, naast ook “mediageniek” genoeg. Ook Malcolm X, iets strijdbaarder en moslim, kon in talkshows beheerst en intelligent debatten voeren met blanken en tegenstanders, zonder ongenuanceerde of onbewezen “onzin te praten” of loze, generaliserende beledigingen. Dat kwam bij weldenkende, niet vooringenomen mensen goed over.

Mogelijk zijn iets meer “vrouwelijke” waarden van zorg, communicatie,en gelijkwaardigheid - die meer een balans vonden met mannelijke in de Afrikaanse en Afro-Amerikaanse culturen -, hier nuttig voor Arabieren. Daarnaast vereist dat ook een open debat in een open, democratische samenleving waarin veel Arabieren, en zeker niet Iraqi’s onder Saddam Hussein’s onvrije dictatuur, simpelweg niet leefden.

Helaas bijt de pro-mannelijkheid focus van de Koran en Islam (naar huidige maatstaven) zich hier in de staart bij Islamitisch protest tegen het Westen.. die vrouwonvriendelijkheid is er ook ook in de Bijbel (vrouwen krijgen zelfs onterecht de schuld van dingen), maar die is gerelativeerd in het latere, vrijere Christendom. De Jamaicaanse Rastafari-aanhanger en dichter Mutabaruka stelde ooit dat die “heilige boeken” als de Koran en Bijbel geschreven zijn door “onzekere mannen”, die vrouwen op hun plaats wilden zetten (naast andere dingen), reden waarom hij er wat afstand van nam in zijn interpretatie van Rastafari.

Evenwel, alleen als je je in welvaart en in vrijheid als individu kunt ontwikkelen, heb je nog de “luxe”, of beter: ruimte, voor een vrije, aangepaste interpretatie van wat anderen “heilig” noemen. Normen en waarden, vrij leven. Zo is dat in het Westen gebeurd sinds de 1960s met het Christendom. Democratie speelde daarbij een rol, vrij onderwijs, emancipatie richting individuele vrijheid, vrouwenemancipatie, maar toch ook welvaart: niet alleen maar hoeven te overleven en strijden, maar ook gewoon leven, leren, en liefhebben. Had mijn moeder met haar (weer gewoon) “rijk tegen arm” over het Palestina-conflict toch in de kern gelijk..

De Arabische dictaturen die Luyendijk in dit boek beschrijft – met censuur en controle, en andere onderdrukkende omstandigheden en politiestaten, zoals de bezetting van Palestijns gebied, of overheersend oorlogsgeweld van de VS tegen Irak, bemoeilijken die “zelfcontrole” of “zelfverbetering voor het grotere goed” bij individuele leiders, zichzelf verbonden hebbend aan corrupte macht. Dat geldt echter ook voor die mediamanipulatie door autoritaire of belanghebbende partijen (aan beide zijden, maar zeker ook de Westerse), waardoor andere kanten van het verhaal, zelfs als er charismatische, inspirerende en overtuigende woordvoerders van zijn, gewoon minder toegang of kans krijgen.. Een treffende illustratie van hoe vrijheid en gelijkheid gerelateerd zijn.

Ik kon me altijd voorstellen dat Joden een eigen, onafhankelijk land wilden, en dat kan ik me nog, vanuit de geschiedenis. Van mij mag het, en het is niet eens onzin. Ik ben een voorstander van gezond, open nationalisme, verbonden aan cultuur/geloof, van ieder volk, dat geen andere volkeren lastig - of binnen - valt. Leuk voor de variatie ook: er bestaan immers al meerdere “Arabische” landen, dus een Joodse mag er ook bij. Dat is de “wat” kant. Verder zitten er alleen meerdere kanten aan het verhaal - met name de “hoe” kant - die het voor mij soms moeilijker maken een kant te kiezen, vooral als het nieuws onbetrouwbaar is.. Dit laatste bleek uit dit goed leesbare en leerzame boek Het Zijn Net Mensen (2006) van Joris Luyendijk.

Toegegeven, we zitten nu een tijd verder in een tijd van Internet en meer alternatieve media. De menselijke neiging om alles in het eigen voordeel en eigenbelang te manipuleren moet echter niet onderschat worden - ook niet in die alternatieve media -, vaak door middel van een quasi-beredeneerde ideologie of religie. De drammerige poging tot "verrechtsing" van het op zich legitieme coronaverzet - even kritische mensen uit de progressieve hoek (met soms meer systeemkritiek) als George Van Houts of Ewald Engelen negerend - is daar een recent voorbeeld van.

Alles neutraal van alle kanten bekijkend - en gewoon toegeven als we iets niet weten - lijkt mij dan het wijste, en dat zegt eigenlijk ook Joris Luyendijk in dit boek.. Aan de andere kant wist ik dat al een tijdje..

dinsdag 2 mei 2023

Simon Carmiggelt

Simon Carmiggelt (1913-1987) was een bijzondere Nederlandse auteur, maar is ook één van die “televisie-herinneringen” voor veel mensen. Zonder twijfel is dat een “generatie-ding”. Tot in de 1980s heb ik nog bewust zijn zogenaamde ‘kronkels’ op televisie gezien: voorgelezen verhaaltjes, anekdotisch, meestal poetisch. Iemand – mogelijk hijzelf – noemde deze treffend “schetsen”, wat ik een mooie aanduiding vind. Alledaagse taferelen en gesprekken, maar toch met een diepere laag. In 1987 was zijn laatste tv-uitzending en “kronkel”. Hij was echter al veel langer op tv, ook in de jaren 70 bij de VARA.

SOCIAAL-DEMOCRATISCH

Carmiggelt is geboren in Den Haag. Of hij een “Hagenaar” – uit een rijk deel/rijke familie – of een “Hagenees” – uit een armer deel of armere familie – weet ik eigenlijk niet. Hij zat in ieder geval veelal in de “linkse”, sociaal-democratische hoek – kwam ook uit zo’n nest -, en schreef zijn stukken (“kronkels” of “schetsen”) dan ook een flink deel van zijn leven voor sociaal-democratische kranten als Vooruit, deel van Het Volk, en later dus voor het Parool. Hij deed ook (kritisch) verslag van het fascisme in Nederland vóór de oorlog, de NSB van Mussert en kleinere clubs.

Hij verzette zich al steeds meer tegen de Nazi’s, na de bezetting in 1940, onder meer via heimelijk verzetswerk - dus bleef kritisch. Ook werd hij ontslagen omdat hij weigerde de "Ariër-verklaring" te tekenen. Voorzichtig (want hij had een gezin) was hij dus rebels. Zijn indirecte betrokkenheid bij oprichting van verzetsblad het Parool, en de verspreiding ervan, deden hem uiteindelijk opgepakt worden. Dat latere verzetswerk voor het Parool in de oorlogsjaren, deden Carmiggelt uiteindelijk ook in Amsterdam belanden en ook blijven.

Puur naar de manier kijkend waarop hij in Amsterdam terecht kwam, deels toeval, deels keuze, en op dezelfde leeftijd (we waren beide rond de 29 jaar oud, toen we naar Amsterdam kwamen), herken ik mijzelf wel in Carmiggelt, zij het in een totaal andere tijd, en ik kwam uit een klein Noord-Holland’s dorp, hij uit Den Haag. Net als ik had hij een nuttige “blik van buiten” op de hoofdstad, die soms van zelfgenoegzaamheid aan elkaar hangt, maar ook fascineert door de variatie, drukte, en gekte. Verder “hingen” we wel grotendeels in andere kringen, maar dat even terzijde.

Op zijn minst sympathiseerde hij voorts met de onderklasse, of hij nu wel hun ontberingen kende uit ervaring, of niet: dat laatste komt immers zo vaak voor. Arme arbeiders houden minder tijd en energie over na hun zware, vaak geestdodende werk dienend om alleen maar rond te komen, voor iets als schrijven, kunst maken, of zelfs filosoferen over hun levenssituatie. ‘Erst das Fressen, dann die Moral’, dixit Berthold Brecht.

Ik herinner mij dat Carmiggelt’s “kronkels” mij aanspraken: de droge, doch plezierig-relativerende manier waarop hij ze voorlas, en de verhalen zelf. Vaak gingen die verhalen over een stad, de grote stad, Amsterdam, zo’n 20 km van waar ik toen woonde. Vaak in kroegen. Niet eens zo ver, maar moeilijk bereikbaar voor mij op die leeftijd, en een andere, fascinerende, spannende grootstedelijke wereld.

KROEG

Of het een reëel beeld was, betwijfel ik nu, maar ik had een beeld van Amsterdamse, specifiek Jordanese, “bruine” kroegen waar eigenzinnige, grappige types rondhingen, met die typisch Amsterdamse “bijdehante” humor, en zelfs voor noordelijke streken toch aardig wat “Napolitaanse” zanglust, imitatie of niet.

Mijn moeder vertelde mij ooit een leuk verhaal. Vertaald uit het Spaans zei ze het zo: “je vader nam me een keer mee naar zo’n Jordanese, Amsterdamse kroeg, sommige dronken mensen zongen mee..”..

Ik kon eruit niet opmaken of ze het leuk vond. Hoe ze het formuleerde was het iets als “het was blijkbaar nodig”. Mogelijk verstond ze toen ook weinig. Vrijheid is altijd beter – zelfs vrijheid met “slechte” of andere smaak – zal ze waarschijnlijk gedacht hebben, immers na het cynisme, de repressie, en de leugenachtigheid, in het Spanje onder het (fascistische) Franco regime, dat ze pas verlaten had.

Een wat meer en eerder geïntegreerde Italiaan – die al aardig wat Nederlands sprak – wilde even zijn kersverse Spaanse vrouw helpen integreren en Nederland begrijpen. Dat vond ik eigenlijk het mooiste van dit verhaal. Een soort ongemakkelijk geuite liefde.

Welnu, zo’n verhaal van mijn moeder, maar dan met meer “dialoog”, zou ook een verhaal, een “kronkel” van Carmiggelt kunnen zijn.

PRAATGROEPEN

Hij schreef weliswaar vooral over wat oudere Nederlandse, wat burgerlijk levende, mensen – wel vaak echtparen -, maar qua thematiek en setting waren er overeenkomsten. Ook de “ongemakkelijk geuite liefde” is terugkerend is in Carmiggelt’s verhalen.

Het was ook de tijd toen mannen moeilijker open over gevoelens praten, zeker van wat oudere generaties, zoals mijn vader, en de echtgenoten, kroegtijgers, en oude vaders die Carmiggelt’s verhalen bevolken.

Die hadden de jaren 70 hippie en “flower power” tijd niet echt meegemaakt. De “praatgroepen”, de “feminisering” van mannen, zoals schrijver Stephan Sanders dat eens beschreef, van de commune’s en progressiever onderwijs; dat had nog weinig invloed op mannen van deze oudere generatie. Mannen moesten mannen zijn, werken, en stoer doen. Niet in elk geval hetzelfde als liefdeloos zijn, maar wel vaak zakelijk en afstandelijk.

Over die moeizame gesprekken en uitingen tussen mensen, en vaak ook man en vrouw, gingen veel van Carmiggelt’s “schetsen”. Dit analyseer ik op basis van een grote steekproef van zijn verhalen.

THEMA’S

Een diepere, maatschappelijke betekenis, richting het abstracte, vermeed Carmiggelt vaak, merkte ik. Uitbuiting, armoede, vervolging, als thema’s dienen wel regelmatig als referentie voor de “schets” van personen en situaties. Soms ook heel mooi en subtiel, vind ik, zoals hij via een bepaalde woordkeuze toch naar onrecht of misstanden verwijst, vanuit het alledaagse. Menselijke relaties en “eenzaamheid” blijven daarbij echter toch hoofdthema’s.

Elders op dit blog maak ik wel het onderscheid tussen schrijvers goed in “denkprocessen” en directe communicatie, en die beter in sfeer- en beeldschetsen, in het visualiseren.

Carmiggelt is duidelijk van de eerste categorie. Hij beschrijft gesprekken tussen mensen, voornamelijk. De settings waar deze plaatsvinden worden wel genoemd maar niet beschreven, of slechts heel schetsmatig. Het gaat hem om de menselijke relaties in die setting.

Een licht-formele toon was Carmiggelt niet vreemd. Beleefde aanspreekvormen, maar ook formeel ten aanzien van instituties. Dit diende denk ik onbewust om zijn gevoel er buiten te houden, of in ieder geval te beperken: zo van: “ik verlies mij hier niet in loze emotie, maar houd het zakelijk..”. Hetzelfde doel diende de soms wat archaïsche woordkeuze.

DROOGKOMISCH

Net zo “droog” als hij de gesprekken of gedragingen optekent of beschrijft. Echter: hier is Carmiggelt wat speelser en vrijer in zijn beschrijvingen, met meer ruimte voor gevoelens.

Vaak ook humoristisch en droogkomisch, zulke nevenbeschouwingen. Zoals het noemen in een van zijn verhalen in de bundel getiteld ‘Weet Ik Veel’ (typische titel) van een vroegere schoolgenoot, die Carmiggelt als spreker wilde boeken. Carmiggelt had weinig herinneringen aan hem, maar hij merkte dat de schoolgenoot zo enthousiast over die middelbare school-tijd sprak dat hij, zo dacht hij, “daarna nooit meer iets leuks had meegemaakt”. Daar moest ik om lachen.

Het was ook een grappige en herkenbare observatie, maar zo heeft hij er aardig wat door zijn “schetsen”. Ik had regelmatig glimlach-momenten, zelfs af en toe “hardop lach” momenten.

Iets ertussen in had ik bij weer zo’n droogkomische beschrijving van Carmiggelt, ook in de bundel Weet Ik Veel. Een man komt een café binnen en noemt een naam, en of die van de eigenaar achter de bar was. Carmiggelt beschreef hoe de kastelein “zonder geestdrift” hierop zei “dat ben ik”.

Een klein, maar grappig detail, want herkenbaar. Een nuchtere, Amsterdamse Nederlandse man, bijna-mompelend en op rustige toon, zonder stemverheffing: “dat ben ik”.

Die woorden “zonder geestdrift” zijn des te genialer gekozen, omdat het toch raar is als iemand je vraagt “ben je.. (en dan je hele naam)..”. Zelfs voor een bareigenaar, want die kent men hoogstens van voornaam. Dat er geen geestdrift is toch wel noemenswaardig.

Met veelal als achtergrond Amsterdam, en in die tijd, speelde de oorlog uiteraard een rol in een deel van zijn “kronkels”, maatschappelijke problemen en ongelijkheid ook in vele “schetsen” direct of indirect, maar toch.. Het ging vooral om het alledaagse optekenen, en menselijke relaties.

ALLEDAAGSE MENSEN

Die alledaagse, menselijke relaties dienen eigenlijk niet als middel of “handvat” voor een ideologie, ook niet de “socialistische”. Dat is in Carmiggelt te prijzen: hij blijft de concrete, complexe mens zien, geen geabstraheerd “middel” of “functioneel wezen”, immers een voorbode van nog gevaarlijker ontmenselijking.

Daar komen de lessen terug die hij als jongeling leerde in de jaren 30 vóór de Tweede Wereldoorlog, verslag doend als journalist voor het socialistische blad Vooruit, bij bijeenkomsten van de NSB en verwante fascisten in Nederland. De geuite ideologieën en leuzen op zulke bijeenkomsten waren bepaald totalitair: “men wilde het volk gelukkig maken”, tekende Carmiggelt op. Wijselijk leerde hij hiervan dat zulke politieke “beloften ”het volk gelukkig te maken” kwaadaardig zijn en te wantrouwen.

Het is bovendien nogal collectivistisch, wat iets is dat fascisme met communisme deelt, en andere totalitaire systemen. Het cijfert het individu weg. Mogelijk dat daarom Carmiggelt zo alledaags en intermenselijk gericht was in zijn “kronkels”. Gewone mensen die leven op hun manier. Psychologie in plaats van sociologie..

Carmiggelt schrijft daar goed over, onderhoudend en creatief, vaak geestig. Dat wil echter niet zeggen dat ik alle mensen die zijn kronkels bevolken even sympathiek vind. Er zitten schatten bij, maar ook cynische egoïsten, en alles ertussen in.

Dat klopt echter ook, want een doorsnede van Amsterdam. Dat harde, ongevoelige in het karakter van sommige Amsterdammers weerspiegelt de anonieme, koude, en drukke stad. Tegelijkertijd is er in zo’n kille context altijd de zoektocht naar liefde en menselijke warmte, bij veel mensen.

Die zucht en zoektocht komt ook goed naar voren in Carmiggelt’s verhalen, zij het soms wat “onhandig” of indirect geuit. Ook door de ingehouden “pre-praatgroepen” en “pre-hippie tijd” mores.

REPRESENTATIEF

In 1987 overleed Carmiggelt. Het is nu een andere tijd, maar ook rond die tijd was Amsterdam al wat multicultureler geworden. Nu zouden qua stijl en focus Carmiggeltiaanse “kronkels” in Amsterdam een stuk diverser zijn. Als ze althans als “representatief” van heel Amsterdam willen gelden.

Het waren in Carmiggelt’s verhalen immers vooral witte Nederlanders van middelbare leeftijd of ouder, vaak tamelijk ordelijk levend, gezinnetjes, opgroeiende kinderen, de rekeningen betalen..zulke besognes. Alcohol bleek vaak de grootste ondeugd in tamelijk burgerlijke leventjes.

Er zaten weinig vrijdenkende, losgeslagen kunstenaars tussen, die ook nog rare drugs gebruikten, of wat jongere anarchistische krakers, zoals je in Carmiggelt’s tijd al had.

Ook zaten er nauwelijks Surinamers tussen, toch een grote groep in Amsterdam. Interessant als groep, omdat de mate van “vernederlandst” zijn wisselt per Surinamer. Ook geen Marokkanen of Turken, of andere groepen. Eigen, wat geslotener gemeenschappen met minder gemengde relaties met Nederlanders dan Surinamers, maar toch..

Multiculturele relaties en gesprekken – en culturele verschillen - zouden nu een interessant thema voor Carmiggelt’s verhaaltjes zijn, met Amsterdam als achtergrond.

EIGEN ERVARING

Uit mijn eigen ervaring kan ik zo een aantal verhalen “opdreunen”, of in ieder geval geestige anekdotes in Amsterdam navertellen, op een Carmiggeltiaanse manier. Zonder al te groffe, seksuele, of intieme details, uiteraard, maar interessante gesprekken en meningen over de wereld en alledaagse levens van bijvoorbeeld een Ghanese in een van die flats in de Bijlmermeer, toen vernieuwende architectuur, anno 2023 verwaarloosd en tochtig. Ook de verhalen vol alledaags crypto-racisme, van een van de weinige Surinaamse café-eigenaars door de jaren heen in de Nieuwmarkt-buurt in het oude centrum van Amsterdam.

Ik ken meerdere “flamboyante” muzikanten en aspirant-muzikanten, en nog een andere categorie die ik als juist "niet-aspirant" muzikanten zou typeren. Ze kunnen goed een instrument bespelen, wat blijkt tijdens jams in clubs, maar hun muzikale ambitie blijft onduidelijk of moeizaam, gezien – ondanks vaak vrije geesten - concessies aan het burgermansleven, waar wel genoeg geld verdiend wordt. Dat is ook interessant, voor een moderne “kronkel”.

Ik heb ook meerdere droogkomische anekdotes of alledaagse “schetsen” over blowers (wiet-gebruikers) in coffeeshops of elders in Amsterdam, legendarische gesprekken in coffeeshops. Een andere leefwereld en leeftijdsgroep dan Carmiggelt’s personages, maar het kan vergelijkbaar geschreven verhalen, of “kronkels” opleveren, net zoals de drinkende, autochtone, oudere mannen in kroegen in een deel van Carmiggelt’s verhalen.

Ik ken verder een Syriër, ooit asielzoeker, die moest wennen aan “lage plafonds” in Amsterdamse woningen, en die de corona “lockdowns” en avondklok herinnerde aan wat hij in Syrië verliet. Om daarna weer Carmiggeltiaans terug te gaan naar het alledaagse. De Syrische jongeman heeft om een of andere reden een voorliefde voor de maté-drank uit Zuid-Amerika te hebben ontwikkeld. Vast op het menu in zijn kleine appartement in Amsterdam-West, ook toen ik bij hem op visite kwam.

Ikzelf raakte op de fiets altijd verdwaald als ik naar Amsterdam-Noord moest, en raakte soms al depressief op de pont over het IJ. Laatst was historisch: voor het eerst raakte ik niet verdwaald. Zit ook een verhaal in, hoewel Carmiggelt meer de nadruk op gesprekken legde.

Allemaal niet erg spectaculaire dingen, die als “schets” toch iets zeggen. Een belangrijke les: dat we allemaal gewoon maar mensen zijn. Ongeacht huidskleur, culturele achtergrond, buitenlander of Nederlander, geslacht, leeftijd, en levenskeuzes. Levenskeuzes kunnen verschillen, maar “ongeveer” en meer abstract willen we allemaal hetzelfde: vervulling en respect.

Dat kan alledaags, beeldend, oer-menselijk zijn, en tegelijk extra leerzaam over maatschappelijke problemen in het huidige Amsterdam. Een beetje zoals Carmiggelt deed: daarnaar verwijzen vanuit het alledaagse leven tussen mensen, maar dan dus met het huidige, diverse Amsterdam als achtergrond.

Geen slecht idee, haha. Ook om te onderzoeken of de 1960s en 1970s “flower power”-tijd hippie-commune “praatgroepen” of feminisering echt mannen beter over “gevoelens” heeft doen praten.. of dat met andere woorden blijvend effect heeft gehad op de huidige, jonge generatie Nederlanders, of bij minderheden die uit een andere cultuur kwamen met minder moderne man-vrouw verhoudingen, en nog “machismo” waarden. Interessante vragen.

Mijn voorzichtige inschatting op basis van mannen die ik ken (Nederlanders, buitenlands, oud en jong) is dat dat effect er is, maar beperkt. Vrouwen zijn nog steeds beter en eerlijker in het open praten over gevoelens. Mannen "bluffen" vaak nog steeds vooral.

CONCLUSIE

Hoe dan ook, ik vond Simon Carmiggelt voor zijn tijd een goede, onderhoudende schrijver en verteller. Uniek met zijn droogkomische “schetsen” van het alledaagse in Amsterdam, een goed tijdsbeeld gevend van “gewone”, veelal autochtone Amsterdammers. Ik hou ook van schrijven, sinds mijn vroege tienerjaren, dus kan mogelijk een beetje door Carmiggelt beïnvloed zijn, bij mijn pogingen essays en romans te schrijven, al vrees ik dat de invloed van iemand als Mulisch groter is geweest, en van latere Nederlandse schrijvers en essayisten (Stephan Sanders bijv.), naast buitenlandse schrijvers (Frans, Spaans, Nigeriaans, Caraïbisch e.a.).

Hij speelde een goede, zelfs heldhaftige rol bij de begintijd van het Parool, in verzet tegen het Nazi regime in bezet Nederland, met alle risico’s van dien, maar voor de waarheid en vrijheid.

Carmiggelt leefde dat min of meer door zijn oprechte menselijke interesse – de mens als doel op zichzelf beschouwend, en niet als middel voor een ideologie - , en bleef bovendien ook schrijven voor het Parool tot zijn dood in 1987.

Dat “verzet” is voorzichtig gezegd wat minder duidelijk, de laatste jaren in het huidige dagblad het Parool, net als bij andere dagbladen; overheidsnarratieven worden doorgaans blind gevolgd (de corona en “vaccin” nonsens), bij uitzondering wat kritische zin, van een dwarse columnist, maar geen systeemkritiek, niet eens regeringskritiek, en wel heel selectieve “quasi-linkse” verontwaardiging rond bepaalde thema’s, maar hypocriet gezwijg over ander onrecht. Ook onrecht (in Afrika bijvoorbeeld) dat ook “linkse” mensen ter harte zou moeten gaan. Aandacht voor grotendeels fictieve klimaatproblematiek, in plaats van voor echte milieuproblemen, etcetera, etcetera. Weinig echt “wereldverbeterends”, in de goede zin van het woord: “a far cry” van de verzetsjaren.

De reden zal zijn, zoals zo vaak tegenwoordig: “alles voor het grote geld”. Mensen/individuen worden geen belangwekkende doelen op zich (zoals in Carmiggelt’s “kronkels” nog wel), maar slechts een middel, zoals in alle –ismen (fascisme, communisme, kapitalisme), tot een extern of “hoger” doel of (eigen)belang.

Iets met omdraaien in het graf..

woensdag 3 november 2021

Mannen van Nederland

Het boek ‘De mannen van Nederland: het onverbiddelijke oordeel van buitenlandse vrouwen’, komt uit 2001, en is door Franse journaliste, correspondent in Nederland voor het Franse dagblad Libération, Sophie Perrier. Perrier baseert zich op interviews met verschillende buitenlandse vrouwen over hun relaties met Nederlandse mannen, nu en in het verleden. De betreffende vrouwen zijn Europees, Afrikaans, Aziatisch, Midden-Oosten, en Latijns-Amerikaans.

Ik begreep al snel dat met de “Nederlandse mannen” in kwestie zogenaamde “autochtone” mannen werden bedoeld, en niet mannen in Nederland geboren uit, zeg, Marokkaanse, Italiaanse, of Surinaamse ouders.

HOLANDESES HOLANDESES

Dat is niet in alle gevallen duidelijk, en men kan immers, om dat rare woord maar weer eens te gebruiken: “vernederlandst” zijn. Bij nader lezen betrof het echter, zoals het in het Spaans wel (via “herhaling ter nadruk”) wordt gezegd, “holandeses holandeses”, niet alleen geboren maar ook etnische Nederlanders dus.

Ikzelf ben geboren in Nederland, maar ben geen “etnische Nederlander”, of “holandés holandés”, hoe je het ook noemen wilt: mijn vader is Italiaans, mijn moeder Spaanse. Ik werd in het begin ook vooral Spaanstalig opgevoed, en kreeg dus thuis verschillende culturen mee: van elkaar (hoewel met een “Latijnse” overeenkomst), en van de Nederlandse buitenwereld.

Ik praatte uiteraard met vrouwen van mijn familie, en mijn moeder had veel Spaanstalige vriendinnen (Latijns-Amerikaanse en Spaanse, daarnaast ook wel Italiaanse) waarvan een flink deel met Nederlanders samenwoonden of waren gehuwd. Soms waren gesprekken open, dus die verhalen over cultuurverschillen hoorde ik al in mijn jeugd.

GLOBAAL

Dit boek door Perrier sluit daarop aan, kun je zeggen, maar vond ik daardoor ook interessant. Het verbreedde het perspectief ook voor mij. Tussen de vrouwen met Nederlandse mannen/echtgenoten die Perrier interviewde zaten een Spaanse, een Colombiaanse, een Mexicaanse, een Argentijnse, en een Italiaanse – zoals in mijn moeder’s vriendenkring destijds. Herkenbaar dus.

Er waren echter ook vrouwen bij uit Malawi/Engeland, België, Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Frankrijk, en Zwitserland,uit Oost-Europa: een Kroatische, Russische, en Poolse, en meer zuidelijk een Portugese en Griekse. Daarnaast echter ook vrouwen uit Israël, Turkije, en Irak, en nog verder weg, China, Japan, Zuid-Afrika, VS, en Suriname.

Een beetje geconcentreerd op Europa, maar verder een bont, globaal geheel, en het vereist goed schrijverschap om daar iets leesbaars van te maken. Daar slaagt Sophie Perrier zonder meer goed in. Ze haalt goed de algemene lijnen eruit, resulterend in gebalanceerde, redelijke conclusies over de meningen wat betreft cultuurverschillen in man-vrouw verhoudingen. Wat anekdotisch is de opzet wel, maar daar hoeft niets mis mee te zijn. De vrouwen vergelijken hun Nederlandse partners vaak simpelweg met de mannen (“ex-en” ) in hun eigen land – uit hun eigen volk - waar ze eerder intieme relaties mee hadden.

Dit levert allemaal misverstanden op, die Perrier met veel humor opschrijft, maar ook met kennis van de Nederlandse cultuur.

Die “quasi-herkenning” – ook door wat ikzelf al eerder hoorde – maakt het voor mij ook leuk om te lezen, naast de relativerende, “droge” humor van Perrier.

Het was dus zowel prettig leesbaar en informatief gebracht, maar genoeg over de vorm. Het gaat om de inhoud. Wat “herken” ik dan wel over cultuurverschillen? Wat zou kunnen kloppen? Is dat niet te simplistisch of generaliserend, op basis van wat ik weet?

Ik had veel “lachmomenten” in het boek, en door humor leer je vaak toch ook diepere waarheden.

EMANCIPATIE EN CALVINISME

Perrier ziet veel trekken van Nederlandse mannen als het gevolg van zijn relatieve geëmancipeerdheid en sterke geloof in vrouwengelijkwaardigheid, vanwege invloedrijke democratische moderniseringsgolven in Nederland sinds de 1960s. De “usual suspects”: de meer macho Arabieren, Turken, of “Latijnse” mannen, blijven daarbij ook in dit boek achter, maar buiten Scandinavië ook veel andere omliggende landen. Duitse mannen zijn ook trotser en meer macho dan Nederlanders, concludeert de geïnterviewde Duitse vrouw, en de Engelse wees erop dat Britse mannen haast “Italiaans veel” flirten met vreemde vrouwen, in ieder geval meer dan Nederlandse mannen. Zelfs Noorse en Zweedse mannen flirtten meer in het openbaar, stelden Scandinavische vrouwen in Nederland enigszins verbaasd vast.

Andere trekken – en dat vind ik wel grappig – relateert Perrier aan de Calvinistische traditie in Nederland. Dat vind ik grappig, omdat dat weleens onderschat wordt. Het historisch zo sterk aanwezige Protestantisme – specifiek het “sobere” en “strenge” Calvinisme – in Nederland, heeft onmiskenbaar de cultuur beïnvloedt.

Die Calvinistische invloed is vaak onuitgesproken sterk aanwezig in terugkerende waardensystemen, gedrags- en cultuurvormen in Nederland, maar wordt weleens vergeten of onderschat. Iemand van buiten, zoals de Française Perrier, ziet dat wellicht wat helderder, dan als je niets anders kent. Ik ken ook wat anders, maar ben wel in Nederland geboren, dus vergeet weleens hoe Calvinistisch de Nederlandse cultuur in wezen nog is.

Een voorbeeld van een Protestantse/Calvinistische trek? Het grote belang van “taal” in het oplossen van problemen: door er lang over te praten iets oplossen: dat is geen vanzelfsprekendheid in “wispelturiger” andere culturen. De Nederlands/calvinistische focus is er een op ratio, discipline, beheerst en nuchter blijven. Verder: niet teveel emoties en gevoel volgen, kalm praten, verantwoordelijk met tijd en geld omgaan, naast het alles “democratisch” en open bespreken..

Dit alles komen de vrouwen als opvallende verschillen tegen met de mannen die ze eerder hebben gehad uit hun eigen cultuur: deze laatsten waren veelal temperamentvoller en gepassioneerder, of “spannender” dan de Nederlandse mannen, maar ook vaak jaloerser, onverantwoordelijker, en ontrouwer. Het beheerste heeft dus voor- en nadelen.

Dat alles “open en democratisch” bespreken met ook je partner van de Nederlandse man, lijkt niet zozeer uit het Calvinisme te komen (met immers ook een vaste rol voor vrouwen in het huishouden), maar eerder een mooie erfenis van de democratiserende “flower power” en “hippie” tijd, de 1960s en 1970s die in Noord Europa meer invloed had dan in Zuid-Europa. Deel daarvan waren de gemengde “sociale academie” praatgroepen over samenleven, en de vrijere ontwikkeling van vrouwenemancipatie.

Dat alles levert interessante verschillen op, die derhalve representatief zijn voor de bredere cultuur.

FLIRTEN

Volgens Perrier en de Franse geïnterviewde in dit boek neigen Franse mannen net als Italianen meer naar romantiek, passie, maar ook impulsiviteit, en ontrouw, vergeleken met Nederlanders. Flirten op het werk is in Nederland niet erg gangbaar, maar juist de norm in Frankrijk, net als in bijvoorbeeld Italië en Spanje, evenals vaak op straat.

De vrouwen in dit boek, zoals de Franse en “Latijnse”, vielen dan ook op dat flirten – of je nu in een vaste relatie bent of niet - in het openbaar minder sterk is in Nederland, wat ze op het werk of in de winkel meestal wel prettig en rustig vonden. Waar je in Portugal elke dag wel, zoals de Portugese vrouw zich herinnerde, op straat wat mannen had die je aanspraken/lastig vielen met “complimenten”- waar dan ook, single of niet -, was dat in Nederland minder.

Echter op andere, “gepaste” plekken weer té weinig, vonden sommige vrouwen grappig genoeg. Als in een “sociale” bar of een studentenruimte, een daar zittende Nederlandse man zelfs geen oogcontact gunde aan nabij zittende jonge vrouwen, en gewoon geconcentreerd een krant las, werd dat als ongeïnteresseerd en “koud” gezien. Sommige van deze buitenlandse vrouwen – gewend aan aandacht - begonnen daardoor zelfs aan hun uiterlijk te twijfelen. Een ongemakkelijk, maar interessant cultuurverschil. Ook vanuit psychologisch opzicht interessant.

GESTRUCTUREERD

Grappig waren ook andere beschreven verschillen, meer uit binnen de relaties zelf. Het belang van de “agenda” voor de gestructureerde, rationale Nederlandse man lijkt een cliché, die ik ook elders vernam. Het is min of meer het tegenovergestelde van de onberekenbare “passie” die met name zuidelijkere vrouwen missen met Nederlandse mannen.

Zelfs bij het verleidingsspel en heviger verliefd worden op elkaar, aan het prille begin van de relatie. Zo vertelt een vrouw, een Griekse, dat als een Griekse man iets voor een vrouw voelt, hij haar dan ook zo snel mogelijk (vandaag of morgen) wil ontmoeten voor een date. Een vrouw vertelde dat een keer een Nederlandse man die haar blijkbaar ook leuk vond, wel een intiemere date wilde met haar, maar eerst zijn agenda moest checken. Over twee weken had hij ergens tijd, zei hij hierna plechtig..

Ik had hier weer een lachmoment. Ergens had het echter ook iets naars. Mogelijk maakte de liefde van de vrouw haar blind – of hadden ze wie weet al echt tedere, hoopvolle momenten samen gehad – maar zoiets komt mij voor als onwil, een (verhulde) afwijzing. Of als een “diss” in hip-hop taal. Geen passie genoeg om het niet twee weken uit te stellen? Of is hij gewoon voorzichtig? Ik zou ook denken dat hij ook iets met een andere vrouw had, daarnaast, eerlijk gezegd.

TROUW

Dat zou volgens anderen weer teveel wantrouwen zijn, want elders in het boek prijzen de buitenlandse vrouwen hoe relatief trouw aan hun partner Nederlandse mannen zijn: ze gaan minder vreemd.

Het komt voor, met name een kort slippertje met een collega, maar verder veel minder dan onder Zuid-Europeze, Latijnse, of zelfs Engelse mannen, menen de meeste vrouwen. Een Surinaamse vrouw zei dat een Surinaamse man vrijwel nooit trouw is in een relatie, en hetzelfde geldt voor Zuid-Europeze, Zuid-Amerikaanse, en Arabische mannen. Veel vrouwen gaan er in die culturen vanuit dat een man ergens anders ook een vrouw heeft, maar vermijden dat hele thema: als ze het samen maar leuk hebben. Hetzelfde geldt voor een eventueel “tweede man” voor een vrouw, in veel zuidelijke landen toch ook gangbaar.

Zulke complexe “dubbellevens” met maitresses, van o.m. veel Latino mannen (inclusief Fransen) vermijden nuchtere, rationale Nederlanders liever, stelt Perrier. Ze blijven echt trouw, of ze kappen het slippertje met iemand op hun werk resoluut af, of biechten deze zelfs op aan hun vrouw. Wat dat betreft lijken ze dus inderdaad trouwer en eerlijker.

“Elk voordeel heeft zijn nadeel” zei de “vercatalaanste” Nederlandse man Johan Cruyff ooit. Nederlandse mannen deden minder macho of stoer dan mannen uit hun land, vonden de meesten van de vrouwen, waren vaker wat bescheidener, en durfden zich ook zwak te tonen, wat sommige vrouwen prettiger vonden. Ze vergeleken dit met de drang naar stoerdoenerij en machismo bij de “usual suspects” (“Latijnse” en Arabische mannen), maar ook bij Duitse en Zwitserse mannen.

Nederlandse mannen hebben meer geleerd – met name sinds de eerdergenoemde “flower power” praatgroepen (“feminiserend” noemde auteur Stephan Sanders deze) - om vrouwen als gelijkwaardig te behandelen, als medemens. Echter: extra galant en respectvol, of beschermend, voor hun vrouwen zijn ze dan ook niet meer, klaagden sommige vrouwen. Geen extra complimentjes, geen attent de deur open houden, geen afscherming van druk verkeer o.a. Zelfs haar begeleiden in “gevaarlijke buurten” tot ze thuis was, vonden sommige (niet alle) Nederlandse mannen te ver gaan.

TEMPERAMENT

Het gebrek aan temperament bij de Nederlandse man wordt betreurd maar ook geprezen: Nederlandse mannen blijven rustig praten, behouden de kalmte en ratio en controleren daardoor beter de situatie, waar zuiderlingen van het ene uiterste in het andere vallen, en met name door ongemakken drukker worden of hun stem verheffen (en daarmee meestal niets bereiken).

Dit, gecombineerd met het rationeel-nuchtere, en “directe” (onverbloemd, calvinistische) van Nederlandse mannen, kan echter ook verkeerd vallen. Op een rustige, rationele manier kunnen Nederlandse mannen het meest harde of ongevoelige zeggen, alleen omdat hij het waar vindt (voorbeelden: je bent te klein, te dun of dik geworden, te druk, of te onhandig), waardoor het killer overkomt. Een Italiaanse merkte op dat Italiaanse mannen ook wel vileine, valse dingen kunnen zeggen tegen hun vrouw, maar dan als ze tijdens een felle, geagiteerde ruzie al in een woedeaanval zitten. Dat herken ik wel: hetzelfde geldt min of meer voor Spanjaarden (en ook voor Italiaanse en Spaanse vrouwen, trouwens), denk ik.

ROMANTIEK

Romantiek lijkt evenmin het sterke punt van de nuchtere Nederlandse mannen, volgens de vrouwen, samenhangend met het mindere belang van passie. Zuidelijke mannen stuurden als ze verliefd waren gedichten in het holst van de nacht aan hun geliefden, deden erg hun best, en kochten opvallend dure cadeau’s om indruk op haar te maken, zelfs met een gebrekkig inkomen. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Arabische en Turkse mannen, zoals de ex-en van een geïnterviewde Irakese in het boek (die ook een tijd in Libanon woonde), en van een Turkse.

Met het risico het cliché van de Nederlandse zuinigheid te bevestigen, was het zo dat Nederlanders zelden dure cadeau’s kochten voor hun partners, maar ook daarbuiten wat minder te buiten gingen aan extravagante “extra” uitingen van liefde, zelfs als gratis.

Geestig ook hoe een Mexicaanse vrouw het verwoordde.. “Hij (mijn Nederlandse man) is beslist attent en toegewijd: mijn man brengt me zonder bezwaar om 5 uur ‘s-ochtend’s naar het vliegveld. Dat is zijn manier om te zeggen “ik hou van je””. Natuurlijk toon je liefde vooral met acties, maar ik vond vooral het “zijn manier” in deze laatste zin veelzeggend..

Maar zijn ze minder of eerder “anders” romantisch? Een lachmoment had ik ook toen de Franse auteur zei dat ze erachter was, wat voor Nederlandse mannen het summum van romantiek is, bevestigd door de meeste geïnterviewde vrouwen: kaarsen. Als hij kaarsen gaat aansteken, vaak met stemmige muziek, dan heeft een Nederlander romantiek in de zin..

Niet grootse, meeslepende gebaren, maar meer dagelijkse details dus, zoals ook zijn zorgen over haar welzijn (genoeg eten bij je?, voel je je prettig?) blijken voorts meer de manier van de Nederlandse man om zijn liefde of verliefdheid te uiten. Zeker niet onsympathiek, maar meerdere vrouwen misten toch wat meer hartstocht en passie. Wat meer “vuur”.

FYSIEK

Een goede brug naar het “fysieke”: onder meer de seksualiteit. Een ander aspect van het fysieke – het uiterlijk van de Nederlandse man – wordt ook wel besproken, maar summierder. Lang, blond en atletisch gebouwd vinden veel vrouwen aantrekkelijk, soms zelfs aantrekkelijker dan harige, meer gedrongen mannen in bijv. Zuid-Europa of Israël, die korter zijn, en bovendien na een bepaalde leeftijd een “buikje” krijgen, vanwege het verankerde lange tafelen in het Mediterraanse gebied.

Niet alle vrouwen vallen bovendien op lange mannen, weet ik: mijn Spaanse moeder vertelde dat ze geen mannen op etnische gronden uitsloot, maar toen ze als twintiger rond 1966 pas in Nederland was (regio Haarlem), en nogal lange Nederlandse mannen wat met haar wilden, vond ze dit juist onaantrekkelijk, en eigenlijk ook absurd en ongepast: een man waarbij ze tot net bij zijn bortskas kwam.. Mijn vader (iets langer dan haar, maar slechts een halve kop) vond ze beter passen, haha.

De vrouwen in dit boek zijn wat wisselend, ligt aan wat je type is (blond of niet), schat ik zo in, maar de meesten zien veel mooie Nederlandse mannen die er ook gezond uitzien. “Elegantie van het hoge noorden”, noemde een Israelische vrouw het zelfs lyrisch. Zij had het over fysieke verschijning. Minder “elegant” wordt de te vaak te informele kleding van Nederlanders gevonden, zelfs in hoge posities, hoewel sommige van de vrouwen die mindere neiging tot “formele kleding”, juist als vrij en onconventioneel waardeerden.

Een van de goede dingen – ik bedoel dit “goede” zonder ironie – van die gemengde “feminiserende” praatgroepen in de democratiserende flower power-tijd, en onderwijs en voorlichting erna, is dat Nederlandse mannen vrouwen als gelijkwaardig gingen zien, en er een taboe kwam op al te zeer aandringen of seks eisen, vaak immers ook een gevolg van een verwachte onderdanigheid. Dat is een mooi iets. Het kan de seks ook mooier maken, denk ik: er lopen nog opvallend veel volwassen mannen rond in deze wereld die niet weten dat een vrouw meer erogene zone’s heeft dan een man. Nog minder zijn er in geïnteresseerd.

Het kan ook doorslaan, leken de vrouwen in dit boek toch te zeggen, zoals de Portugese die vertelde al weken, meerdere dagen per week, met een Nederlandse man te daten, die maar geen toenaderingspoging deed. Ze werd van zoveel aarzeling directer en zei: ik kom naar jouw huis. Het werd wat intiemer sindsdien, maar hij schrok in eerste instantie, vertelde ze.

Naast deze voorzichtige, over-respectvolle geëmancipeerde Nederlandse mannen, zeiden sommige vrouwen – zoals een Mexicaanse – dat er ook juist heel gehaaste en directe Nederlandse mannen zijn, die direct willen zoenen, zonder spel of sensualiteit, en zelfs direct zeggen dat ze seks willen. Dat vonden ze ook weer lelijk en kleurloos.

In andere culturen gaan dingen indirecter, omfloerster, en speelser, met name ook de mogelijke kans op seksualiteit. Of het beter is weet ik niet, maar het vrouwelijke “net doen of ze niet willen” is gangbaarder in andere delen van Europa, soms ook om uit te testen of de man wel echt wil, zoals een Kroatische het uitlegde.

Een Chinese vertelde dat ook bij het daten, en eventuele seks, lang veel onzeker blijft: ja of nee?. Ze vond dat juist plezierig, en noemde die onzekerheid zelfs “zoet”.

SEKS

Over de seks zelf zijn de vrouwen eerder positief dan “onverbiddelijk” zoals in de ondertitel van dit boek staat. Nederlandse mannen willen vaak een vrouw niet dwingen, en proberen zacht, zorgzaam en gelijkwaardig in bed te zijn: zij mag genieten. Ze geven aandacht aan het voorspel en blijven communiceren. Dat is ook positief, en zeker moreel, maar meerdere vrouwen klagen nog wel over het te “ingehouden” zijn, en de rationele, vaak prozaïsche benadering van seks als gewoon en gezond in het moderne Nederland. Te routinematig en gedemystificeerd. Meerdere vrouwen, inclusief Britse en Scandinavische vrouwen, vonden mannen uit hun landen wat experimenteler in bed, mogelijk omdat Nederland inmiddels minder “taboes” heeft te doorbreken. Dat vinden Nederlandse mannen dus niet meer zo “spannend grensverleggend”.

Dat haalt blijkbaar veel romantiek, magie, en gevoel weg, en maakt de seks wel heel “lichamelijk” en plastisch met deze Nederlandse mannen. Met mannen uit hun eigen landen vonden vrouwen de seks vaak “vuriger”, hoewel nogal “male-centered”, wijzend op minder geëmancipeerde mannen in andere culturen. Een Spaanse homo vertelde lyrisch dat Spaanse mensen relatief meer “hart” en passie in de seks leggen, waardoor je mooier samensmelt met je partner. Een Italiaanse ervoer echter dat zulke grotere passie bij Italiaanse mannen, uiteindelijk wel vaak omslaat in macho egoïsme: het gaat toch vooral om hem.

Dit laatste was ook zo in landen waar vrouwen nog als gebruiksvoorwerpen/gedienstig aan de man en diens gerief werden gezien, zoals bij veel – weer zo vooroordeelbevestigend - Arabische en Turkse mannen, maar ook Kroatische en Russische mannen prefereren onderdanige vrouwen, en ook Duitse en Oostenrijkse mannen zijn in bed baziger en minder democratisch dan Nederlandse mannen, zo blijkt uit dit boek. Dat is een plus voor Nederlandse mannen, alleen benaderen Nederlanders seks volgens diezelfde vrouwen wel weer met te weinig gevoel en passie.

Grappig genoeg gaven sommige van de vrouwen toe het juist een leuke uitdaging om toch dat gevoel in die ingehouden Nederlandse man tijdens de seks naar boven te halen, hem passievoller te maken.

STEL

In een ander hoofdstukje behandelt Perrier of Nederlandse mannen jaloers zijn in relaties, toch wat aansluitend het “macho” hoofdstuk. Nederlandse mannen blijken relatief minder jaloers, zo bleek voorspelbaar. In een ander verwant hoofdstukje wordt het stel zelf besproken: doen ze alles samen, of houden ze hun eigen, onafhankelijke leven? Nederlanders laten hun vrouwen relatief vrij, maar willen zelf ook vrij blijven. Niet alles hoeft met haar, en daar schrokken vrouwen van, die het idee van “onszelf samen door het moeilijke leven slaan” juist zo romantisch en liefdevol vonden. “Liefde is samen blut zijn”, rapte de Nederlandse rapper Extince ook ooit mooi.

De romantiek van: “We hebben weinig, maar wel elkaar”, klinkt mooi, maar veel Nederlanders hebben inmiddels genoeg of zelfs veel. Naast de relatieve welvaart kan een sterkere individualisering een rol spelen, denk ik, waardoor dit type romantiek hier wat schaarser is.

Ik kan ook het ergste denken, namelijk dat de Nederlandse man alleen echt “samen strijdt” en “diep gaat” met vrouwen van zijn eigen volk, maar laat ik er vanuit gaan dat hij echt verliefd werd en via de relatie met de buitenlandse ook de crypto-racistische reserves (die er bij veel volkeren zijn) verdwenen. Deze gemengde paren zijn immers al over grenzen gegaan.

VADERSCHAP

Ook – wat korter – wordt er in het ook aandacht geschonken aan wat voor vaders Nederlandse mannen bleken. Sommige van de geïnterviewde vrouwen waren immers al jaren getrouwd met een Nederlander, en hadden kinderen met ze gekregen. Voorspelbaar: de Nederlandse vader is meer van het overleggen met het kind, en het “vrienden willen zijn” met de kinderen, wat in niet alle culturen begrepen wordt. In Zuid-Amerika – zo stelden sommige vrouwen – is een ouder niet een “vriend”, maar een disciplinerende of grenzenstellende factor, en iets soortgelijk (en afstandelijke, wat autoritaire vaderfiguur) is er in andere culturen. Tot niet zo lang geleden ook nog in Zuid-Europa.

Wederom, een onbegrepen, maar niet onsympathieke, democratische trek van geëmancipeerde Nederlandse mannen.

REFLECTIE

Ik betrapte mijzelf erop om mijzelf te vergelijken met de besproken Nederlandse mannen. Mogelijk ben ik “vernederlandster” dan ik wil geloven, ondanks mijn Italiaans-Spaanse achtergrond en wortels. Ik leerde veel van mijn ouders en heb fantastische vakanties in Italië en Spanje gehad, met familie, maar ben toch geboren en opgegroeid in Nederland.

Cultureel en psychologisch interessant, maar ik ben er nog niet uit. In vrouwenemancipatie geloof ik meer dan de generatie van mijn vader, en ben wat dat betreft progressief en internationaal. Overigens uit persoonlijk principe, omdat ik oprecht meen dat de wereld niet vrij kan zijn, als vrouwen dat niet ook zijn. Dat principe is bij mij zelfs sterker dan persoonlijk slechte ervaringen met individuele vrouwen (harde of voorbarige afwijzingen, gekwetste gevoelens.. “I’ve been there”..).

Dat geëmancipeerde deel ik dus wel met progressieve Nederlandse mannen. Ik heb daarentegen geen Calvinistische inborst, en neig eerder naar speelsheid en het flamboyante van de Latino’s. Dat is soms een moeilijke balans, maar ik ben nu eenmaal ook een vrijdenkende kunstenaar.

Een Nederlandse vrouwelijke collega, met wie ik goed kon praten en me beter leerde kennen, zei ooit grappend over mij (met anderen erbij) dat ik weliswaar Italiaans-Spaans was, maar niet heel erg “macho”.. “een klein beetje maar”, voegde ze eraan toe. Ik nam het maar op als compliment.. Een beetje is genoeg.

Dit alles kwam door mijn achtergrond, maar mogelijk ook beïnvloedt door intieme relaties die ik zelf heb gehad. Mijn ouders gaven mij immers nooit seksuele voorlichting (zal een cultureel ding zijn), pas na mijn puberjaren praatte ik met mijn ouders, of broers (of neven) over dat soort dingen, en ook maar deels.

Ik heb intieme relaties met vrouwen uit verschillende culturen gehad, dus snap dat de vrouwen het leuk vinden om erover te praten, zoals in dit boek. Ik val op geëmancipeerde vrouwen, dus vrouwen bleven zichzelf bij mij, wat ik leuk en leerzaam vond. Zwarte Caraïbische vrouwen bleven zich “zwart” (inclusief bijv. kritiek op arrogante blanken) gedragen met mij, wat wij ook samen deden, en hetzelfde geldt voor Afrikaanse, Antilliaanse, Surinaamse, Italiaanse, Spaanse, Arabische, en Nederlandse (zelfs Friese) vrouwen, waar ik ooit iets mee had. Ik had zelden relaties waarin we elkaar probeerden te “veranderen”.. Ik merkte ook veel verschillen, zoals in de passie, en de omgang met seks.

Ik kon al die verschillen eigenlijk wel waarderen, om dezelfde reden dat ik van cultuur en van sterke persoonlijkheden houd. Als wij twee maar een goede relatie hadden, en elkaar begrepen. Het hielp mijn leven leuker en spannender te maken.

Dat soort intieme relaties zijn immers ook meestal leuk en spannend. Een thema als dit moet ook absoluut niet te zwaar gemaakt worden. Er zijn al genoeg zware dingen in de wereld..

Cultuur is leuk, dus cultuurverschil (uiteindelijk) ook. De ruimte krijgen dat te verkennen met andere mensen is vrijheid. Daardoor je te laten beïnvloeden ook, en overnemen wat je aanspreekt, achterlaten (ook uit je eigen erfenis) wat je niet aanspreekt. Zo probeer je de mooie dingen van elke cultuur te behouden, om je leven te verrijken. Zo komen culturen tot elkaar..

CONCLUSIE

Dit boek is lezenswaardig en vermakelijk. Ook wel leerzaam, maar ook herkenbaar, en met leuke humor. Sophie Perrier kan zeker schrijven en leuke citaten selecteren.

Een van mijn onderzoeksvragen was of het te generaliserend was. Dat is denk ik onvermijdelijk vanwege de anekdotische opzet. De geïnterviewde vrouwen noemden voorbeelden uit hun verleden, en noemden begrijpelijkerwijs terugkerende dingen uit hun ervaring. Ongetwijfeld zijn er ook niet-ingehouden Nederlandse mannen met gevoel voor romantiek, zoals er inmiddels ook wel Arabische, Italiaanse, of Kroatische mannen zijn die vrouwen wel als gelijkwaardig willen behandelen in bed. Ook zal niet elke Spanjaard zo “vurig” in bed zijn, als hun algemene imago, om nog maar wat te noemen, of zal niet elke Fransman zoveel aandacht geven aan zoveel mogelijk flirten en maitresses zoeken.

Hoe “onverbiddelijk” was dit oordeel van buitenlandse vrouwen over Nederlandse mannen, zoals de ondertitel luidt?

Dat valt al met al best mee, maar niet zonder kritiek op de - nogmaals: algemeen gesteld - nuchtere, beheerste, verstandelijke, passieloze benadering van relaties door de Nederlandse man. De pluspunten hiervan (serieus, gedisciplineerd wanneer nodig) worden echter ook veelvuldig genoemd, dus het beeld is genuanceerd.

Dat sommige vrouwen het in dit boek als een uitdaging zien de “koude” Nederlander wat warmer, gepassioneerder te maken, is ergens ook wel schattig. Het zou zelfs bijna ontroerend mooi zijn als zij dat als beloning ziet voor zijn geëmancipeerde consideratie/respect voor haar wensen.. That’s love, baby..

Die historisch onstane cultuurverschillen per land heb ik altijd al een interessant thema gevonden: mogelijk omdat ik geboren ben uit ouders uit twee verschillende landen, in weer een ander land. Ik hoorde daar opgroeiend ook veel over. Zo zei mijn moeder ooit stellig: “Italianen zijn jaloerser dan wij Spanjaarden, vaak over onzin”.. Ik moest daar toch over nadenken: was dat op mijn vader gebaseerd of (ook) op andere Italianen die zij heeft gekend? Ik ken namelijk ook veel Nederlanders die “jaloers zijn over onzin”, in de vorm van “misgunnen”.

Dit alles toont, in ieder geval, in dit dystopische “corona” tijdsgewricht – met politiek opgelegde lockdowns en isolatie – hoe mooi het is als je vrij je medemens kunt “verkennen”, zonder restricties. Je gewoon vrij kunt bewegen in openbare ruimten, mensen spontaan leren kennen, verliefd kunt worden, langzaam steeds nader tot elkaar komt, al flirtend. In vrijheid en in gelijkheid. Elkaar – en daarmee andere culturen – open leren kennen, desgewenst ook intiem.

Vrijheid is hierbij nodig, maar nu dus verstoord door het coronabeleid. Ik zei in Maart 2020 al overtuigd, en dat herhaal ik stellig: “lockdowns zijn iets van dictaturen”. Veel van het ermee samenhangende beleid, was even vernederend of erg, en nog erger: van vrijheidsbeneming tot vaccinatie-/injectiedrang,en nu apartheid tegen en discriminatie van gestigmatiseerde ongevaccineerden.

Ik ben het niet eens met dit draconische/totalitaire beleid aangaande een immers toch relatief mild griepvirus, dat moge duidelijk zijn. Een leuk thema om het lang over te hebben vind ik het echter ook niet.

Dit prettig geschreven boek (uit 2001) met interviews door Sophie Perrier, geeft inzicht in een veel leukere wereld, waar je vrolijker van wordt, zelfs met wat ongemakken. Tegelijkertijd maakt dat mij wat nostalgisch: ze herinneren mij aan vrijere tijden, toen je nog spontaan mensen kon ontmoeten, jezelf daarmee ook leerde kennen in relatie tot anderen. Ubuntu, of “mens door andere mensen”, zoals ze in Bantoe-gebieden in Afrika zeggen.

De spanning van mogelijk verliefd worden, een speelse flirt, of zelfs alleen maar grappige of boeiende gesprekken met mensen die je mogelijk zelfs net ontmoet had. Met andere woorden: het echte leven. Het natuurlijke menselijke leven.

Dat kon ooit zonder al die verdachtmaking en angstpropaganda onzin rond afstand, besmettingsrisico etc., die nu teveel in onze hoofden zitten, sinds dat coronabeleid.

Mensen zijn potentiële liefdes-, vriendschaps-, of zelfs inspiratiebronnen – of juist niet, maar daar leer je weer van -, maar in ieder geval veel en veel meer dan potentiële “ziektebronnen” die nu van ons gemaakt worden..

Dit boek toont dat mede aan. Al met al een aanrader. Goed leesbaar, en vol met leerzame, geestige anekdotes.

‘De Mannen van Nederland : het onverbiddelijke oordeel van buitenlandse vrouwen’ . – Sophie Perrier (Uitgeverij Plataan, 2001). 120 pag..