Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen

zaterdag 4 juli 2026

Marcuse, de Eendimensionale Mens, en deze tijd : een perspectief

Het boek 'De Eendimensionale Mens' is een filosofisch werk uit 1964 door Herbert Marcuse, lid van de (blijkbaar) roemruchte Frankfurter Schule, binnen de filosofie. Marcuse was Joods-Duits (vandaar Frankfurt), die later in de VS ging wonen. Diens boek was historisch invloedrijk en had zelfs een “cult status” bij onder meer Flower Power adepten/aanhangers – die later in de 1960s opgang maakten -, begreep ik, waardoor ik het ook wilde lezen.

Het boek had ook een “linkse”, anti-kapitalische teneur vernam ik her en der, wat mij ook niet afstootte. Ik had geen vooringenomen ideologie die dat niet toe liet, zeg maar.

Ik trof een debat op YouTube, ooit gehouden in de Balie – debatcentrum te Amsterdam -, in 2023, dat ging over dat werk, met interpretaties van andere Nederlandse filosofen van Marcuse’s werk, met name het boek de Eendimensionale Mens, dat ik enkele jaren terug al las, en inmiddels deels “herlees”. Dat debat was naar aanleiding van een “nieuwe vertaling” – volgens panelleden een toegankelijker vertaling (naar het Nederlands) – dan die veel eerdere Nederlandse vertaling welke ik nog lees (uit 1968). Het gaat echter uiteindelijk om de inhoud.

Terwijl ik dit schrijf, vindt het WK voetbal van 2026 in VS-Mexico-Canada plaats, dat ik eigenlijk ook wil volgen. Ik heb toch iets met voetbal – als sport - , wat ik nog steeds kan combineren met mijn intellectueel zelfbeeld, ondanks de loze commercie en het primaire tribalisme wat er ook bij voetbal op dat niveau is. In mijn leven volgde het historisch op elkaar. Ik was als kind best een fanatiek voetballertje, volgde competities, las de Voetbal International (deels), en verdiepte me zelfs in speltactieken.

Trainen vond ik wat saaier, en toen ik brildragend werd (rond mijn 12e) werd het voetballen zelf lastiger, en ging ik eigenlijk heel organisch en terloops meer lezen, en werd lid van de openbare bibliotheek. Vreemd genoeg legde ik sindsdien een vergelijkbaare mate van passie voor lezen, over met name landen en culturen, voor de dag, als daarvoor met voetbal. Zo fascineerde mij rond mijn 11e al het land Tsjaad in Afrika: deels in de Sahara, culturele en etnische verschillen tussen noord en zuid. Ik werd hoe dan ook een boekenwurm, direct nadat ik een tijd een “voetballer” was.

Met technische – of “beta” - onderwerpen had ik minder, dus vrijwillig ging ik vooral menselijke geschiedenis, samenleving, en cultuur, bestuderen, en dat wereldwijd, soms gespecialiseerd.

Bij dit alles bleef ik voetbal als sport een leuk vermaak vinden, en mogelijk meer dan dat. Mogelijk dient het psychologisch als “tegenwicht” voor lezen, denken, studie en diepzinnig, abstract doen, naar het echt tastbare, fysieke, en concrete – directe actie en reactie – van het voetbal. Van theorie naar praktijk.., zoiets.. Als een rare, soms ongemakkelijke variant van “yin en yang” uit het Chinese Taoïsme.

TAAIE KOST

Op dit moment loopt dat voor mij wat ongemakkelijk door elkaar heen, tijdens dit WK voetbal van 2026. Herbert Marcuse’s boek de Eendimensionale Mens is interessant en – vind ik – treffend over de Westerse samenleving (al in 1964!), maar is qua schrijfstijl – taalkundig ook – “taaie kost”. Lange zinnen, met veel bijzinnen en verwijzingen. Het vocabulaire vond ik niet ingewikkeld, met mijn woordenschat (laten we zeggen HBO en hoger). Herlezen voor goed begrip bleek echter wel vaak nodig, vooral door de lange zinsbouw. Ik herlees het boek nu na jaren, en moet nog steeds zinnen soms herlezen bij het herlezen.

Ook tijdens dat debat in de Balie in 2023, welke ik noemde, erkende men dat het boek “taaie kost” was. Het is diep filosofisch en vol met lange, gecondenseerde, betekenisrijke zinnen.

Wel wat diepgaander en veeleisender, dus, dan voetbal kijken op het scherm, in essentie naar 20 mannen die achter een bal aan rennen, en een land vertegenwoordigen.

“Taai” of ingewikkeld om te lezen, Marcuse’s boek, maar uiteindelijk vervullend en leerzaam, ervoer ik. Marcuse’s punten worden uiteindelijk duidelijk, nadat hij eigenlijk – via aanvullende voorbeelden – in herhaling valt over een aantal thema’s.. met heel wat complexe zinnen. Het punt is op een gegeven moment wel duidelijk, al blijft het interessant omdat hij verschillende maatschappelijke aspecten en ontwikkelingen van toen (1964) bespreekt, die zeker vandaag de dag nog relevant zijn: zowel economische als culturele aspecten.

De ondertitel “Studies over de ideologie van de hoog-industriële samenleving” geeft helder de focus en context aan van Marcuse’s essay, namelijk van een steeds meer geïndustrialiseerde samenleving, inclusief automatisering, en een belangrijke rol voor technologie.

Zijn boek/essay De Eendimensionale Mens bekritiseert eigenlijk het toen (door technologie) moderne kapitalisme, vooral waar het zich totalitair uitbreidt naar “cultuur” en de “vrije tijd”, terwijl Karl Marx het nog vooral over arbeiders en productieverhoudingen had.

INKAPSELING

Marcuse heeft het er eigenlijk over hoe gewone burgers, en die arbeiders, betrokken worden bij dat exploiterende kapitalisme via consumentisme: dingen kunnen kopen, en de schijn-vrijheid van in je behoeften voorzien door te kopen producten, of diensten. Je zo ook als individu zogenaamd te laten gelden, een identiteit te vormen. Met technologische vooruitgang, en via taal, wordt dat consumentisme zo vanzelfsprekend gemaakt, totdat mensen het systeem niet meer bevragen omdat ze “ingekapseld” zijn, ook in hun vrije tijd. Aldus het betoog van Marcuse.

Inderdaad valt het woord “ingekapseld” veel tijdens het genoemde debat in De Balie over Marcuse’s boek. Ontwapening door inkapseling via consumentisme.

Me dunkt nog steeds actueel, in 2026, stel ik. Die voetbalwedstrijden van het WK (nu van 2026) worden onderbroken en omgeven door reclames, waardoor het voetbal een bijzaak lijkt. Hetzelfde is gebeurd met ander “vermaak”, namelijk het Internet en YouTube, als je gewoon even zonder speciaal (te betalen!) abonnement wat liedjes wil luisteren, of clips wil bekijken.

Denkelijk is “top” voetbal nog veel commerciëler dan “pop” muziek: ergens kun je nog wel op YouTube bijvoorbeeld fijne historische muziekconcerten vinden van, bijvoorbeeld, Bob Marley, Stevie Wonder, of Nirvana. Historische voetbalwedstrijden die voetballiefhebbers begrijpelijkerwijs nog wel zouden willen zien (finale WK 1970: Brazilië – met Pelé! – tegen Italië) kun je daarentegen wel vergeten: afgeschermd vanwege commerciële belangen.

Al deze steeds hinderlijkere commerciële afbakeningen en reclame’s bij bij de massa relatief populaire (passieve) cultuurbeleving anno 2026, illustreren goed dat Marcuse’s De Eendimensionale Mens uit 1964 nog steeds actueel is, en waarachtige tendensen aanwees, die zelfs toenamen. De inkapseling door het systeem, “the powers that be”, van het gewone volk, inclusief de arbeiders, van het hele leven, en niet alleen “werk”.

Panelleden in het voornoemde De Balie debat uit 2023 – Marian Donner en (min of meer) “Marcuse kenner” filosoof Thijs Lijster – vonden het inderdaad ook nog in deze tijd actueel.

Zo las ik dat boek ook. Vanuit mijn persoonlijke levenservaring, en mijn perspectief. Ideologische vooringenomenheid verstart – en beperkt – het vrije denken. Zo schijnt Marcuse – evenals anderen van de Frankfurter Schule – zowel door Karl Marx als Sigmund Freud beïnvloed te zijn, en inderdaad noemt Marcuse ze ook in De Een-dimensionale mens, evenwel zeker niet als dogmatische richtlijn: hij blijft als individu zelf redeneren, wat het ook leesbaarder maakt voor mij als individu.

SEKSUALITEIT

Behalve over arbeidsverhoudingen, technologische vooruitgang, taal als manipulatiemiddel, en vrije tijd, bespreekt Marcuse ook een specifiek onderwerp als seksualiteit. Voorspelbaar komt daar Freud om de hoek kijken, maar ook wat dat betreft denkt Marcuse echt zelf, en praat niemand na. De passages over seksualiteit vond ik tot de interessantste behoren, want “raak”, maar ook zelfs mijn “ogen openend”, of in ieder geval helder beschrijvend wat ik ergens al vermoedde.

Zijn beschrijving van hoe het “libido” door laten we zeggen “de elite” ingekapseld is in het systeem van technologische, economische vooruitgang vond ik interessant en herkenbaar. Taboes vielen weg in de 1960s, men mocht vrijer de seksualiteit beleven, maar dat bracht volgens Marcuse ook een “desublimatie”, een “onttovering” ervan teweeg. Via onder meer de porno-industrie werd seks derhalve genormaliseerd als deel van het systeem, en elke “vlucht” of geestelijke rebellie via “eros” of seks, tegen de bestaande verhoudingen of machten, zo handig door machthebbers onschadelijk gemaakt.

Om uit het boek te citeren (vertaling 1968):

“De technische vooruitgang en het comfortabeler leven maken het mogelijk, dat er in het geheel van produktie en ruil systematische libidineuse componenten worden opgenomen. Hoezeer het opwekken van de instinct-energie ook onder controle gebeurt (soms zelfs in die mate dat het een wetenschappelijk management van de libido wordt); hoezeer het ook dienst doet als stut voor de status quo – het blijft bevredigend voor de gemanipuleerde individuen, net zoals het leuk is met een buitenboordmotor te spelen, de gemotoriseerde grasmaaier te besturen en hard te rijden in een auto”..

Ware woorden, lijkt mij, al heb ik zelf met de laatste activiteiten te weinig ervaring om die met seks te kunnen vergelijken, haha.

Ook een voorbeeld van de vaak wat complexe, gelaagde zinsbouw in het boek, maar zeker een zinnige analyse.

TAAL

Veel van het boek gaat over hoe “taal” ook manipulerend gebruikt wordt, bij die “inkapseling” van het volk (of: de arbeiders): voormalige tegenstellingen worden opgeheven en verwarrend gemengd, ook voor militaire, politieke, of bedrijfsdoelen, waardoor alternatieve denkwijzen als het ware door de taal onzichtbaar worden, en de ware aard verduisterd. Dit dient het “operationalisme”, zoals Marcuse het noemt, van die machthebbers. Nog een citaat uit het boek, wellicht nog wat ingewikkelder dan die eerdere die ik gaf:

“..Hier brengt het functionaliseren van de taal een verkorting van betekenis tot uiting, die ook politiek gezien van belang is. De namen van dingen zijn niet alleen ‘een aanwijzing voor hun wijze van functioneren’, maar hun (feitelijke) wijze van functioneren bepaalt en ‘omsluit’ ook de betekenis van het ding, door andere wijzen van functioneren uit te sluiten. Het zelfstandig naamwoord beheerst op een autoritaire en totalitaire manier de zin, en de zin wordt een verklaring die aanvaard moet worden; het verzet zich tegen een bewijs, voorbehoud, ontkenning van zijn gecodificeerde en uitdrukkelijke betekenis..”

Een hele mond vol, inderdaad. Met flink wat even complexe zinnen herhaalt Marcuse ditzelfde punt in dit boek – mogelijk wat te vaak - , maar dat maakt het nog niet onwaar.

Marcuse heeft daarmee naar mijn mening zeker een punt, en een die vandaag de dag nog zeker actueel is. Manipulatie via taal is zo oud als de mensheid, en manipulatie via het geschreven woord zo oud als het schrift en de boekdrukkunst.

Ik betoog zelfs (zong ik zo in songteksten van mij) dat taal vooral gereedschap om te liegen biedt, voor een groot deel althans.

Dit slaat los van meer pragmatische, direct-praktische woorden of termen in de taal die geen ontplooiing van hun betekenis nodig hebben, zoals Marcuse zelf ook erkent, maar daarbuiten biedt “gangbare taal” genoeg manipulatie en “propaganda” mogelijkheden, voor de commercie, politiek, macht, voor verhulling van onrecht, voor verhulling van machtsverschil, etcetera.

Deze inkapseling via taal en consumentisme – inspelend op menselijke behoeften – leidt dan tot een “gelukkig” maar “vals" bewustzijn, volgens Marcuse, bij burgers, als enig overblijvende dimensie van de moderne technologische rationaliteit. Die ene dimensie.

TRANSCENDENTIE EN SUBLIMATIE

In die technologische rationaliteit is dan zogenaamd het “obscurantisme” overwonnen, maar ook de “transcendentie” uit de werkelijkheid gehaald, waardoor de eendimensionale samenleving is bereikt.

Impliciet stelt Marcuse dus dat de wereld – of de mensheid – daarentegen die transcendentie nodig heeft, alsmede “sublimatie”.

Sigmund Freud zag in “kunst” een sublimatie van meer primaire driften (seks willen, met name), maar als die primaire driften dus (economisch, commercieel) ingekapseld zijn, zoals Marcuse stelt, wordt die kunst ook minder rebels en transcenderend.

Ook dat is anno 2026 nog relevant, en naar mijn inschatting bewaarheid in de steeds commerciëlere pop-cultuur en populaire muziek, met steeds minder en gemarginaliseerde maatschappijkritiek of “inhoud”, behalve in sommige genres die erom bekend staan (Reggae, “conscious” hip hop), maar die meestal ook niet commercieel succesvol zijn, en in niches blijven. Hetzelfde geldt voor literatuur, waarbij voorspelbaarheid, bevestiging, en goedkope en veelal verkeerd gerichte “identiteitspolitiek” beter verkoopt dan wezenlijke systeem- of maatschappijkritiek. Hetzelfde geldt voor andere kunstvormen.

Transcendentie is te vertalen als “overstijging”. Behalve maatschappij- of systeemkritiek kan dat ook een “bird’s view” of “uitzoomen” betekenen in een meer spirituele zin: buiten de dingen staan om ze te beschouwen, echt erbuiten staan. Ook dat is er steeds minder in de kunsten, maar ook in zogenaamd “linkse” kringen, of andere naar eigen zeggen kritische bewegingen.

De Balie had als debatcentrum ooit een “links”, vrijdenkend imago, totdat bleek dat bepaalde thema’s die vanuit de gevestigde politiek aangezwengeld en gepromoot werden – veelal op dubieuze, gebrekkige gronden – niet betwijfeld werden, en men “meelulde” om het op zijn Hollands te zeggen: het coronabeleid, het klimaatbeleid, LGBTI problematiek, en zelfs de NAVO (en het militair-industrieel complex) – toch ooit een populaire kop van jut voor “Links” – werden en worden gespaard, mogelijk vanwege financiering door die NAVO van De Balie, zoals een gedurfd interviewende Linkse podcaster (Left Laser) aantoonde. Corruptie, eigenlijk dus, en wat men eerder “Rechts” zou noemen..

Illustratief had men het bij het debat over Marcuse’s boek dat plaats vond in 2023 (na al die corona onzin dus) en diens huidige relevantie, alleen over het “klimaat” als probleem, en een vage maar lekker links-lijkende actiegroep als Extinction Rebellion.

Er was niet alleen onzin: ook het neoliberalisme werd meer terecht ook bekritiseerd tijdens dat debat, dat ik al met al wel okee vond. Marian Donner heeft leuke denkbeelden, en zij en Thijs Lijster vatten de kern van het boek grotendeels goed samen.

Het is daarnaast aan iedereen om Marcuse’s bevindingen toe te passen hoe men wil. Als je echt in klimaatopwarming wilt blijven geloven, dan pas je Marcuse’s stellingen daarop toe, bijvoorbeeld; nogmaals het verstarde en beperkte van ideologie. Mensen kunnen helaas maar al te makkelijk alles naar hun ideologie en vooroordelen toe redeneren.

Ik geloof wel in het bestaan van milieuvervuiling, maar niet zozeer in klimaatopwarming, omdat er eenvoudigweg geen wetenschappelijk bewijs voor is (hoeveel ik ook zocht), en het klimaatbeleid “the powers that be” wel heel goed uit komen: zo hoeven ze niet echt iets aan milieuproblemen door grote bedrijven te doen, en die machten kunnen ze zo ontzien. Mogelijk is dat ook de reden waarom de multinational Shell al vanaf het begin dus bij die klimaatdiscussie betrokken is.. Dubieus..

Dat idee van “inkapseling” is dus een centraal thema van het boek, waarvoor Marcuse ook andere, min of meer synonieme begrippen als “assimilerend” gebruikt.

ONONTGONNEN TERREINEN

Volgens Karl Marx zou het kapitalisme ten onder gaan aan zijn eigen contradicties, Rosa Luxemburg vulde echter aan dat het kapitalisme iets onontgonnens buiten zichzelf nodig heeft om toch (parasitair) te overleven, zijnde bijvoorbeeld koloniën in de tropen en hun grondstoffen, terwijl Marcuse dat “onontgonnen terrein” in de privé-sfeer, de “vrije tijd” van de arbeiders (“het volk”), ook in het Westen, zag. Dat hele leven van arbeiders en burgers zou dus ook geassimileerd worden in het kapitalistisch systeem, middels consumptie, ideologie, en taal/propaganda.

We kunnen echter nog verder gaan, en die “inkapseling” gaat in mijn analyse historisch – thans (sinds de 1980s) - door naar andere onontgonnen terreinen. De Trias Politica werd ontheiligd, met name sinds de opkomst van het neoliberalisme, sinds ongeveer 1980: staatsgesteund kapitalisme door grote bedrijven. Dit was na Marcuse’s tijd, maar zette de lijn van “inkapseling” voort richting politiek (door economische machtsverhoudingen). Politiek werd steeds meer ingekapseld door “big business” en multinationals.

In lijn daarmee is een nieuwere inkapseling gaande, die met name tijdens de Covid periode pijnlijk zichtbaar werd. Wederom na Marcuse’s tijd, maar dezelfde tendens. Zelfs zogenaamd anti-systeem “links”, en activistische in naam anti-overheids en anti-big business organisaties bleken opvallend trouwe volgers van overheidsbeleid, zelfs als met zoveel losse eindjes en ongerijmdheden als dat wereldwijde Covid-beleid vanaf 2020, of als het verhaal – hoe onbewezen ook – dramatisch en “links-activistisch” klinkt, zoals de grotendeels verzonnen klimaatalarmisme hype.

Het etnische, gender, queer, en andere “identiteit” denken werd volgens meerdere auteurs (waaronder Ewald Engelen) gestimuleerd door het neoliberalisme sinds 1980, om af te leiden van klasse en machtsverschil. Ook duidelijk een voorbeeld van inkapseling binnen het systeem waarbij een identiteit nog steeds binnen de bestaande machtsverhoudingen van het moderne kapitalisme operereert, vaak met dezelfde terminologie, en dus onschadelijk, ongevaarlijk blijft.

Subsidiestromen van de overheid spelen hierbij een rol, maar net zo goed meer onbewust een totalitaire ideologie, waarbuiten het leven moeilijk wordt gemaakt. Dezelfde “ideologie” waar Marcuse over sprak, maar dat als monster ook steeds meer opslokte, inclusief dus nu zelfs kapitalisme-kritische organisaties.

Debatcentrum De Balie zelf illustreert die inkapseling, onder meer met dwaze afdwalingen richting “klimaat” en “extinction rebellion” zoals tijdens dat 2023 debat, gecombineerd met de bevinding dat de NAVO De Balie financierde, ter pacificatie van eventuele kritiek. Debatten – hoe wellicht divers qua standpunten ook - blijven dan binnen het systeem en de bestaande machtsverhoudingen. Het is feitelijk een subtiele censuur.

Het komt mij voor dat Marcuse zeker nog relevant is in deze tijd, maar dan met name gezien de inkapseling van politiek en activistische tegenspraak in de laatste decennia, chronologisch volgend op eerst het inpassen van de arbeiders – en hun privé-leven – binnen de ideologie van de op consumptie gerichte hoog-industriële kapitalistiche samenleving.

Daarop - met name sinds het neoliberalisme - volgde dus die inkapseling van “tegen-geluiden” en anti-systeem activisten, waardoor het nog totalitairder werd dan het al was. Daarbij kwam ook censuur, in verschillende vormen. Bij propaganda hoort immers ook censuur.

Het Covid en “klimaat” beleid zoals dat in Nederland gevoerd werd liet een geslaagde “ inkapseling” van activistische organisaties, zelfs de wat radicaal-linksere milieu-organisaties, of wat linksere politieke partijen die eerder kritisch waren op het systeem (SP, GroenLinks, Dierenpartij).

Met geld kun je veel kopen en “inkapselen”, een toenemende tendens waar Marcuse dus terecht op wees.

UITWEG?

Hoe komen we hier uit, uit die totalitaire “inkapseling”?, zoals Marcuse die beschreef, was een interessante vraag aan het einde van het debat in De Balie. Ook een moeilijke vraag.

Een pasklaar antwoord anders dan als een radicalinski “dit systeem moet vallen” zeggen (wel een nieuw begin, maar mogelijk ook onrust en chaos met oorlog), heb ik uiteraard ook niet. Groeiend bewustzijn is in ieder geval een goed begin.

Een bezwaar wat ik nog wel maken kan tegen Marcuse’s redenering is dat hij wat te simplistisch veronderstelt dat ieder mens als 'n passieve robot mee gaat in die “inkapseling” door machthebbers in het systeem via taal trucjes, onderwijs, (politieke) manipulatie, consumentisme, inspelen op je behoeften, propaganda en censuur, en dergelijke.

Veel mensen, ook laagopgeleide mensen, hebben toch nog een bepaald gezond verstand, een oer-intuïtie, of bewustzijn, dat er iets niet klopt: dat bedrijven producten aan je willen verkopen, je geld willen, dat politici liegen, machthebbers die macht willen houden. Dat wordt soms als “populisme” weg gezet, maar als het zich niet richt op verkeerde zondebokken (migranten, bijvoorbeeld) – of verblind is door ideologie – zit daar wel degelijk een volkse wijsheid in, die men ook wel “wisdom of the crowds” noemt. Mensen aan de onderkant staan toch iets losser in het systeem dan hoger opgeleide ambtenaren, of goed verdienende “account managers” in commerciële bedrijven, met voorspoedige carrières.

Zeker, velen van “het gewone volk” doen mee met die “passieve consumptie”, of laten zich ook in de maling nemen door politici of het hele systeem, maar hun belangen zijn minder verbonden aan dat systeem. Dat geeft hoop voor een groeiend bewustzijn en een “grotere weigering” waar men het ook in ’t debat van De Balie over had, en ook de naam van een werk van panellid Marian Donner ( ‘De Grote Weigering’).

Mensen proberen in zo’n totalitair systeem altijd hun eigen, semi-vrije draai te vinden, iets van vrije wil te behouden, als het moet verhuld. Dat kent men ook van totalitaire samenlevingen/dictaturen, waarin men zich weinig aantrekt van een alomtegenwoordige en opdringerige overheid, hoe dwingend aanwezig ook.

Ik merkte dat bij mijn Spaanse familie onder de Franco dictatuur in Spanje (1939-1975), waarvan de meesten geen “politieke dieren” waren, maar zichzelf veelal wel links of democratisch vonden.. en die Franco en zijn regime maar probeerden te negeren.

Hetzelfde is bekend van andere dictaturen of totalitaire samenlevingen, soms zelfs met een sterk gepropageerde ideologie. Als de ideologie een grote groep aanspreekt, veelal omdat het ”slim” appeleert aan basale, aanwezige driften (tribaal, competitie, overleving, oorlog, raciaal), zal het meer draagvlak onder een volk vinden, maar toch ook niet helemaal.

Via inspelen op behoeften en dat “prettig verdovende” “gelukkig” of “vals” bewustijn via welvaart en consumptie – zoals Marcuse betoogt - is dat passieve draagvlak er ook, net zo als “raciale superioriteit” aansprak bij een deel van de Duitsers onder de Nazi’s (en eerder bij Britten en andere Europeanen in de koloniale tijd), of Italiaanse trots bij Italianen onder Mussolini, goed georganisserde staatsverzorging in communistische landen (ook verdovend, wellicht), of religieuze superioriteitswaan en tribalisme bij radicaal-Islamitische regimes.

Toenemend bewustzijn is de manier om een dergelijk pervers draagvlak – gebaseerd op illusies en propaganda – te ondermijnen of af te laten kalven, vooral als duidelijk wordt hoeveel slachtoffers dat totalitarianisme heeft, hoeveel mensenrechten het schendt, hoezeer het vrijheid en geluk – en gelijkwaardigheid – voor de meeste mensen als individu beperkt, als men maar voorbij particuliere deelbelangetjes kijkt: als man heb je het wat makkelijker onder de Taliban of in Soedan, Saoedi Arabië, of Iran, als rijke kapitalist in dit systeem, als partijlid in dictaturen, etcetera. Degenen die de klappen opvangen, die lijden, zijn “de anderen”, de zwakkeren. Jammerlijk ontbreekt solidariteit daarmee nog teveel.

Een ander kritiekpunt(je) op Marcuse’s stelling is dat hij de “passiviteit” van die inkapseling ook overdrijft in de zin dat hij lijkt te vergeten dat er ook “welbegrepen eigenbelang” bestaat, met gevestigde belangen.

Mensen uit welvarende families in big business, of met politieke macht – de “elite” -, weten heel goed dat de taal manipulerend werkt en van die gelaagde inkapseling van arbeiders door economie en technologie in het moderne kapitalisme (nu: neoliberalisme), en steunen dat omdat ze weten dat zij er goed uit komen, uit die ongelijkheid. Heel wat mensen steunen daarom bewust die “ideologie” , waar Marcuse het over heeft. Ze doen er eerder bewust dan passief aan mee. De passief-meedoende massa is voor dat systeem echter nog steeds nodig, en daar zit mogelijk een kiem van verandering, verzet, weigering.. met andere woorden: een uitweg uit die totalitaire “inkapseling” in die eendimensionale samenleving.

Een systeem gebaseerd op exploitatie van een meerderheid kan immers niet voor eeuwig stand houden, en die andere “dimensies” zullen er toch bij komen. De mens is immers – betoog ik - van nature ook niet “een-dimensionaal”.

Marcuse wees op het belang van transcendentie, ofwel “overstijging”, dus het herwinnen van echt vrij levensgeluk, eigen genot, via vrijheid, van individuele mensen. Ook betreurde hij – in zekere zin – de desublimatie (“onttovering”) van kunst, en andere menselijke gedragingen, door die technologische vooruitgang. Mogelijk biedt de “kunst” - of breder: cultuur - die nog niet ingekapseld is, via maatschappijkritiek of meer “spiritueel”, een uitlaatklep, maar ook wie weet een vehikel voor dat toenemende bewustzijn en geestelijke en daarna fysieke bevrijding van de onderdrukte mensen in deze wereld. Een internationale, en multiculturele dimensie lijken mij daarbij onontbeerlijk.

SAMENVATTEND

Mijn perspectief op en mening over Herbert Marcuse’s boek/essay De Eendimensionale Mens staat geenszins diametraal tegenover wat panelleden in dat filosofisch De Balie debat erover zeiden, zijnde Marian Donner en Thijs Lijster. Met hen was ik het regelmatig eens. Wel kon ik het meende ik aanvullen vanuit mijn perspectief en ervaring. Dat in De Balie, gecorrumpeerd door NAVO inmenging als we Left Laser mogen geloven, de door mij geconstateerde nieuwste “inkapselingen” van de politieke en linkse activistische tegenkrachten slechts mondjesmaat genoemd worden, maar grotendeels vermeden als thema, was te verwachten vanuit schuld- en/of schaamtegevoelens. Dan moet ik er maar mee komen.

Het blijft echter mijn persoonlijke mening, maar wel een “gedocumenteerde” mening gebaseerd op degelijke informatiebronnen en historische kennis, zeg ik er ter mijn verdediging bij.

Anderen, in Nederland en daarbuiten, filosofen of niet, zelfverklaard “links” of zelfverklaard “rechts”, hebben weer een ander perspectief op Marcuse’s werk en de huidige relevantie ervan. Dat betekent dat het wel invloed had, volgens sommigen goed, volgens anderen slecht, maar aantoonbaar in niet alleen het publieke debat, maar ook op universiteiten (zegt men), en op Flower Power en andere sociale bewegingen sinds de 1960s en 1970s, in meerdere Westerse landen. Rechtse (zelfverklaard “rechts” bedoel ik daarmee) ideologen bekritiseren het “cultuur marxisme” waar Marcuse en de Frankfurter Schule voor zouden staan, en dat universiteiten “links” gemaakt zou hebben, maar waarom dat zo slecht is wordt voor mij niet altijd duidelijk. Het lijkt mij ook onwaar of minstens overdreven.

Bovendien.. waarom zou de klassenstrijd geen invloed kunnen hebben op de cultuur? Dat lijkt mij zelfs realistisch als analyse. Het is geenszins een oproep tot “marxistisch geplande cultuur”, wat Marcuse nergens doet of betoogt: hij geeft slechts zijn analyse. “Denkrichtingen”, zo je wilt.

Deze, bovenstaande, post was weer mijn analyse van Marcuse’s analyse, waarbij ik “sturende” ideologie en vooringenomenheden er buiten probeerde te houden, maar wat meeging met Marcuse’s “denkrichting”. Ik observeer hierbij naar mijn idee slechts wat machthebbers in deze tijd doen ten opzichte van arbeiders/het volk, in nominale democratische landen als Nederland, en hoe totalitair dat eigenlijk is, en steeds meer wordt.

Marcuse's boek bood mij daarvoor een handvat, een "denkrichting" inderdaad, die ik wel zelf verder doordacht.

woensdag 4 maart 2026

Anne Frank's dagboek

Voor veel mensen in Nederland, en zelfs de wereld, is het Dagboek van Anne Frank een “bekend” boek. Velen zullen erover gehoord hebben, meer dan het zelf gelezen hebben, of “ze” gelezen hebben, want het gaat eigenlijk om dagboekbrieven. Meervoud dus. Het boek is overigens in 70 talen vertaald.

Ik ben zelf nu boven de 50 – vanaf een bepaalde leeftijd vier ik geen verjaardagen meer of in ieder geval "minder", zoals mijn moeder ook zei - , maar dit moet ik wel even vermelden om de tijdspanne aan te geven van mijn leven.

Ik ben geboren in Nederland, en de laatste ruim 20 jaar woonachtig in Amsterdam. Daarvoor woonde ik ook niet ver van Amsterdam (Nieuw Vennep, NH: rustig, maar saai dorp), dus kwam er weleens, en vaker toen ik in Amsterdam ging studeren, in 1996. Ik was toen inmiddels al de 20 gepasseerd, en woonde naar (denk ik) goed Zuid-Europees gebruik nog wat jaren bij mijn ouders (Italiaanse vader, Spaanse moeder).

Anne Frank’s dagboek was al sinds kind bekend bij mij, het dagboek, de connectie met de Holocaust, het bijbehorende gebouw en museum in Amsterdam. Ik deed in 2000 een afstudeerscriptie bij Greenpeace International, gelegen naast waar Anne Frank schuilde (het Achterhuis), met nog – zei men mij - daarvoor dezelfde kastanjeboom die zij zag. Die afstudeerscriptie was voor de voormalige bibliotheek academie (HBO), nu in naam opleidend tot “informatiespecialist”.

Ik hoorde er ook veel over (school, tv), maar ik moet helaas – wellicht tot mijn schande – erkennen dat ik me niet bewust kan herinneren het dagboek zelf gelezen te hebben, in al die tijd.

BOEKENWURM

Het kan zijn dat ik het ergens in een fanatieke boekenwurmen tijd die ik had na mijn “voetbal tijd” (tot ong. mijn 14e), zo’n decennium had (tot in mijn “20s”), ook “verorberd” had – dan wel deels – maar te midden van veel andere boeken en werken. Ik las toen veel over Afrika en cultuur, wist ik nog, maar ook wereldgeschiedenis. Ik vond “geografie” om een of andere reden intrigerend, en niet zo boeken waar je al zoveel over hoort, zoals enkele romans.

Dit ging allemaal veel verder dan wat van school moest, en thuis waren de meesten niet echt lezers. Het was vooral mijn eigen weg, nadat ik doordat ik een bril moest dragen (vanaf ongeveer mijn 13e) maar stopte met al dat voetballen: niet zonder spijt: de sport vind ik leuk. Ik vond gelukkig lezen en leren ook leuk en werd zelfs lid van de bibliotheek.

Mijn smaak was voorts eigenzinnig, maar wel breed en diep. Ik zocht meestal kennis die wat minder “mainstream” gepromoot werd. Harry Mulisch’s De Aanslag - een relatief bekende en ook verfilmde roman - las ik dan wel, en met plezier, maar dat was dan een van de uitzonderingen die de regel bevestigen, zeg maar. Op TV kwam Mulisch op mij grappig en interessant over, mogelijk daarom. Maar een “groot ego” boek als ‘Ik, Jan Cremer’.. daar kon ik mij niet toe zetten. Mogelijk vonden anderen het goed, maar ieder zijn ding.

Non-fictie begon me gaandeweg meer te trekken – met name over geschiedenis - , en de boekenwurm in mij bleek een intellectueel. Toen las ik wel werken van “bekende namen”, vanwege het historische belang, maar ook selectief, en, wel, op leesbaarheid. Het Communistisch Manifest van Marx en Engels las ik wel – leerzaam op zich -, filosofische werken van Herbert Marcuse, Miguel de Unamuno, en anderen.

Verder vooral ook van zwarte, antikoloniale auteurs als Walter Rodney. Diens onvolprezen werk over Europees kolonialisme in Afrika: How Europe Underdeveloped Africa, is een aanrader voor iedereen. Zeker voor diegenen die zich als Rasta of “Afrika-vriendelijk” beschouwen. Daarnaast andere interessante boeken over deelgebieden (Rastafari, Cuba, Ethiopië), en leerzame biografieën van mensen met persoonlijkheden als Marcus Garvey, maar ook van muzikanten James Brown, Lee Perry, Peter Tosh, e.a.), veelal deels samenhangend met mijn sinds mijn “early teens” ontstane persoonlijke interesses (Rastafari, Reggae).

Maar mijn maatschappelijke belangstelling bleef breed. Een ander – toch – non-fictie werk als Anne Frank’s dagboekbrieven wilde ik eigenlijk ook lezen, vooral vanwege het historische belang. Ik had er veel over gehoord, maar dat hoeft niets te betekenen.

Als er teveel egotripperij om een boek hangt - een “hype” -, stoot het me af, maar rondom Anne Frank’s dagboeken hing dat niet zo, al werd het veel besproken in de media, soms met grappen, over wat voor iemand Anne Frank was. “Een vervelend kind, maar dat hoort ook zo op die leeftijd..”, herinner ik mij dat Jeroen Krabbé in een praatprogramma zei, toen het dagboek weer eens in het nieuws kwam. Wat flauwe grappen door matige comedians daar gelaten, hadden de meeste gesprekken rond Anne Frank’s Dagboek wel wat niveau en nuance.

Controverse – vooral als van een zeker intellectueel niveau - om een boek heen maakt me wel wat nieuwsgieriger, en ik ben het dan ook gaan lezen. In het Nederlands. Als een spreekwoordelijke “elephant in the room”, maar een leuke, lieve olifant, zeg maar. Het lezen was "long overdue”..

SCHUILEN

De premisse is al indrukwekkend. Een groep Joden, waaronder Anne met haar ouders en wat anderen, moest schuilen voor de Nazi’s die Nederland hadden bezet en met steeds meer maatregelen tegen Joden kwamen. Anne was 13 toen ze begon onder te duiken (voor nog een paar jaar).

Ik kan dat relateren aan wat ik elders vernam over die Nazi-bezetting en het Nazi-regime, zoals op school, via documentaire’s, of in tentoonstellingen als het Verzetsmuseum. Er zijn critici van de weergave van die geschiedenis, maar de grote lijnen leken mij wel waarachtig. In ieder geval veelzeggend.

De wreedheid van het Duitse Nazi-regime zat hem in de militaire kracht, zeker, maar vooral het gebruik ervan. Eigenlijk gingen ze heel leugenachtig te werk, nogal sadistisch, en in zekere zin “geniepig”, zeker aangaande de Jodenvervolging.

In Nederland hadden de Nazi’s het eerst nog over een vage “strijd tegen het bolshevisme”, later toegespitst op groepen, maar geleidelijk en martelend sadistisch. Ook de afvoer naar concentratiekampen werd niet openlijk gepresenteerd als “bestemming: dood”, maar als werkkampen en tewerkstelling, waarbij velen in die kampen in het ongewisse bleven over hun gaskamer dood, terwijl ze gedwongen werkten.

Dit diabolische geheel - concreter: een Duitse oproep tot tewerkstelling aan Anne’s oudere zus - deed ook Anne Frank en de anderen schuilen in het Achterhuis, letterlijk achter een bedrijf/magazijn (van vader Otto Frank), uit het zicht, aan de Prinsengracht in Amsterdam, vlakbij de Westerkerk. Vóór die tijd, woonde het gezin Frank aan het Merwedeplein in Amsterdam-Zuid.

De dagboekbrieven betreffen het samenleven daar van Anne met haar ouders, oudere zus, en bevriende Joden (waaronder echtparen en zoon, en een tandarts), en helpende niet-Joodse Nederlanders uit het verzet, trouwe werknemers van Otto’s bedrijf, die af en toe langs kwamen ter steun, en dus wel gewoon over straat konden lopen, zonder ster, en daardoor dingen en voedsel konden brengen, etcetera..

Dit hele naargeestige gegeven moet haast wel interessant leesvoer opleveren, wie het ook schrijft, en Anne was weliswaar wat jong, rond de 13 jaar oud, doch – ook noodgedwongen – vroegrijp.

SCHRIJFTALENT

Het prettigste bij het beginnen te lezen vond ik dat ik merkte dat Anne Frank plezierig schreef in haar toch persoonlijke dagboek: het las lekker weg, een aantrekkelijke, beeldende schrijfstijl, en niet zonder droge, relativerende humor. Ze had ook een goed observatievermogen. Zeker, er waren wat kinderlijke herhalingen en fixaties bij haar schrijven, maar dat is niet meer dan natuurlijk, evenals het “pubergedrag” af en toe. Ze had zonder meer schrijftalent.

Ik merkte vooral dat Anne toch een relatief intelligent kind was voor die leeftijd, en begon mezelf af te vragen of dat ook voor mij gold op diezelfde leeftijd (13-15 jaar). Ik was goed in taal (leerde snel Engels), maar herinner mij toch ook dat ik zelfs wat “diepe beschouwingen” rond die leeftijd had – zelfs met een voetbal onder mijn arm – die iets intellectueels hadden, over de maatschappij. Al pratende met mensen, tussen het praktisch, spelend, me vermakend, bezig zijn.

Anne Frank zat echter noodgedwongen binnen ondergedoken, en moest wel veel nadenken en reflecteren, met weinig tijd voor spel en sport, of ander “vrij buitenleven”. Ze schreef ook letterlijk dat ze vroeger (nog “thuis”, niet schuilend) veel minder nadacht dan in het Achterhuis. Daar zit een wat verhulde, maar aanwezige tragiek.

De Frank familie waren Duitse Joden afkomstig uit Frankfurt am Main, en spraken deels soms nog Duits, begreep ik, naast Nederlands, en Anne had in Amsterdam jaren onderwijs gevolgd.

Ze schrijft goed Nederlands, zelfs wat formeel en vormelijk – met nuance – wat ik wel sympathiek vond, om een of andere reden. Ik vraag mij af: had dat te maken met een ouderwetsere tijd in Nederland – praatte men toen in Nederland gewoon netter en formeler – of met hun Duitse achtergrond, als taal toch formeler dan het Nederlands (ondanks de gedeelde Germaanse taalkundige oorsprong)?

Die “gedeelde Germaanse oorsprong” van Duitsers en Nederlanders maakte de Duitse inval in Nederland – zo vertelde een geschiedenislerares mij ooit – wat gematigder, want Nederlanders waren volgens de Nazi rassenleer “een Germaans broedervolk” (letterlijk zo genoemd in de propaganda), mede-Ariërs, aan de goede kant van de raciale streep. De Joden en zigeuners in Nederland toen echter niet.

De eerste jaren waren nog wel gematigd, maar wat meer verzet, zoals de Februaristaking, leidde tot wat meer disciplinaire maatregelen, duidelijk van een bezetter, in heel Nederland, maar met extra strenge regels tegen Joden (langere “avondklok”, steeds meer plekken verboden), en uiteindelijk hun vervolging en afvoering. Anne’s dagboekbrieven waren van juni 1942 tot augustus 1944, dus spelen in die tijd.

In deze context, te midden van een oorlog met de geallieerden die opmars maakten, schrijft Anne Frank in haar dagboek, zogenaamd aan een fictieve vriendin die ze “Kitty” noemt.

RELATIES EN KARAKTER

Anne bespreekt in haar dagboekbrieven aldus haar relaties en irritaties met de huisgenoten (met andere namen gegeven), het soort gesprekken en ruzies, diners, hoe ze met haar ouders is, werktaken e.a.. Ze heeft een “moeilijke” band met haar moeder, maar lijkt meer affectie voor haar vader te hebben. Er is ook de wat oudere tandarts die in huis kwam “Dussel” (ook een Duitse Jood, eigenlijk Frits Pfeffer geheten) die ze vaak maar een raar, en soms vervelend iemand vond. Vooral toch het speelse gezeur van jonge meiden, en die Dussel vond hetzelfde over Anne. Speelse irritaties - soms wat naarder – maar normaal bij elk samenwonen, vooral als zo dicht op elkaar als in dat Achterhuis.

Kwam Anne als “naar” of “vals” kind over, wat sommige lezers later stelden? Nee, in mijn beleving niet. Ze praatte nogal genuanceerd, vaak zelfkritisch, ook erkennend als ze mogelijk te hard was of overreageerde (zoals op haar snauwende, over-opvoedende moeder), en ze was positief over sommige mensen (helpende Bep), zich vooral beklagend als ze zichzelf naar haar beleving te streng of te kritisch behandeld vond worden. Alleszins menselijk en redelijk. Ik vond haar zelfs té zelfkritisch over haar zelf, te onterecht onzeker.

Dat bescheidene en openlijk “onzekere” en twijfel over zichzelf toegeven, heb ik overigens vaker bij vrouwen dan bij mannen aangetroffen in mijn leven, en is sympathieker dan hoe mannen vaak met hun onzekerheden om gaan: eerder deze overschreeuwen door het af te reageren op anderen, anderen vernederen, de pestkop uithangen, valse agressie, loze competitiviteit, e.a.

Anne was ook “zacht” voor zwakheden van sommigen. Peter, de even jonge zoon van een schuilend echtpaar Van Daan, probeerde ze soms van zijn minderwaardigheidscomplex af te praten over bepaalde schoolvakken die hem minder lagen, bijvoorbeeld, door hem te zeggen waar hij wél goed in is. Dat heeft iets “liefs”. Anders dan wat ze tegenwoordig onder jongeren wel “(player) haters” noemen: mensen die je als een soort politieman alleen aanspreken om je te bekritiseren om wat je fout zou doen, mogelijk ter heimelijke demotivatie.

Wat ik ook leuk aan haar, Anne, vond was de typisch vrouwelijke relativeringen, een soort “bird’s view” die het ridicule van situaties goed weergeeft, wanneer nodig. Mijn moeder kon dat in mijn herinnering ook goed.

UITDAGINGEN

Ook haar “uitdagingen” waren typisch vrouwelijk, en ergens ook wel grappig. Een van mijn broers vond dat de taak van vrouwen in deze wereld is mannen te irriteren en ze (positief) uit te dagen. Eigenlijk als aanmoediging dus. Vrouwen plegen communicatief wat sterker dan mannen te zijn – wel mijn ervaring, althans -, en directer qua gevoelens, dus dat werkt dan ook zo. Zeker bij mannen die zich opsluiten in hun egoïsme, en dat zijn er nogal wat, in elke situatie en cultuur. Vrouwen en meisjes “halen soms toch dingen” uit dit soort mannen, meende dus onder meer een van mijn broers.

Anne Frank was al een paar keer ongesteld geweest – schreef ze -, zich dus ontwikkelend tot jonge vrouw. Ze noemde zichzelf een “bakvis”, en had ook kalverliefdes, terugdenkend aan een jongen met wie ze een tijd “ging”, toen ze nog vrij was, voordat ze moest onderduiken. Ze herinnerde zich zijn “mooie bruine ogen”. Later verplaatste haar genegenheid naar leeftijdgenootje, en mede-onderduiker in het Achterhuis, Peter.

Dit is veelzeggend op meerdere manieren, denk ik. Ook psychologisch. De verhulde tragiek toont zich hier in de “afgesloten” normale ontwikkeling voor vrouwen in vrijheid. Ze had nog hoop dat ze uiteindelijk vrij zou komen, hierbij de oorlogsontwikkelingen – opmars van de geallieerden – hoopvol volgend, samen met mede-onderduikers in het Achterhuis, zoals via de BBC radio. Volwassen Achterhuis-bewoners debatteerden ook over het nieuws.

Tijdens de oorlog nam onrust, maar ook diefstal, in Amsterdam toe en er waren inbrekers in het magazijn (voorhuis), met angst voor ook vinden van de onderduikers in het achterhuis. Momenten van angst, terwijl Anne’s verliefdheid op Peter haar afleiding van al die spanningen leek te geven.

De “verering” die meisjes en vrouwen bij dit soort verliefdheden soms hebben, was er ook bij Anne. Hoewel het niet-autoritair is, voel ik altijd wel wat scepsis bij zoiets. Mannelijke jaloezie van mijn kant: “wat heeft hij wat ik niet heb?”. Dat sluit ik niet helemaal uit, ware het niet dat het eerder realiteitszin dan jaloezie is. Goed en slecht zit in iedereen, en sympathie en aantrekking zijn subjectief.

MAN-VROUW

Ik denk daarbij ook dat die “verering” van een jongen niet echt van binnen komt, maar dat zo’n meisje het slechts zichzelf aanpraat, of doet alsof. Ik kan mij echter vergissen. Hoef je iemand echter echt te “vereren” om je in diegene (verliefd) te kunnen verliezen? Is dat het? Het heeft ook iets ongeëmancipeerds, lijkt het, voor zo’n intelligente, “vrij denkende” meid als Anne

Toch, Anne schrijft er dan soms wel “bakvis”-achtig over, maar toch relatief intelligent en reflecterend, gewoon eerlijk zeggend wat ze voelt.

Later in het dagboek bleek ze trouwens wel degelijk geëmancipeerd te denken, en betreurde ze dat mannen teveel de baas over vrouwen spelen, domineren over vouwen, in meerdere culturen. Toch iets anders dan wat we van sommige Islamieten vernemen. Het gezin Frank was Liberaal-Joods en andere Joden in het Achterhuis zelfs sceptisch over “religie”, wat dergelijke progressieve gedachten denkelijk ook de ruimte gaf. Er zijn anno 2026 nog steeds landen op de wereld waar vrouwen zelfs wettelijk tweederangsburgers zijn, dus Anne’s boodschap is niet achterhaald, en nog relevant.

Ik bleef haar bij het lezen eigenlijk wel sympathiek en grappig vinden, die Anne. Ze beschrijft – in haar dagboek – hoe ze een vagina moet uitleggen aan Peter, die daar volgens haar nog niets van wist. Vroegrijp, haha.

Dat doet ze duidelijk, ‘t vrouwelijke geslachtsdeel beschrijven, zij het wat plastisch. Dat doet mij denken aan hoe het was geweest als ik dit boek wel al las rond mijn 13e jaar, toen ik toch al naar de jeugdbibliotheek ging. Mogelijk het “o, zit dat zo”-effect bij mij, want ik had geen zus of nichtjes dichtbij. Zou niet eens zo slecht zijn, want zoals het hoort: via een meisje en leeftijdsgenootje, al past zoiets niet in alle culturen.

Mijn ouders gaven me in ieder geval weinig seksuele voorlichting, slechts vage waarschuwingen. Dat zal ook wel een cultureel ding zijn: Nederlandse vriendjes van me hoorde ik daar wél over.

Zuid-Europeanen waren daar te preuts voor. Of leken dat, want op Italiaanse en Spaanse feesten vond ik de sfeer vaak “flirteriger” dan op Nederlandse “feestjes”. Anne’s heldere beschrijving van de baarmoeder en vagina had geholpen, haha.

LEERGIERIG

Mogelijk omdat ze uit een bepaalde klasse kwamen (haar grootvader Michael Frank had zich in Frankfurt opgewerkt tot rijk ondernemer), en door andere sociaal-culturele factoren, werd studeren en lezen belangrijk gevonden in het Achterhuis, zelfs met een onzekere toekomst. Anne was zeker ook leergierig, maar ze beschreef ook hoe verschillende mensen in het Achterhuis verschillende interesses hadden. Zijzelf vond talen en geschiedenis het interessants, maar vond algebra niets. Ze wilde ook over andere geloven, en bijvoobeeld het Nieuwe Testament, leren. Een “Alfa” dus, zoals ikzelf ook, trouwens.

Anne bleef ook aantrekkelijk schrijven, over toch een beperkte leefruimte, met wel meerdere mensen. Soms een beetje van een “roddel”-gehalte wat je later ook wel in soap opera’s of sitcoms op TV zag (The Bold and the Beautiful, Friends), maar vaak toch ook dieper, met psychologisch en filosofisch inzicht.

HET JOODSE

Interessant vond ik ook hoe Anne “het Joodse” zag, haar volk. In de huidige tijd van “identiteit” – waar ook wel misbruik van gemaakt wordt – is dat ook wel leerzaam.

Volgens een criticus van het neoliberalisme (wat ikzelf ook ben, maar dat terzijde), zoals (in Nederland) Ewald Engelen, dient de overdreven aandacht voor identiteit sinds ongeveer 1990 om sociaal-economische ongelijkheid te overschreeuwen, die toenam door Neoliberaal (pro-kapitaal) economisch beleid in Europa en VS. Een politieke afleidingstactiek dus via gender, ras, etniciteit, geloof, cultuur, zelfs seksuele voorkeur, etcetera. Als het maar niet over “klasse” en machtsverschil gaat, redeneert Ewald Engelen.

Ik kan deels met Engelen’s analyse mee gaan (gewenste afleiding van klasse), maar de “Joodse identiteit” heeft wat eigen kenmerken. Slachtoffers, maar toch in deze tijd een machtige lobby en invloed op sommige terreinen, zeker in de grootmacht (for better or worse) de VS. Christenen, Moslims, en anderen heb ik weleens horen zeggen over Joden: “ze vinden zichzelf uitverkoren door God, boven anderen, dus ze zijn zelf racistisch..”.

ZIONISME

Ook de vermeende invloed van “Zionisten”, - cynisch Israël ondersteunend via invloed op VS politiek - wordt in de huidige tijd als bovenmatig gezien in alternatieve kringen, niet eens alleen door crypto-antisemieten. Mensen als Kees van der Pijl hebben het over internationale machtslijntjes van “zionisten”, soms gretig gesimplificeerd door gefrustreerde moslims (Palestina), of andere Israël-critici.

In het begin van haar dagboek zegt Anne iets over “Zionisten” die zij kende en waar ze over las, maar wat ze als een wat radicale club afdeed, niet de Joodse mainstream. Van der Pijl stelde zelfs dat Zionisten niet per se Joden hoeven te zijn, wat het wel weer wat “vaag” maakt.

Misschien dat Joden voor hun aantal relatief veel invloed hebben in de wereld, maar ikzelf twijfel over die vergaande invloed van Zionisten in de Westerse wereld. Mijn intuïtie en (inmiddels vergaarde, ook professioneel) historische kennis zegt mij dat “zionistische” macht vooral een rookgordijn vormt voor grotere machten of complotten, meer Angelsaksisch van aard, in deze tijd.

Bankenstelsel, NAVO, Pentagon (etcetera, etcetera). Belangen van die partijen (veelal voortvloeiend uit historische wereldmacht/kolonialisme) zijn veel groter – en aantoonbaarder - dan dat van het relatief kleine land Israël, zelfs als in vijandig gebied (Midden Oosten), en wat rijke Joden die wel invloed hebben, maar slechts meeliftend op die Angelsaksische macht. Dat is mijn analyse.

UITVERKOREN

Elk land komt immers op voor het eigen nationale belang – sommige wat verbetener of met meer middelen, weliswaar. Ik ga nog een stap verder.. Ik denk dat stiekem elk volk zichzelf superieur en “uitverkoren” vindt, niet alleen Joden.

Terugkijkend en –denkend van wat ik allemaal gehoord heb: van mijn ouders, van familie in Italië en Spanje, van Nederlanders hier.. Ik kwam professioneel en sociaal ook veel mensen van andere nationaliteiten tegen, ben naar het Caraïbisch gebied geweest, de taal sprekend (Cuba, Jamaica), en woon ook in het internationale Amsterdam.

Wat ik hiervan leerde?: elk volk vindt zichzelf “uitverkoren”, zij het soms anders verwoord (superieur, “beschaafd”, nuchter, Herrenvolk, o.a.). Spanjaarden tegenwoordig met wat meer relativering (zo ook mijn moeder, die zich toch “gewoon” Spaans voelde, maar met humor en zelfspot).

Historisch “nieuwere” landen als Italië hebben die doorgeslagen trots vaak wat verbetener en humorlozer, merkte ik ook als verschil tussen mijn ouders, die elkaars landen ook bekritiseerden. Ook superioriteitswaan die (nog) steeds politiek-economisch bevestigd wordt (Angelsaksische, bijv, Engeland, VS) verliest helaas wat van die zelfrelativering, merk ik. Denk aan de culturele dominantie van de VS (Hollywood, etc.).

Anne Frank zei daar in haar dagboek iets moois en gevat over, in verband met een gesprek met Peter. Peter fantaseerde over “na de oorlog”, en dat hij dan liever als niet-Joods of Christen bekend stond in Europa, maar toch niet hetzelfde kon zijn want (wij) Joden waren toch het “uitverkoren” volk. Anne reageerde hierop met: ik hoop echter ook dat wij Joden ook voor iets goed “uitverkoren” zijn. Met andere woorden, niet slechts voor vervolging, discriminatie, e.d.

Anne voelt zich ook gewoon Joods, en zeker verbonden met het lang lijdende Joodse volk, dat sterk moet zijn, blijkt uit haar schrijfsels, maar stelt daarin ook het menselijke voorop, verlangend naar een tijd waarin ze gewoon mens en niet ”alleen Joods” was. Dit relativeert toch dat “identiteit als wapen” principe dat sommigen hanteren.

Naar mijn eigen overtuiging is het zo dat je eerst een individu bent, een mens, en daarna gevormd door je cultuur en opvoeding. Wat je daarvan mee krijgt en hoe je daarmee om gaat – plus met andere invloeden - , maakt jou als individu uniek. Niet allesbepalend, maar je kan ook niet zonder (cultuur). Dat is dan jouw identiteit, die echter individueel is. Sommige Afro-Amerikanen beschrijven dit type zelfverzekerdheid treffend met "knowing who you are", dus niet slechts "what" you are. Roots and routes.

Ik heb dat geleerd gedurende mijn leven van nu al zo’n 50 jaar, maar Anne leek dat inzicht reeds al wat te tonen rond haar 14e levensjaar, door moeilijke omstandigheden. Ook daarin toonde ze intelligentie, en ergens ook een “zachte” aard.

VERRADEN EN OPGEPAKT

Ik had eerder via de media al vernomen over de afloop van de Achterhuis ondergedokenen: verraden en in Augustus 1944 door de Gestapo opgepakt en vervoerd naar concentratiekampen – Anne overleed zo’n half jaar later aan tyfus in concentratiekamp Bergen-Belsen, net als haar zus.

Ze zaten zo’n 25 maanden ondergedoken in dat Achterhuis aan de Prinsengracht, te Amsterdam, en werden toch opgepakt.

Dit wist ik al en daardoor kregen de laatste pagina’s van haar dagboek wat extra lading, een extra dramatiek. De Duitsers/de Gestapo haalden ze op op 4 Augustus 1944, Anne schreef haar laatste dagboekbrief op 1 Augustus, dus enkele dagen daarvoor. Over haar innerlijke tweestrijd, aansluitend op haar eerdere zelfreflectie en omgang met haar vader, Peter en anderen. Gewoon, zoals Anne schreef. Nietsvermoedend, en blijkbaar kwam de Gestapo – zoals alle kwaadaardige krachten – bij verrassing, onverwachts voor betrokkenen. Het verrassingseffect geeft immorele, onzekere macht psychologisch extra glans, wat het geweten sust, en voor sadisten prettige zelfbevestiging van hun macht geeft.

Wie Anne Frank en de anderen in het Achterhuis verraadden, is nog steeds niet echt bekend, hoewel onderzocht.

ALGEHELE CONCLUSIE

Niet eens om “politiek-correcte” redenen, maar gemeend, kwam Anne Frank op mij als een sympathiek meisje/jonge vrouw over. Ik zou wel zo’n zusje gehad willen hebben.

Dit in verband met een discussie die ik ooit zag op TV, bij de NPO – ik geloof dat Jeroen Pauw presenteerde – over dat Anne eigenlijk een vervelend kind was – maar “gewoon puberde”.

Dat is te relativeren. Naar mijn indruk en ervaringen was ze relatief leergierig en intelligent en – niet onbelangrijk – zelfkritisch, met zelfrelativering. Een fijne combinatie, die je niet vaak treft. Veel mensen vinden zichzelf relatief intelligent, en in deze “neoliberale” tijden - om met Ewald Engelen te spreken – is leergierigheid maar al te vaak gericht op eigenbelang en economisch gewin. Niet bij iedereen, zeker nog niet bij kinderen van 13-15 jaar oud, maar dat zit in dit systeem.

In dat leergierige herken ik mijzelf van die leeftijd, ook wel in andere zieleroerselen van Anne. Ook begon ik rond mijn 13e jaar met schrijven (verhalen, songteksten, gedichten), zijnde toch een zogeheten “creatief type” (evenals Anne). Ook ben ik meer een Alfa (talen, geschiedenis, kunst) dan bijv. een Beta (technische jongens), zoals ook Anne, die volgens haar dagboek het vak algebra vermeed of uitstelde. Ik had daarentegen klasgenootjes (uiteraard jongens) die wiskunde juist het leukste vak vonden en “kickten” op algebra, wat ik dus niet begreep..

Ook wat verschillen, toch: ik was een jongen (meisjes zijn vroeger “seksueel rijp”), en ik was als tiener ook nogal met voetbal en daarna “coole” muziek bezig (andere jongens: met “techniek”), maar had wel relatief meer die intellectuele, “lees” en “bestudeer” neigingen, ook vergeleken met leeftijdgenootjes, die meer passief gangbare massacultuur beleefden (Mainstream media en amusement, TV, Hollywood).

Een ander belangrijk verschil zat hem juist in dat schuilen, het ondergedoken zitten van Anne, met een aantal mensen, in een beperkte ruimte: het Achterhuis aan de Prinsengracht. De buitenwereld figureert indirect, als herinnering en hoop. Zo’n opgesloten context, met onduidelijke uitkomst, doet dan als vanzelf de nadruk leggen op onderlinge relaties, stelt familierelaties op de proef, voor langere tijd. Tijdelijk maakt iedereen dat mee (krap op elkaar in vakantiehuisje, ruzies die eerder niet ontstonden, samenwonen na LAT-relatie), maar in dat Achterhuis dus uitvergroot en langer.

Alle gesprekken, eigenaardigheden, karaktertrekken, dagrituelen van de mede-onderduikers komen dan dichtbij. Dat maakt dit dagboek uniek, ook omdat Anne Frank goed schrijft, het goed duidelijk maakt: de beklemming, de sleur, naast spanning en hoop.

Je wordt op jezelf terug geworpen, wil het cliché dan, wat ook wel waar is. Ook leer je sommige mensen pas beter kennen bij intensieve omgang, al dan niet noodgedwongen, en ook jezelf. Anne dacht dus noodgedwongen meer na; in de vrije wereld kunnen we meer doen om niet te hoeven denken. Ook een verschil met mij, al woonde ik in een saai dorp: er waren mogelijkheden. Ik kon de deur uit, naar de buitenwereld.

Ongetwijfeld zullen opgesloten criminelen ook wel hun verhaal hebben verteld, maar in een andere context, en vanuit een ander perspectief. Adolf Hitler schreef Mein Kampf ook in (zij het tijdelijke) gevangenschap.

Ikzelf weiger het te lezen, maar ik ken mensen (niet eens neo-Nazi’s, maar wetenschappers) die Hitler’s Mein Kampf hebben gelezen, indirect dus Anne’s moordenaar (en van vele anderen, zoals haar).

Omdat het dus geen Neo-Nazi’s waren praatte ik gewoon met deze lezers van Mein Kampf, en zij vertelden over een “drammerige” toon, vol met ideologie, niets persoonlijks of kwetsbaars “eerlijk” van de auteur als individu, maar zich verschuilend in/achter een rancuneuze ideologie en “strijd”. Duitse, Germaanse superioriteit, (internationale) machten die het Duitse volk tegen werken, etcetera.

Waarschijnlijk om te provoceren zei boekenrecensent Rypke Zeilmaker op het alternatieve internet-kanaal Café Weltschmerz dat Mein Kampf hem qua teneur aan de Quran/Koran deed denken, of andersom, maar omdat hij wilde aangeven dat de Bijbel beter geschreven was.

Niet leuk voor mijn Islamitische vrienden, en mogelijk wilde Zeilmaker de Islam hiermee bashen, maar het onpersoonlijke en anti-individualistische – en een agressieve (en autoritaire!) heilsleer – deelde het heel oppervlakkig nog wel. Zowel de Quran – en eigenlijk ook de Bijbel – en ook Mein Kampf, zijn alle ook nadrukkelijk “mannelijke” boeken. Anne Frank’s dagboek duidelijk meisjesachtig/vrouwelijk.

Illustratief legt Hitler in Mein Kampf de schuld van al het slechte bij “anderen”, maar doet Anne Frank in haar dagboek aan zelfreflectie, en heeft het genuanceerd over goed en kwaad in ieder mens.

Wat de een teveel had, had de ander te weinig, kan een cynische conclusie zijn.

Jamaicaanse Rastafari denker/artiest Mutabaruka betoogde dat heilige boeken als de Bijbel en Koran/Quran door “onzekere” mannen (ook qua vrouwen) zijn geschreven, die dat echter goed verhullen. Dat stond hem tegen, ook al was de Rastafari beweging oorspronkelijk ook deels Bijbels gebaseerd (maar met een “Afro-centrische”/zwarte interpretatie).

Overigens is de wat poëtische Quran iets minder destructief/negatief dan de Hadith overleveringen rond Mohammed (oorlogszuchtiger, nog meer haat.. ook mannelijk dus) die fanatieke moslims helaas ook als richtlijn hanteren.

Hoe het ook zij, loze vergelijking of niet: in ieder geval is Anne Franks’ dagboek een eerlijk, menselijk boek, met een gezonde, individuele, zelftwijfelende insteek van een persoon. Eigenlijk gewoon van een open-minded, lief, intelligent meisje – met vaak goede, menslievende standpunten. Je leert haar plezierig kennen in dit dagboek, ook omdat ze “speels” schrijft.

Daarnaast heeft het dagboek aspecten die het uniek maken: de context (opgesloten in onzekere omstandigheden, in Amsterdam, schuilend, oorlogstijd/tijdsbeeld, Holocaust, etc.). Het woord “beklemming”, kwam in mij op.

Uiteraard had ik Anne een langer leven gegund. Ze wilde, zo schreef ze, schrijfster en journaliste worden, en ze was vast een goede geworden. Ze was het eigenlijk al..

maandag 3 november 2025

Twee boekrecensies in één: Hans Kaldenbach en Paulien Cornelisse

‘Doe maar gewoon: 99 tips voor het omgaan met Nederlanders’ is een boek(je) geschreven door “intercultureel adviseur” Hans Kaldenbach, eerst geschreven in 1994.

De titel suggereert een soort inleiding voor nieuwkomers, hoewel het dan mogelijk voor sommigen vertaald moet worden. Hij refereert ook naar Marokkanen, Turken, en Surinamers, en de verschillen tussen hun culturen en de Nederlandse, en wat in Nederland gebruikelijk is.

Inderdaad waren dat in 1994 (bij schrijven) al de grootste migrantengroepen in Nederland, maar het geldt uiteraard voor alle mensen van buitenlandse origine, zo te lezen. Uit Kaldenbach’s vergelijkingen lijkt hij vooral de wat exotischer buitenlander voor ogen te hebben, niet direct omliggende “Germaanse” landen, met veel meer culturele overeenkomsten (of we nu willen of niet).

Dit via 99 “tips” die eerder als thematische uitleglemma’s kunnen worden gezien.

Een klein boekske op zich, van 53 pagina’s.

PAULIEN CORNELISSE

Een ander boek dat ik al eerder had gelezen, werd geschreven door Paulien Cornelisse, en is mogelijk wat bekender: 'Taal is zeg maar echt mijn ding’, eerst geschreven in 2009, dus een tijdje later.

Het boek van Paulien Cornelisse is wat dikker dan Kaldenbach’s boek, met zo’n 229 pagina’s, en zelfs een heus register.

Ook hier: verschillende subonderwerpen/lemma’s, maar dan rond taalverschijnselen en –trends - in het moderne Nederlands.

Het boekje van Kaldenbach gaat dus over de Nederlandse “cultuur” (voor buitenlanders uitgelegd), en dat van Cornelisse over de Nederlandse “taal”.

Dat lijken twee verschillende dingen, maar uit studie van de antropologie blijkt dat in historische zin cultuur – en verschil erin - begon met taal, betekenis ontlenen via (eigen, nieuwe) metaforen. Het legt ook het praktische vast via symboliek.

Toen ik een keer de antropologie bestudeerde was dat gegeven, dat culturen met taal beginnen, iets wat ik niet wist, maar eigenlijk ook weer wel. Verhelderend, in ieder geval.

HANS KALDENBACH

Hans Kaldenbach beschrijft in ‘Doe maar gewoon’ Nederlandse gewoonten zoals op tijd komen – de klok wordt strak aangehouden – en andere haast clichématige zaken, die we wel vaker gehoord hebben, maar meestal ook wel (deels) ware cliché’s zijn: je kunt niet zomaar onaangekondigd op visite komen bij Nederlanders, noch automatisch mee-eten als op visite. Kinderen gaan vroeg en op tijd naar bed, en de omgangsvormen zijn wat ingehouden: men praat rustig, danst weinig. “Genieten lijkt wel een zonde”, stelt hij in een van de tips, dit relaterend aan een calvinistische invloed in Nederland.

Hij noemt ook positieve, minder saaie Nederlandse cliché’s als eerlijkheid, eerder schuld toegeven (vergeleken met? Buitenlanders hier?), eerder een persoonlijke mening geven (ik- versus “wij” cultuur), en beschrijft het begrip “gezelligheid”, soms samen vallend met een kopje koffie met een enkel koekje (misschien zelfs twee!).

Mogelijk is “gezellig” te vertalen naar andere talen – het Engelse “cozy” komt in de buurt – maar het is toch ook weer typisch Nederlands.

Ik herinner mij dat mijn Spaanse moeder dat woord vaak in Spaanse zinnen niet vertaalde, maar in Spaanse zinnen als leenwoord gebruikte: “era bien “gezellig” ahí dentro” (het was best wel gezellig daarbinnen).

CULTUUR EN TAAL

Zo zijn er meer taalgerelateerde dingen in Kaldenbach’s boekje, wijzend op de onvermijdelijke connectie tussen een cultuur en de bijbehorende taal.

Andersom zijn er om dezelfde reden ook culturele verwijzingen in het boek over taal van Cornelisse. Eigenlijk logisch, dus.

De Spaanse filosoof Miguel De Unamuno zei ooit: “Het ras is de taal..”. Hoewel ik het vaak met Unamuno eens ben, en hij veel zinnigs zei, was ik het hier minder mee eens. “Cultuur is de taal”, klopt al wat meer, denk ik zelf. "Ras" is als term te vaag.

Een belangrijk verschil tussen beide boeken is dat Kaldenbach spreekt over culturele gewoontes die al wat langer mee gaan, en wellicht bij jongere generaties zijn aan het veranderen, terwijl Cornelisse het vaker over huidige “taaltrends” heeft: juist die veranderingen dus, maar ook wel oudere uitdrukkingen hekelt.

Cornelisse doet dat leuk en grappig, en ik begrijp waarom het boek een bestseller werd. Van het gebruik van woorden als “gewoon”, de vage toevoeging ..”en alles”, gebruik van aanhalingstekens, voetbaltaal, “subtiel opscheppen”.. Grappig, want vaak herkenbaar om ons heen, op het werk, in ons sociale leven, of in de media.

GENERALISEREND

Kaldenbach heeft wat minder leuke humor, maar geeft wel wat interessante indrukken van de Nederlandse cultuur. Die herken ik vaak ook, maar niet altijd.

Mogelijk vanuit Nederlandse trots of verwantschap heeft Kaldenbach soms een te rooskleurig beeld van Nederlanders en hun gedrag, soms positief generaliserend, maar soms ook negatief generaliserend.

Hij stelt dat Nederlands “altijd” schuld zullen bekennen en excuses maken. Hij zet dit geniepig af tegen ander culturen (Marokkanen), die dus blijkbaar leugenachtiger en ontkennender zijn. Vooral dat “altijd” van Kaldenbach maakt het onzin. Hij verbindt dat aan een schuld-cultuur, versus een schaamte-cultuur, en een ik-cultuur, versus een wij-cultuur, maar is gewoon niet voor alle Nederlanders waar.

Kaldenbach bestudeerde ook weleens “hangjongeren”, wat mogelijk voor wat vertekening zorgde. Bij wetsoverteding zullen betrapte Marokkanen ontkennen en leugenachtig zijn, maar hetzelfde geldt voor Nederlandse misdaadplegers, of andere bedriegers en beroepsleugenaars (politici, verkopers). Die heb je onder elk volk, zoals ook de neiging om de schuld bij de ander en niet bij jezelf te leggen, vanuit een misplaatste trots, of het grote eigen ego.

PRATEN

“Je laat elkaar uitpraten” schijnt ook zoiets positiefs Nederlands te zijn, volgens Kaldenbach, en dat is wel iets meer waar, althans in formele gesprekken,of in talkshows op tv, en dergelijke. Ik zag ooit bij familie in Andalusië (Spanje) op tv een Spaanse talkshow waar er door elkaar heen “getetterd” werd, en men herhaaldelijk (tientallen keren) moest vragen “Me vas a dejar hablar?”, mag ik even uitspreken?.. Ook was het luider of zelfs “bozer”, de rustige, beheerste toon van Nederlanders ontbrak. Als iemand zijn stem teveel verheft, en men “boos” klinkt, in een Nederlands talkshow, wordt deze meestal het woord ontnomen, en de microfoon weg genomen of uitgeschakeld. In Spanje blijkbaar niet.

Ook dat “laten uitpraten” is echter generaliserend. Als Nederlanders je niet mogen, of wantrouwen, zullen ze in het sociale verkeer geen open gesprek tot stand laten komen, zoals overal, en je je zinnen niet af laten maken… een kinderachtige, en eigenlijk antipathieke, trek, - we zitten immers niet meer op de middelbare school -, maar “des mensch”.

Rustig, zonder stemverheffing, praten is volgens Kaldenbach hoe dan ook in het algemeen typisch Nederlands, wat ook wel nog steeds een beetje zo is, alhoewel verschillend per sociale groep (voetbalsupporters?, dronken feesters?).

Paulien Cornelisse heeft een grappig stuk in haar boek over zo’n uitzondering: een buurtgenoot van haar in Amsterdam: een fanatieke Ajax-fan die de gewoonte had om hard op straat “Joden!”, “Joden!” te roepen, wat nogal rabiaat anti-semtisch lijkt, als je niet weet dat Ajax-aanhangers zichzelf zo noemen.

Toch raar: stel dat een ander (wit) iemand “Chinezen!”, “Chinezen!” op straat roept. Dan vermoeden we toch een gevaarlijke, racistische frustratie bij deze persoon.

Hoe dan ook, en met welke intentie dan ook: niet alle Nederlanders praten altijd rustig en ingehouden, weet ik ook uit eigen ervaring.

Noodgedwongen grijpt Kaldenbach dus naar generalisaties, vooral vergelijkend met Marokkanen, Turken, Antillianen, en Surinamers. Het is meer sociologisch, of het nu altijd helemaal klopt, of niet.

Het leuke boek van Cornelisse is daarentegen meer psychologisch, en gedetailleerd op taal gericht, ook bij een-op-een interacties. Taalgericht, weliswaar, maar ook op dat detailniveau uit zich de cultuur van een land.

Veel van wat Cornelisse beschrijft is hoe mensen zich interessant of intellectueler proberen te maken met woordgebruik, zoals in de zinsnede “ik geloof niet in veel tv kijken”, versus “ik kijk niet zoveel tv”, of “het is een aanvaller, maar van een ander kaliber dan EEN Lionel Messi”, zoals in het Voetballiaans. Dat “een” geeft een analytisch tintje, even zeer als zeggen “ik geloof niet in..”. Dat beschrijft ze grappig.

OOGCONTACT

Niet alles herkende ik van wat Kaldenbach zei. Zo zouden Nederlanders elkaar langer en meer in de ogen kijken. Niet alleen onderschat hij daarmee man-vrouw verhoudingen en (ongewenste) seksuele spanning, maar ook in andere sociale contexten zijn ook veel Nederlanders wantrouwend, of, wat liever, te onzeker of verlegen, om oogcontact te maken, vooral in drukke steden, met etnische scheidslijnen.

Dat geldt uiteraard ook voor andere nationaliteiten en groepen, ook wat “geslotener” gemeenschappen als strengere moslims, bijvoorbeeld.

Het is geen halsmisdaad, maar sympathiek is vermijding van oogcontact natuurlijk nooit: iedereen wil “iemand die me ziet” om uit een songtekst van Doe Maar (song Radeloos) te citeren: het ontspant de relatie en sfeer, en opent mogelijkheden tot beschaafd, en wie weet zelfs inspirerend contact.

VERBONDENHEID

Dat Kaldenbach dat positieve in de ogen kijken als “typisch Nederlands” ziet (wat ik dus betwijfel) zal met de verliefdheid op eigen land – de “oer-connectie” via wortels met het eigen Nederlandse volk die hij voelt, te maken hebben. Die val je niet af, en verdedig je/praat je goed.

Ook dat is niet typisch Nederlands, maar ik merk wel dat ik (half Italiaans, half-Spaans, geboren in Nederland) die rotsvaste, eenduidige identificatie soms mis. Mijn ouders maakten grapjes over elkaars landen, met soms zelfs kritiek, en weer andere grapjes/kritiek over de Nederlandse buitenwereld.

Ook vaak grappig, maar verwarrend voor mij. Voor mijzelf probeer ik dan speels te combineren - laverend "tussen culturen in", maar het blijft ergens dubbel.

Germaanse volkeren als 't Nederlandse, zijn ook wat etnisch – en deels ook cultureel - “zuiverder” (sorry voor de dubieuze connotatie) dan “mijn” Mediterraanse landen Italië en Spanje, met veel meer historische etnische vermenging, en vooral in Spanje veelzijdig (Feniciërs, Basken, Kelten, Romeinen, Gothen, Berbers, Joden, zigeuners etc.). Dat “zuiverheid” denken wordt met zo’n historische mengelmoes lastiger.

Toen de Germanen naar Nederland kwamen woonden er al mensen (denk aan de pre-Saxische “hunebed” bouwers in Drenthe), maar het land is al met al relatief eenduidiger.

Die diepe verbondenheid met zijn Nederlandse roots schijnt door in Kaldenbach’s boek - tussen de regels door, zogezegd -, vooral in de (te) rooskleurige benadering van de Nederlandse volksaard, in vergelijking met andere culturen die daarmee negatief gekarakteriseerd worden: Nederlanders zijn eerlijker met meningen, maar ook in het schuld bekennen, terwijl die anderen (bijv. Marokkanen?)… liegend en bedriegend door het leven gaan?

Mogelijk is Kaldenbach’s oordeel vervormd door gesprekken met criminele Marokkaantjes – gepakt voor wetsovertreding - : die dus al verkeerd bezig waren. Die zijn niet per se representatief.

Kaldenbach verwart soms sociale positie met cultuur, en vergeet soms dat discriminatie bestaat. Nederlanders “durven te vragen naar promotie op hun werk”, stelt hij in een “tip”, terwijl mensen van buitenlandse afkomst in zo’n bedrijf dat niet durven, en door hard werken hopen promotie te maken.

Waarom zou dat nu zijn? Als je met de baas die “oer-connectie” deelt, tot hetzelfde volk behoort, dan ben je geen buitenstaander, maar een soort “insider”. Je kan wat meer maken en vragen.

Menig buitenlander - als buitenstaander - vreest vaak toch dat bij al teveel openlijke ambitie en uiting van een promotiewens in dat bedrijf, hij of zij als eerste weg moet bij een volgende ontslaggolf, juist vanwege teveel ambitie. Dat is dus meer sociaal dan cultureel.

Die subtiele discriminatie kennen Nederlanders in hun eigen land wat minder, en ontsnapte mogelijk ook de aandacht van Kaldenbach.

Ook Kaldenbach’s “tip” dat Nederlanders veel over het weer praten is dubieus. Dat is meer universeel, dan alleen typisch voor deze vochtige rivierdelta in NW Europa die Nederland heet. Ook in bijvoorbeeld het hete Andalusië in Zuid-Spanje, waar ik familie heb wonen, wordt over de hitte geklaagd, zelfs als niets nieuws onder de zon (ha!). Interessant feit: Zuidwest-Spanje - waar mijn "maternal roots" liggen - is formeel het warmste/heetste deel van gans Europa (over het jaar genomen).

Zoals Tom Waits terecht zong in zijn song Strange Weather: “Strangers talk only about the weather. All over the world, it’s the same..”

Andere “tips”, beschrijvingen van Nederlandse culturele gewoonten sneden wel wat meer hout, denk ik (precieze indeling van leven, ingehouden/rustig, geldgericht), in algemene, generaliserende zin dan.

Wat Cornelisse schrijft in ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ is óók vaak waar, maar meer op detailniveau, met meer psychologische diepgang. Soms lijken observaties futiel, maar toch grappig. Het steeds bredere gebruik van het oorspronkelijk existentiële woord “eigenlijk” in het Nederlands tot zoiets als: “ik was eigenlijk op zoek naar een krop sla”, in een groentewinkel.

Daar heeft ze veel leuke voorbeelden van, ook bij een woord als “toch”.

CALVINISTISCH

Ze vermoedt een calvinistische oorsprong veel gebruik van “toch”. In die protestantse interpretatie is de mens geboren met een erfzonde, als zondaar dus, die misschien door heel hard te werken/goed te doen mededogen van de Here God krijgt. In het katholicisme is er ook wel zoiets als een erfzonde, maar is het verder niet zo rigide. Hoe dan ook, vertelt Cornelisse, zegt dat “toch” dat we ondanks dat we zondaars zijn die altijd iets verplicht zijn in het calvinisme, we vandaag “toch” even gezellig en lekker zaten te eten, bijv.

Grappig en interessant, en elders verwijst ze ook naar een calvinistische invloed, zoals in relatie tot het woord “genieten”.

Daar is een parallel met het boekje van Kaldenbach, waarin hij het erin gestampte “genot is zondig” principe van het calvinisme/protestantisme noemt als verklaring van veel ingehouden cultureel gedrag van Nederlanders. Niet alleen bij praten, en feesten, maar ook qua kleding, eten, architectuur, etcetera.

Grappig genoeg zegt Cornelisse ongeveer hetzelfde in haar boek, ook in relatie tot “genieten", maar dan als taalkundig woord. Een citaat uit haar boek:

“Het probleem met Nederlanders en genieten is natuurlijk dat we er te veel over nadenken. We mogen pas met vakantie als we er eerst hard voor gewerkt hebben. Een beloning zonder dat daar eerst voor geleden is, past niet bij onze calvinistische mentaliteit.”

Om dezelfde reden wordt het woord “genieten” vaker diffuus en algemeen gebruikt, terwijl het in andere talen vaak in relatie tot iets is: “enjoying the concert”, bijv. Ook in het Spaans, weet ik “Disfrutar (genieten) DE (van).. iets.. Het genieten staat in het Nederlands daarentegen meer op zichzelf.

CONCLUSIE

Beide boeken zijn lezenswaardig, en in verschillende mate leerzaam. Bij Kaldenbach kwamen veel cliché’s langs, maar ook enkele dingen waar ik nog niet aan heb gedacht. Ook wel enkele dingen die niet leerzaam zijn, omdat ze niet waar zijn, of te simplistisch.

Deels is er ook patriottische “wishful thinking” over zijn geliefde eigen Nederlandse volk. Ik kan hem dat verwijten, ware het niet dat zoveel mensen in de wereld dat hebben. Als “intercultureel adviseur” moet je daar (van die etnische oer-connectie) echter ook los van/boven kunnen staan, vind ik.

Cornelisse behandelt deels schijnbaar futiele zaken als woordkeuze en taalgrapjes - en humoristisch - , maar is al met al psychologisch leerzamer, met - nog veel meer dan bij Kaldenbach - dingen die ik nog niet zo opmerkte (soms wel aanvoelde). Wat ze schreef over “subtiele zelfverheerlijking”, bijvoorbeeld, bij persoonlijke gesprekken, en meer verhulde egotripjes en onzekerheden via taalgebruik.

Daar zit een “spel” met taal in, dat weer dat “ingehoudene” en sobere van Nederlanders (volgens Kaldenbach) juist tegen spreekt, maar wel weer “calvinistisch” gematigd en taalgericht (de Schrift, de Bijbel), en soms ook "berekenend" qua taalgebruik, in plaats van echt artistiek.

Een Franse leraar die ik ooit had, zei dat Fransen hun taal breedsprakiger en poëtischer praten en schrijven, dan meer pragmatische en zakelijke Nederlanders met hun taal. Datzelfde “breedsprakige” geldt op een iets andere manier ook wel voor die landen van mijn ouders (Italiaans, Spaans).

Dat is misschien nog wel waar, Nederlands wordt niet (evenmin als andere Germaanse talen) al te snel poëtisch gebruikt, maar “spelen met taal” is er wel degelijk, waardoor Cornelisse ook zo’n leuk boek kon schrijven.

De mens is van nature een sociaal wezen, maar ook een “spelend” wezen, zeg ik altijd maar. Daarom zijn ook al die verschillende culturen in deze wereld ontstaan..

donderdag 1 februari 2024

Net mensen en perspectief

Je kunt het gerust een “delicaat” thema noemen, in ieder geval een “beladen” thema: het Midden Oosten en Israël daarbinnen.

OPGROEIEND

Opgroeiend in Nederland, en het onderwijssysteem in Nederland, en ook de media, volgend, krijg je al jong beelden daarover mee. Ik had sinds kind al een interesse in andere landen, en zocht informatie over Afrika of andere gebieden op in de openbare bibliotheek, zodat er wel een soort balans in aandacht ontstond in mijn geval. Mijn ouders (vader Italiaans, moeder uit Spanje), bepaalden ook deels mijn geografische interesse, en maakten het wat breder.

Desalniettemin was er zover ik mij herinner altijd relatief veel aandacht voor Israël in het nieuws en journaal.. Latere politieke machinaties van de VS of andere Westerse machten eisten ook onze aandacht op in de richting van elders in het Midden Oosten, met name Irak en Iran.

Vanwege, zegt men, het schuldgevoel van Europa over de Holocaust was er ook veel aandacht in het onderwijs en de media over de Holocaust, de Tweede Wereldoorlog, het Joodse volk, en de staat Israël, hoewel die opvallend genoeg - hoewel frequent - ook vaak oppervlakkig bleef.

Ik kon dat eerlijk gezegd wel begrijpen, hoewel ik bezwaren bleef houden (zelfs als kind al) tegen de beperkte aandacht voor gebieden op de aarde die mijn interesse hadden gewekt (soms zelfs via muziek of een goed boek..of vriendinnen van mijn moeder), zoals in Afrika en Latijns-Amerika. Ook daar ontstond wel een balans toen de Apartheid in Zuid-Afrika een tijd wat meer aandacht kreeg, zoals in het nieuws.

VATBAAR

Terugkijkend ben ik nooit – zelfs niet als kind – een “vatbaar” iemand geweest. Ook niet vatbaar voor gekleurd (“biased” in het Engels) of “propaganda” nieuws.. als iets op bijv. televisie leugenachtigs was voelde ik het meestal wel ergens aan. Ik onderzocht zelf ook graag dingen, dat scheelt. Ik had een kritische, analytische geest.

Toch.., bij maar genoeg herhaling en “drammerigheid” raakte ook ik weleens beïnvloedt of van slag. Op mijn basisschool en middelbare school (beide – ooit – van katholieke signatuur, met nog wat resten ervan) was er aandacht voor de Tweede Wereldoorlog, met – eerlijk is eerlijk – voldoende aandacht voor de Jodenvervolging en Holocaust, en het onmenselijke Nazi-beleid. Wel was de rol van het verzet in Nederland wat groter voorgesteld in het geheel. Ik twijfelde ook toen, maar het beeld dat ik kreeg was dat toen de Duitsers onder het Nazi-bewind Nederland binnen vielen in 1940, alle Nederlanders meteen massaal in opstand kwamen. Toegegeven, het werd ook weer niet zo gesteld, maar de suggestie werd sterk gewekt. De waarheid is wat anders, weten we nu. Er was wat verzet van dappere mensen, maar vooral veel angst en lafheid – zelfs deels meegaandheid -, zoals vaker onder bezettingen.

GERELATIVEERD

Ook dat werd gelukkig in het onderwijs zelf gerelativeerd. Nadat ik eerst het beeld kreeg van Nederlands massaal slachtofferschap, maar toch verzet, tegen Duitsers, relativeerden leraren die ik ook had, en die echt geschiedenis hadden bestudeerd, dit al in een vroeg stadium. Ze legden uit dat het verzet eerder uitzonderlijk was, en de behandeling van Nederlanders door de Nazi’s relatief mild was, vergeleken met bijv. Polen, omdat Nederlanders een “Germaans broedervolk” volgens de Nazi-leer waren.

Een andere (geschiedenis)lerares die ik me als leuk herinner, een blonde Groningse die goed kon vertellen,op de middelbare school in Hoofddorp, haalde mijn laatste twijfel weg, met het wrange: “na de oorlog heeft iedereen in het verzet gezeten”.. Tijdens de Duitse bezetting viel dat helaas mee.. Of eigenlijk tegen..

Latere historische bronnen bevestigden inderdaad dat Duitse invallende soldaten instructies van hogere Nazi’s kregen om zich wat rustiger en milder op te stellen tegenover de mede-Germanen de Nederlanders, of in ieder geval (niet altijd succesvol) die schijn op te houden. Het bleef een bezettende macht.

Nederlanders waren toen relatief meegaand en hadden een gezagsgetrouwe, calvinistische traditie. Deze wisten de Nazi’s in hun voordeel uit te buiten door relatief veel Joden te kunnen opsporen en deporteren in Nederland, zelfs uit een stad als Amsterdam, met toen veel Joden, en zichzelf als stad toen al “dwars” en eigenzinnig vindend. Een pijnlijke episode in Nederland en Amsterdam, ook al kwam het meestal niet door diep racistisch antisemitisme en moordzucht onder gewone Nederlanders – hoewel dat Germaanse verwantschap (en superioriteit!) idee bij sommige Nederlanders (zoals NSB-ers) wel bestond –, maar toch vaker door, wel, laffe gezagsgetrouwheid. Er bestond iets van latent antisemitisme in Nederland, ook in Amsterdam onder niet-Joden, ondanks het relatief tolerante imago, met name flauwe grappen over vermeende geldzucht of onbetrouwbaarheid van Joden, dat wel, maar dat had je in meer landen.

OUDERS

Die relativering kwam dus vanzelf wel. Soms kom je de waarheid mondjesmaat te weten. In mijn geval speelden de landen waar mijn ouders vandaan kwamen ook een rol: een Noord-Italiaanse vader, en Zuid-Spaanse moeder. Ik wist dat de geschiedenis van Italië en Spanje ook verbonden waren aan het fascisme, en voelde mij daar wat onprettig bij, als al jong open en multicultureel iemand. Daarnaast geloofde ik toen nog dat Nederland (niet alleen Joden) massaal slachtoffer was van en in verzet ging tegen Duitse Nazi’s, en ik daardoor uit “foutere” landen kwam. Onzin, achteraf bekeken.

Mijn moeder was duidelijk links en progressief en anti-Franco (hoewel ze niet graag lang over politiek praatte). Ik denk dat ze teveel humor had en van het leven hield om teveel met politiek – zeker niet partijpolitiek - bezig te zijn, maar als ze er wat over zei, was het meestal pro-vrijheid “linksig”. Eigenlijk net als ik nu.. “can’t fight genetics”, haha

Mussolini, de Italiaanse uitvinder van het fascisme, werd ook nooit positief besproken, ook niet door mijn vader. Hij herinnerde zich van de laatste jaren van het fascisme in Italië (toen hij kind was) dat er een nare, strenge sfeer heerste, veel soldaten op straat, en dat hij de fascistische groet moest geven op school, aan leraren. Niet lang daarna zette echter de democratie in, in Italië, - en economische groei -, en probeerden de Italianen te doen alsof er niets gebeurd was.

In Spanje bleef er een fascistoïde dictatuur onder generaal Franco tot 1975. Franco verbond zich wat losjes aan Hitler en Mussolini, en hun militaire hulp hielp hem uiteindelijk in 1939 aan de macht, maar hij opereerde wat strategischer en “slimmer” door zich ook weer niet te direct aan hen te verbinden, en toch een beetje diensten te verlenen aan geallieerde landen als de VS .. om zo dus niet meteen met zijn fascistische collega’s elders in Europa onder te gaan. Zo overleefde hij de Tweede Wereldoorlog: door zich er buiten weten te houden..

Binnenlands in Spanje, mengde Franco aspecten van Mussoliniaans fascisme met oerconservatieve Spaanse katholieke tradities, waardoor hij een breder deel van conservatief Spanje koest hield dat niet wist wat fascisme was, zogezegd, mogelijk mede geholpen door anti-communistische, en pro-regime propaganda. En, uiteraard, zoals in elke dictatuur, een repressie-apparaat: veel soldaten en politie op straat, censuur, en rechten ontnemen aan burgers: tegen de overheid kon je weinig beginnen.

Dat verklaart mede het eigenlijk wel schokkende feit dat mijn moeder er pas achter kwam dat die Holocaust (inclusief concentratiekampen) had plaats gevonden toen ze rond 1966 naar Nederland kwam. Spanje onder Franco onderwees dat niet. Hitler was een voormalige bondgenoot, zal een reden zijn. Er was ook weer niet een verering van Nazisme of (direct) anti-semitisme in het Spaanse onderwijs toen: thema’s waren eerder beperkt en binnenlands gericht (nationalistisch, maar niet echt een rassenleer). Het antisemitisme bestond in Spanje ook, en uitte het zich in handelsland Nederland in vooroordelen over vermeende geldzucht van Joden, in Spanje vooral in de aloude mythe onder Christenen/katholieken dat “de Joden Jezus hadden vermoord”.. Domme onzin, natuurlijk: Jezus was uiteraard Jood onder Joden.. Verraden door zijn eigen mensen, eerder..

Heel af en toe werd het wel pervers: mijn moeder vertelde dat in het staatsnieuws voor films in bioscopen in Spanje (rond de verjaar- of sterfdag van Hitler of Mussolini) ooit te zien was dat Franco als katholiek in een kerk een zegen uitsprak voor Hitler en Mussolini. Later zag ze in hoe absurd en immoreel dat was.

(foto boven: ik als begin-tiener met mij ouders in Andalusië, Spanje, rond eind 1980s).

Spanjaarden werden toen zoveel mogelijk dom gehouden, en die namen Hitler en Mussolini waren voor velen onder hen vage namen uit buitenland en historie: net als je nu tegen Nederlanders Hindenburg of Jaruzelski noemt. Schandalige, ideologische geschiedvervalsing uiteraard, maar veel verder ging die aandacht niet. Franco poogde Spanje in zijn eigen ideologische, rechts-conservatieve wereld op te sluiten. Een nationale wereld die uiteraard voordelig was voor de “powers that be” in het land, de staat, maar ook (regime-steunende) werkgevers en grote bedrijven, grootgrondbezitters, en de andere rijken, die in zo’n dictatuur (met rechteloze arbeiders) makkelijker mensen konden uitbuiten. Mijn moeder “voelde” dat, vertelde ze. Dat noemen we ook wel “onderdrukking”.

Als “linkse tante” was mijn moeder later voorspelbaar kritisch over de Israëlische bezetting van Palestijns gebied, maar zag dat – zoals ze vaker deed – vooral in termen van rijk tegen arm. Op andere punten (positie van de vrouw met name) was ze echter weer kritisch over aspecten van de Islam, maar dat was ze ook over het katholicisme.

LUYENDIJK

Ik vertel dit allemaal, “where I come from” zeg maar, omdat ik met dit verleden in mijn hoofd, pas een interessant boek heb gelezen, relevant voor dit thema: door voormalig journalist/correspondent in het Midden Oosten (w.o. Israël) Joris Luyendijk. Luyendijk beschreef zijn ervaringen in het Midden Oosten in het goed leesbare boek ‘Het zijn net mensen’, eerst uitgegeven in 2006.

Die ervaringen waren met name van 1998 tot 2003. De titel geeft al een beetje aan dat hij aandacht heeft over perspectief en vooroordelen bij een Westerse (Nederlandse) journalist als hij.

Ik zag de schrijver Joris Luyendijk ook weleens op televisie. Het was iemand die goed en prettig relativerend kon vertellen (vooral over de Arabische wereld), en ook als presentator van VPRO Zomergasten (in 2006 en 2007) dat ik regelmatig keek, vond ik hem veelal ook geslaagd. Aan dit boek ‘Het zijn net mensen’ was ik echter tot voor kort niet toegekomen.

Het Israël-Palestina conflict en andere problemen in het Midden-Oosten spelen anno 2024 uiteraard nog steeds – hoewel recentelijk tijdelijk concurrerend met die rare “covid psychose” tussen 2020 en 2023.

Vanaf met name 2022 mochten andere thema’s weer meer prioriteit krijgen, en daar zaten helaas ook dramatische ontwikkelingen bij. Geografisch werden deels de oude specialiteiten weer hervat (zoals Israël), naast bijvoorbeeld Oekraïne, en de luchtaanval op ziekenhuis in Gaza (door Israël bezet Palestijns gebied) leidde eind 2023 tot veel verontwaardiging.

CORRESPONDENTSCHAP

Luyendijk beschrijft zijn ervaringen van de periode 1998 tot 2003, toen hij de Arabische wereld “coverde” als correspondent, of een deel ervan, voor de Volkskrant en NRC, en de televisie. Zijn standplaatsen waren eerst Caïro in Egypte – waar hij al eerder voor zijn sociaal-wetenschappelijke studie (antropologie) verbleef -, en daarna Beiroet en Oost-Jeruzalem. Hij richtte zich dus eerst op Egypte en de Arabische wereld, later op Israël, en aan het eind van zijn correspondentschap op Irak, binnengevallen door de VS.

Als sociale wetenschapper van buiten de journalistiek was Luyendijk verbaasd – veelal onaangenaam verrast – door die journalistiek, i.c. de werkwijzen. De moeilijkheid ervan in Arabische dictaturen, en de afhankelijkheid van gestructureerde, internationale nieuwsfilters en stroomlijning.

Hij legt goed uit in dit boek dat in de Arabische dictaturen met sterke, bijna totalitaire repressie, vrije nieuwsgaring, of gewoon de eerlijke mening van mensen vragen, moeilijk werd gemaakt. Dit noodde bijvoorbeeld tot anoniem maken van geciteerde bronnen, om mensen niet in problemen te brengen met staatsagenten en geheime diensten. Dit maakte achtergrondartikelen ook een uitdaging vol afgeleide informatie, legt Luyendijk boeiend uit. Beeldend beschrijft hij - in meer dan een opzicht -moeizame gesprekken.

Het woord “perspectief” is voor dit boek erg belangrijk, wat al blijkt uit de titel Het Zijn Net Mensen. Zijn ervaringen in Egypte en elders botsten vaak met simplistische stereotypen die in het Westen bestonden over de Arabische wereld (eerst ook bij Luyendijk zelf), vaak overigens gevoed door partijdige – of beperkte – media. Dit betrof niet alleen politiek, maar ook cultuur en het dagelijkse leven.

De Arabische wereld is intern veel gevarieerder dan mensen denken, dat ten eerste. Verder: de aanwezigheid van “humor” onder Arabieren, moppen over anderen uit een bepaalde streek, maar ook zelfspot, ontbraken niet, en evenmin andere speelse flexibiliteit. Dit leek hem te verbazen.

MANIPULATIE

Het heeft deels met cultureel onbegrip – of vooroordelen - te maken, maar ook met partijdigheid en gestuurde belangen. Propaganda-apparaten die nieuws naar hun eigen voordeel kleuren waren er aan beide kanten, vanuit die dictaturen, maar ook bij “democratische” Westerse media. De ene anti-Amerikaans/-Westers (of –Israël), de ander pro-Amerikaans/-Westers (of –Israël), heel grof samengevat.

Vanuit deze wisselwerking tussen cultureel onbegrip, gebrek aan kennis over de geschiedenis van de regio (en van conflicten), en mediasturing/manipulatie, ontstond dan een beeld in de Westerse media, ook in de Nederlandse en bij het Nederlandse publiek.

Joris Luyendijk beschrijft hoe hij dat beeld, met moeite en beperkingen, probeerde bij te sturen met zijn stukken en bijdragen richten de werkelijke situatie onder Arabieren en in Israël.

Bij de gestuurde, “gelikte”, en geoliede propaganda of PR-machines om de journalistiek te “informeren” – en eigenlijk te binden – van de Israëlische autoriteiten, en later de VS/het Pentagon (bij de inval in Irak), staken schril af de amateuristische pogingen onder Palestijnen, en helemaal de loze, voorspelbare anti-Westerse propaganda van ondemocratische, onderdrukkende Arabische regimes, of nog erger, maar marginaler, anti-Joodse scheldpartijen, "rants", of beschuldigingen, met zowel oude economische als oude religieuze antisemitische ideeën op herhaling, maar nu door Arabieren.

Zelfs als Palestijnen in bezette gebieden toch echt vooral het slachtoffer waren en de onderliggende partij, kwam dat leed vooral op beeldgerichte televisie, PR-technisch slecht over. Het Arabische taboe op openbaar kwetsbaarheid en zwakte tonen (cultureel beperkt tot privé-sfeer), wordt in Europa, sinds ik schat zo in de hippie-tijd en 1970s (en “praatgroepen”, sociale academies) -, minder begrepen in modern Europa, waardoor het beeld van gevoelloze, Joden-hatende fanatici er soms onterecht stand houdt. Dictatoriale trekken bij Palestijnse leiders en de Hamas, bemoeilijken ook de vrije nieuwsgaring en meningsuiting, wat Luyendijk al eerder ook al in Arabische dictaturen, in nog extremere mate, merkte.

Duidelijk een cultureel en contextueel verschil, maar uitgebuit vanwege partijdigheid, en de pro-Israël (en pro-Westen) focus in ook Nederlandse media kon Luyendijk niet ontkennen. Joodse en Israëlische persvoorlichters kenden de Europese cultuur beter, en konden beter inspelen op Westerse karaktertrekken om hun kant van het verhaal te bevoordelen. Serene, rustige begrafenissen en rouwprocessen – met beperkte hysterie. Wat meer genuanceerde, of althans schijnbaar redelijk geuite, verontwaardiging of bezwaren, van toch ook Europeser lijkende Joden, leidde makkelijker tot identificatie bij Europeanen.

Luyendijk leerde hierover – de meerdere “filters” - tussen het echte nieuws en gekleurde perspectieven en belangen - gaandeweg steeds beter, en daarvan doet dit boek boeiend verslag, alsmede over zijn toegenomen begrip over wat leven onder zo’n dictatuur en bezetting in de praktijk nu echt inhoudt, ook voor gewone Arabieren. Veel angst en omkoping in dictaturen, onder andere. Veel onduidelijkheid en verwarring ook, en ook zelfbeperking. Die zelfbeperking volgend op angst leidt ook psychologisch tot allerlei neurosen of stoornissen als ontkenning of vluchtgedrag, en negatief afreageren op anderen, projectie, etcetera.

Dat kun je zo kil medicaliseren en pathologiseren. Mooier is het - en dat doet Luyendijk toch ook in het boek -, om dat gewoon als een al te menselijke reactie te zien op onrecht, onderdrukking, terreur, of oorlog. Mogelijk vanuit een andere cultuur die we niet meteen begrijpen, een armoediger samenleving, en een andere, complexe geschiedenis, die soms moeilijk uit te leggen is… maar van mensen als jij en ik.. Zonder bij voorbaat een kant te kiezen.

AFGESTOMPT

Luyendijk gaf aan dat hij deze correspondentenperiode afsloot omdat hij merkte “afgestompt” te raken te midden van gevolgen van oorlog, bezetting, conflicten en terreur.

Inderdaad een van de uitdagingen in het leven van ieder persoon: niet afgestompt raken. Niet de nieuwsgierigheid en empathie verliezen, meestal gepaard gaand met een grauwer gebruik van zintuigen, en een uitgeschakeld gevoel. Die afstomping voorkom je denk ik door je bezig te houden met positieve en mooie dingen, wat moeilijker wordt, immers, omgeven door negatieve en lelijke dingen als oorlog, geweld, gebrek, haat, en terreurdreiging.

Luyendijk was dat wijselijk redelijk voor, en kon zich blijkbaar de luxe van stoppen met zijn baan veroorloven, in die positie, en ook als iemand met “7 vinkjes” voor maatschappelijk succes, zoals hijzelf in een later boek schreef (Zeven Vinkjes). Die 7 vinkjes zijnde, wit, autochtoon, man, hetero, hoog opgeleid met hoog-opgeleide ouders, en nog wat meer (Randstad, ABN-sprekend).. geprivilegieerd dus. Wat ikzelf wel als goede graadmeter van privilege in een samenleving zie is of je zelf “wilt” stoppen met ergens te werken, of dat je ergens “moet” stoppen met werken. Onmacht dus. Verwant hieraan definieerde James Brown “soul” (zowel een muziekgenre, als kwaliteit in alle zwarte muziek) als the word “can’t”..

Luyendijk wilde en kon makkelijk weg vanuit dat 7 vinkjes-privilege, denkelijk voor iets beters elders (later schreef hij over de financiële wereld in het “wall street” van Europa: de London City), maar het leek mij een begrijpelijke keuze, zoals hij vertelt over de gewenning die afstomping werd, en die nooit goed is..

REFLECTIE

Luyendijk maakte de manipulatie van nieuws en “filters” ervoor duidelijk, ook in praktische zin, alsmede de belangen die er speelden. Mijn inschatting is dat het (het verhulde eigenbelang en de verhulde propaganda) sindsdien niet verbeterd of zelfs alleen maar erger is geworden in het zelfverklaarde vrije Westen, zoals de recente covid-hype liet zien, mede door toenemende machtsconcentratie in de media, en voortdurende ongelijke economische en militaire macht .

De vraag drong zich na het lezen van dit boek aan mij op, daar ik mij zelf eerder in de stuk als “nooit erg vatbaar” beschreef.. Ik denk althans van mijzelf dat ik een goede intuïtie voor leugenachtigheid heb, ook qua propaganda of nieuws. Mogelijk borstklopperij of mijn eigen ego strelend, en herinner ik mij opzettelijk vooral die keren dat mijn intuïtie bevestigd werd.

De kritische geluiden tegen de Israëlische onderdrukking van Palestijnen kende ik van Linkse kringen, soms ook in mijn nabije omgeving, maar ook de angst voor Islamitisch terreur. Misschien bevat een wat abstracte, maar simpele “rijk tegen arm” verklaring – zoals mijn moeder die gaf – meer wijsheid dan ik dacht. Luyendijk beschreef hoe veel geld hebben (Israël, VS, Europa) ook uitgebreide, professionele mediamanipulatie veel beter faciliteert, inclusief toegang.

De arm-rijk verklaring lijkt wat “klassenstrijd/Marxistisch”-achtig maar relativeert daarom juist het culturele ongemak dat de Arabische cultuur en de Islam soms oproepen, zoals de macho waarden, de positie van de vrouw, hysterie (je kunt ook vriendelijker zeggen: warmbloediger of temperamentvoller), en agressie en geweld. Deels ook bij mij, geef ik toe. Ik probeer dat te relativeren middels economische en vooral onderwijsverschillen, maar ook psychologische kennis die ik mettertijd opdeed.

Agressief pratende mensen die “stoer” doen, schelden, en gewelddadige bedreigingen uiten – of zelfs alleen maar druk/”hysterisch” zijn, doen inderdaad “stoer”, maar zijn ook vaak “in paniek”, “wanhopig”, en gepijnigd door trauma’s door onderdrukking en geweld, die zo overschreeuwd worden. Ze zitten “vast”. Dat kan, in ieder geval. Iemand zich zo “intimiderend” gedragend kan uiteraard even goed vol met haat en rancune zitten, zonder goede reden, maar uit onzekerheid of negatieve bewijsdrang zo zijn, als een soort gangster of crimineel. Een blik in de ogen en waarneming van houding is veelal genoeg, om te merken of iemand, zoals ik in een Reggae-liedje (Nah Tarry Ya, van Admiral Tibet) hoorde, is “ you a man of peace, or a man of war (?)..”

Wat ik mede van mijn moeder’s verhalen, levend onder de Franco-dictatuur, begreep was inderdaad het gevoel van “rechteloosheid” dat Luyendijk ook noemt als het gevoel onder een corrupte dictatuur, zoals in Arabische landen: het recht krijgt immers geen beloop, tegen machtige groepen die je benadelen of weg willen hebben. Dictaturen willen mensen rechteloos en ook dom houden, toch geldend als “verzachtende omstandigheden” als mensen hun ongenoegen iets anders uiten dan in open, vrije samenlevingen.

Veel verklikkers en verraders in dictaturen ook, en mijn moeder had het over “enchufes”, als woord voor vriendjespolitiek/nepotisme met belangrijke functies en banen voor regime-getrouwe mensen. Het Spaanse woord “enchufe” is te vertalen als “aansluiting” Of “connectie/plug-in” (voor een functie dus), en vond ik hier wel grappig omdat het een van die Arabische leenwoorden in de Spaanse taal is, namelijk volgens etymologen afgeleid van het Arabische “jawf” (maag). Dit werd dus “enchufe”, werkwoord “enchufar” in het Spaans.

Een van de punten in dit boek van Luyendijk is juist dat dit soort noodzakelijke contextualiseringen in het Westerse nieuws wat minder gegeven wordt bij Arabieren en Palestijnen, dan bij Israeliërs die hun (terechte) zorgen over terreur delen, en helemaal bij Westerlingen, of aan de kant van de VS. In de belangrijkste Westerse media werden het “Hollywood”-achtige militaire VS-perspectief uitgedragen van de militaire invasie van Irak en bijbehorende problemen (nu ook weer mbt Oekraïne). Met soms wat nuances of tegenspraak. Destijds waren de mainstream media in Nederland iets democratischer (meer debatten met tegenstanders) dan later tijdens de coronacrisis. Daar blijkt uit – filosofisch interessant – dat de realiteit complex en veelzijdig is (dictatuur, armoede, oorlog), maar leugens (w.o. media-hype’s) opvallend eenduidig en eenvormig. Veel ooit zogenaamd kritische, dwarse denkers namen immers opeens zinloze injecties/”vaccins”, bleven desgewenst thuis, en deden even zinloze maskertjes op. Even was de leugen sneller, haha.

CONTROLE

Ik definieer “trauma” deels als onvermogen (of weer: onmacht), en “de controle kwijt zijn”, t.o.v. pijn veroorzaakt door machtiger partijen. Dat doet pijn en dehumaniseert. Wat in Nederlandse, nuchtere ogen lijkt op “hysterie” onder bijvoorbeeld Arabieren, lijkt soms echter ook op “zichzelf niet onder controle hebben”. Dat roept ons wantrouwen op, en maakt wat onzeker en bang, vooral bij zich macho gedragende mannen. Zo oppervlakkig is het mediabeeld helaas, en vaak onterecht. Het voorbeeld van mensen als Martin Luther King, en Nelson Mandela laten daarentegen zien dat jezelf “toch onder controle houden” (al wordt je leven en alles wat je hebt bedreigd en onderdrukt) waardig en wijs is, en inspirerend blijft, naast ook “mediageniek” genoeg. Ook Malcolm X, iets strijdbaarder en moslim, kon in talkshows beheerst en intelligent debatten voeren met blanken en tegenstanders, zonder ongenuanceerde of onbewezen “onzin te praten” of loze, generaliserende beledigingen. Dat kwam bij weldenkende, niet vooringenomen mensen goed over.

Mogelijk zijn iets meer “vrouwelijke” waarden van zorg, communicatie,en gelijkwaardigheid - die meer een balans vonden met mannelijke in de Afrikaanse en Afro-Amerikaanse culturen -, hier nuttig voor Arabieren. Daarnaast vereist dat ook een open debat in een open, democratische samenleving waarin veel Arabieren, en zeker niet Iraqi’s onder Saddam Hussein’s onvrije dictatuur, simpelweg niet leefden.

Helaas bijt de pro-mannelijkheid focus van de Koran en Islam (naar huidige maatstaven) zich hier in de staart bij Islamitisch protest tegen het Westen.. die vrouwonvriendelijkheid is er ook ook in de Bijbel (vrouwen krijgen zelfs onterecht de schuld van dingen), maar die is gerelativeerd in het latere, vrijere Christendom. De Jamaicaanse Rastafari-aanhanger en dichter Mutabaruka stelde ooit dat die “heilige boeken” als de Koran en Bijbel geschreven zijn door “onzekere mannen”, die vrouwen op hun plaats wilden zetten (naast andere dingen), reden waarom hij er wat afstand van nam in zijn interpretatie van Rastafari.

Evenwel, alleen als je je in welvaart en in vrijheid als individu kunt ontwikkelen, heb je nog de “luxe”, of beter: ruimte, voor een vrije, aangepaste interpretatie van wat anderen “heilig” noemen. Normen en waarden, vrij leven. Zo is dat in het Westen gebeurd sinds de 1960s met het Christendom. Democratie speelde daarbij een rol, vrij onderwijs, emancipatie richting individuele vrijheid, vrouwenemancipatie, maar toch ook welvaart: niet alleen maar hoeven te overleven en strijden, maar ook gewoon leven, leren, en liefhebben. Had mijn moeder met haar (weer gewoon) “rijk tegen arm” over het Palestina-conflict toch in de kern gelijk..

De Arabische dictaturen die Luyendijk in dit boek beschrijft – met censuur en controle, en andere onderdrukkende omstandigheden en politiestaten, zoals de bezetting van Palestijns gebied, of overheersend oorlogsgeweld van de VS tegen Irak, bemoeilijken die “zelfcontrole” of “zelfverbetering voor het grotere goed” bij individuele leiders, zichzelf verbonden hebbend aan corrupte macht. Dat geldt echter ook voor die mediamanipulatie door autoritaire of belanghebbende partijen (aan beide zijden, maar zeker ook de Westerse), waardoor andere kanten van het verhaal, zelfs als er charismatische, inspirerende en overtuigende woordvoerders van zijn, gewoon minder toegang of kans krijgen.. Een treffende illustratie van hoe vrijheid en gelijkheid gerelateerd zijn.

Ik kon me altijd voorstellen dat Joden een eigen, onafhankelijk land wilden, en dat kan ik me nog, vanuit de geschiedenis. Van mij mag het, en het is niet eens onzin. Ik ben een voorstander van gezond, open nationalisme, verbonden aan cultuur/geloof, van ieder volk, dat geen andere volkeren lastig - of binnen - valt. Leuk voor de variatie ook: er bestaan immers al meerdere “Arabische” landen, dus een Joodse mag er ook bij. Dat is de “wat” kant. Verder zitten er alleen meerdere kanten aan het verhaal - met name de “hoe” kant - die het voor mij soms moeilijker maken een kant te kiezen, vooral als het nieuws onbetrouwbaar is.. Dit laatste bleek uit dit goed leesbare en leerzame boek Het Zijn Net Mensen (2006) van Joris Luyendijk.

Toegegeven, we zitten nu een tijd verder in een tijd van Internet en meer alternatieve media. De menselijke neiging om alles in het eigen voordeel en eigenbelang te manipuleren moet echter niet onderschat worden - ook niet in die alternatieve media -, vaak door middel van een quasi-beredeneerde ideologie of religie. De drammerige poging tot "verrechtsing" van het op zich legitieme coronaverzet - even kritische mensen uit de progressieve hoek (met soms meer systeemkritiek) als George Van Houts of Ewald Engelen negerend - is daar een recent voorbeeld van.

Alles neutraal van alle kanten bekijkend - en gewoon toegeven als we iets niet weten - lijkt mij dan het wijste, en dat zegt eigenlijk ook Joris Luyendijk in dit boek.. Aan de andere kant wist ik dat al een tijdje..