Posts tonen met het label cultuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cultuur. Alle posts tonen

maandag 3 november 2025

Twee boekrecensies in één: Hans Kaldenbach en Paulien Cornelisse

‘Doe maar gewoon: 99 tips voor het omgaan met Nederlanders’ is een boek(je) geschreven door “intercultureel adviseur” Hans Kaldenbach, eerst geschreven in 1994.

De titel suggereert een soort inleiding voor nieuwkomers, hoewel het dan mogelijk voor sommigen vertaald moet worden. Hij refereert ook naar Marokkanen, Turken, en Surinamers, en de verschillen tussen hun culturen en de Nederlandse, en wat in Nederland gebruikelijk is.

Inderdaad waren dat in 1994 (bij schrijven) al de grootste migrantengroepen in Nederland, maar het geldt uiteraard voor alle mensen van buitenlandse origine, zo te lezen. Uit Kaldenbach’s vergelijkingen lijkt hij vooral de wat exotischer buitenlander voor ogen te hebben, niet direct omliggende “Germaanse” landen, met veel meer culturele overeenkomsten (of we nu willen of niet).

Dit via 99 “tips” die eerder als thematische uitleglemma’s kunnen worden gezien.

Een klein boekske op zich, van 53 pagina’s.

PAULIEN CORNELISSE

Een ander boek dat ik al eerder had gelezen, werd geschreven door Paulien Cornelisse, en is mogelijk wat bekender: 'Taal is zeg maar echt mijn ding’, eerst geschreven in 2009, dus een tijdje later.

Het boek van Paulien Cornelisse is wat dikker dan Kaldenbach’s boek, met zo’n 229 pagina’s, en zelfs een heus register.

Ook hier: verschillende subonderwerpen/lemma’s, maar dan rond taalverschijnselen en –trends - in het moderne Nederlands.

Het boekje van Kaldenbach gaat dus over de Nederlandse “cultuur” (voor buitenlanders uitgelegd), en dat van Cornelisse over de Nederlandse “taal”.

Dat lijken twee verschillende dingen, maar uit studie van de antropologie blijkt dat in historische zin cultuur – en verschil erin - begon met taal, betekenis ontlenen via (eigen, nieuwe) metaforen. Het legt ook het praktische vast via symboliek.

Toen ik een keer de antropologie bestudeerde was dat gegeven, dat culturen met taal beginnen, iets wat ik niet wist, maar eigenlijk ook weer wel. Verhelderend, in ieder geval.

HANS KALDENBACH

Hans Kaldenbach beschrijft in ‘Doe maar gewoon’ Nederlandse gewoonten zoals op tijd komen – de klok wordt strak aangehouden – en andere haast clichématige zaken, die we wel vaker gehoord hebben, maar meestal ook wel (deels) ware cliché’s zijn: je kunt niet zomaar onaangekondigd op visite komen bij Nederlanders, noch automatisch mee-eten als op visite. Kinderen gaan vroeg en op tijd naar bed, en de omgangsvormen zijn wat ingehouden: men praat rustig, danst weinig. “Genieten lijkt wel een zonde”, stelt hij in een van de tips, dit relaterend aan een calvinistische invloed in Nederland.

Hij noemt ook positieve, minder saaie Nederlandse cliché’s als eerlijkheid, eerder schuld toegeven (vergeleken met? Buitenlanders hier?), eerder een persoonlijke mening geven (ik- versus “wij” cultuur), en beschrijft het begrip “gezelligheid”, soms samen vallend met een kopje koffie met een enkel koekje (misschien zelfs twee!).

Mogelijk is “gezellig” te vertalen naar andere talen – het Engelse “cozy” komt in de buurt – maar het is toch ook weer typisch Nederlands.

Ik herinner mij dat mijn Spaanse moeder dat woord vaak in Spaanse zinnen niet vertaalde, maar in Spaanse zinnen als leenwoord gebruikte: “era bien “gezellig” ahí dentro” (het was best wel gezellig daarbinnen).

CULTUUR EN TAAL

Zo zijn er meer taalgerelateerde dingen in Kaldenbach’s boekje, wijzend op de onvermijdelijke connectie tussen een cultuur en de bijbehorende taal.

Andersom zijn er om dezelfde reden ook culturele verwijzingen in het boek over taal van Cornelisse. Eigenlijk logisch, dus.

De Spaanse filosoof Miguel De Unamuno zei ooit: “Het ras is de taal..”. Hoewel ik het vaak met Unamuno eens ben, en hij veel zinnigs zei, was ik het hier minder mee eens. “Cultuur is de taal”, klopt al wat meer, denk ik zelf. "Ras" is als term te vaag.

Een belangrijk verschil tussen beide boeken is dat Kaldenbach spreekt over culturele gewoontes die al wat langer mee gaan, en wellicht bij jongere generaties zijn aan het veranderen, terwijl Cornelisse het vaker over huidige “taaltrends” heeft: juist die veranderingen dus, maar ook wel oudere uitdrukkingen hekelt.

Cornelisse doet dat leuk en grappig, en ik begrijp waarom het boek een bestseller werd. Van het gebruik van woorden als “gewoon”, de vage toevoeging ..”en alles”, gebruik van aanhalingstekens, voetbaltaal, “subtiel opscheppen”.. Grappig, want vaak herkenbaar om ons heen, op het werk, in ons sociale leven, of in de media.

GENERALISEREND

Kaldenbach heeft wat minder leuke humor, maar geeft wel wat interessante indrukken van de Nederlandse cultuur. Die herken ik vaak ook, maar niet altijd.

Mogelijk vanuit Nederlandse trots of verwantschap heeft Kaldenbach soms een te rooskleurig beeld van Nederlanders en hun gedrag, soms positief generaliserend, maar soms ook negatief generaliserend.

Hij stelt dat Nederlands “altijd” schuld zullen bekennen en excuses maken. Hij zet dit geniepig af tegen ander culturen (Marokkanen), die dus blijkbaar leugenachtiger en ontkennender zijn. Vooral dat “altijd” van Kaldenbach maakt het onzin. Hij verbindt dat aan een schuld-cultuur, versus een schaamte-cultuur, en een ik-cultuur, versus een wij-cultuur, maar is gewoon niet voor alle Nederlanders waar.

Kaldenbach bestudeerde ook weleens “hangjongeren”, wat mogelijk voor wat vertekening zorgde. Bij wetsoverteding zullen betrapte Marokkanen ontkennen en leugenachtig zijn, maar hetzelfde geldt voor Nederlandse misdaadplegers, of andere bedriegers en beroepsleugenaars (politici, verkopers). Die heb je onder elk volk, zoals ook de neiging om de schuld bij de ander en niet bij jezelf te leggen, vanuit een misplaatste trots, of het grote eigen ego.

PRATEN

“Je laat elkaar uitpraten” schijnt ook zoiets positiefs Nederlands te zijn, volgens Kaldenbach, en dat is wel iets meer waar, althans in formele gesprekken,of in talkshows op tv, en dergelijke. Ik zag ooit bij familie in Andalusië (Spanje) op tv een Spaanse talkshow waar er door elkaar heen “getetterd” werd, en men herhaaldelijk (tientallen keren) moest vragen “Me vas a dejar hablar?”, mag ik even uitspreken?.. Ook was het luider of zelfs “bozer”, de rustige, beheerste toon van Nederlanders ontbrak. Als iemand zijn stem teveel verheft, en men “boos” klinkt, in een Nederlands talkshow, wordt deze meestal het woord ontnomen, en de microfoon weg genomen of uitgeschakeld. In Spanje blijkbaar niet.

Ook dat “laten uitpraten” is echter generaliserend. Als Nederlanders je niet mogen, of wantrouwen, zullen ze in het sociale verkeer geen open gesprek tot stand laten komen, zoals overal, en je je zinnen niet af laten maken… een kinderachtige, en eigenlijk antipathieke, trek, - we zitten immers niet meer op de middelbare school -, maar “des mensch”.

Rustig, zonder stemverheffing, praten is volgens Kaldenbach hoe dan ook in het algemeen typisch Nederlands, wat ook wel nog steeds een beetje zo is, alhoewel verschillend per sociale groep (voetbalsupporters?, dronken feesters?).

Paulien Cornelisse heeft een grappig stuk in haar boek over zo’n uitzondering: een buurtgenoot van haar in Amsterdam: een fanatieke Ajax-fan die de gewoonte had om hard op straat “Joden!”, “Joden!” te roepen, wat nogal rabiaat anti-semtisch lijkt, als je niet weet dat Ajax-aanhangers zichzelf zo noemen.

Toch raar: stel dat een ander (wit) iemand “Chinezen!”, “Chinezen!” op straat roept. Dan vermoeden we toch een gevaarlijke, racistische frustratie bij deze persoon.

Hoe dan ook, en met welke intentie dan ook: niet alle Nederlanders praten altijd rustig en ingehouden, weet ik ook uit eigen ervaring.

Noodgedwongen grijpt Kaldenbach dus naar generalisaties, vooral vergelijkend met Marokkanen, Turken, Antillianen, en Surinamers. Het is meer sociologisch, of het nu altijd helemaal klopt, of niet.

Het leuke boek van Cornelisse is daarentegen meer psychologisch, en gedetailleerd op taal gericht, ook bij een-op-een interacties. Taalgericht, weliswaar, maar ook op dat detailniveau uit zich de cultuur van een land.

Veel van wat Cornelisse beschrijft is hoe mensen zich interessant of intellectueler proberen te maken met woordgebruik, zoals in de zinsnede “ik geloof niet in veel tv kijken”, versus “ik kijk niet zoveel tv”, of “het is een aanvaller, maar van een ander kaliber dan EEN Lionel Messi”, zoals in het Voetballiaans. Dat “een” geeft een analytisch tintje, even zeer als zeggen “ik geloof niet in..”. Dat beschrijft ze grappig.

OOGCONTACT

Niet alles herkende ik van wat Kaldenbach zei. Zo zouden Nederlanders elkaar langer en meer in de ogen kijken. Niet alleen onderschat hij daarmee man-vrouw verhoudingen en (ongewenste) seksuele spanning, maar ook in andere sociale contexten zijn ook veel Nederlanders wantrouwend, of, wat liever, te onzeker of verlegen, om oogcontact te maken, vooral in drukke steden, met etnische scheidslijnen.

Dat geldt uiteraard ook voor andere nationaliteiten en groepen, ook wat “geslotener” gemeenschappen als strengere moslims, bijvoorbeeld.

Het is geen halsmisdaad, maar sympathiek is vermijding van oogcontact natuurlijk nooit: iedereen wil “iemand die me ziet” om uit een songtekst van Doe Maar (song Radeloos) te citeren: het ontspant de relatie en sfeer, en opent mogelijkheden tot beschaafd, en wie weet zelfs inspirerend contact.

VERBONDENHEID

Dat Kaldenbach dat positieve in de ogen kijken als “typisch Nederlands” ziet (wat ik dus betwijfel) zal met de verliefdheid op eigen land – de “oer-connectie” via wortels met het eigen Nederlandse volk die hij voelt, te maken hebben. Die val je niet af, en verdedig je/praat je goed.

Ook dat is niet typisch Nederlands, maar ik merk wel dat ik (half Italiaans, half-Spaans, geboren in Nederland) die rotsvaste, eenduidige identificatie soms mis. Mijn ouders maakten grapjes over elkaars landen, met soms zelfs kritiek, en weer andere grapjes/kritiek over de Nederlandse buitenwereld.

Ook vaak grappig, maar verwarrend voor mij. Voor mijzelf probeer ik dan speels te combineren - laverend "tussen culturen in", maar het blijft ergens dubbel.

Germaanse volkeren als 't Nederlandse, zijn ook wat etnisch – en deels ook cultureel - “zuiverder” (sorry voor de dubieuze connotatie) dan “mijn” Mediterraanse landen Italië en Spanje, met veel meer historische etnische vermenging, en vooral in Spanje veelzijdig (Feniciërs, Basken, Kelten, Romeinen, Gothen, Berbers, Joden, zigeuners etc.). Dat “zuiverheid” denken wordt met zo’n historische mengelmoes lastiger.

Toen de Germanen naar Nederland kwamen woonden er al mensen (denk aan de pre-Saxische “hunebed” bouwers in Drenthe), maar het land is al met al relatief eenduidiger.

Die diepe verbondenheid met zijn Nederlandse roots schijnt door in Kaldenbach’s boek - tussen de regels door, zogezegd -, vooral in de (te) rooskleurige benadering van de Nederlandse volksaard, in vergelijking met andere culturen die daarmee negatief gekarakteriseerd worden: Nederlanders zijn eerlijker met meningen, maar ook in het schuld bekennen, terwijl die anderen (bijv. Marokkanen?)… liegend en bedriegend door het leven gaan?

Mogelijk is Kaldenbach’s oordeel vervormd door gesprekken met criminele Marokkaantjes – gepakt voor wetsovertreding - : die dus al verkeerd bezig waren. Die zijn niet per se representatief.

Kaldenbach verwart soms sociale positie met cultuur, en vergeet soms dat discriminatie bestaat. Nederlanders “durven te vragen naar promotie op hun werk”, stelt hij in een “tip”, terwijl mensen van buitenlandse afkomst in zo’n bedrijf dat niet durven, en door hard werken hopen promotie te maken.

Waarom zou dat nu zijn? Als je met de baas die “oer-connectie” deelt, tot hetzelfde volk behoort, dan ben je geen buitenstaander, maar een soort “insider”. Je kan wat meer maken en vragen.

Menig buitenlander - als buitenstaander - vreest vaak toch dat bij al teveel openlijke ambitie en uiting van een promotiewens in dat bedrijf, hij of zij als eerste weg moet bij een volgende ontslaggolf, juist vanwege teveel ambitie. Dat is dus meer sociaal dan cultureel.

Die subtiele discriminatie kennen Nederlanders in hun eigen land wat minder, en ontsnapte mogelijk ook de aandacht van Kaldenbach.

Ook Kaldenbach’s “tip” dat Nederlanders veel over het weer praten is dubieus. Dat is meer universeel, dan alleen typisch voor deze vochtige rivierdelta in NW Europa die Nederland heet. Ook in bijvoorbeeld het hete Andalusië in Zuid-Spanje, waar ik familie heb wonen, wordt over de hitte geklaagd, zelfs als niets nieuws onder de zon (ha!). Interessant feit: Zuidwest-Spanje - waar mijn "maternal roots" liggen - is formeel het warmste/heetste deel van gans Europa (over het jaar genomen).

Zoals Tom Waits terecht zong in zijn song Strange Weather: “Strangers talk only about the weather. All over the world, it’s the same..”

Andere “tips”, beschrijvingen van Nederlandse culturele gewoonten sneden wel wat meer hout, denk ik (precieze indeling van leven, ingehouden/rustig, geldgericht), in algemene, generaliserende zin dan.

Wat Cornelisse schrijft in ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ is óók vaak waar, maar meer op detailniveau, met meer psychologische diepgang. Soms lijken observaties futiel, maar toch grappig. Het steeds bredere gebruik van het oorspronkelijk existentiële woord “eigenlijk” in het Nederlands tot zoiets als: “ik was eigenlijk op zoek naar een krop sla”, in een groentewinkel.

Daar heeft ze veel leuke voorbeelden van, ook bij een woord als “toch”.

CALVINISTISCH

Ze vermoedt een calvinistische oorsprong veel gebruik van “toch”. In die protestantse interpretatie is de mens geboren met een erfzonde, als zondaar dus, die misschien door heel hard te werken/goed te doen mededogen van de Here God krijgt. In het katholicisme is er ook wel zoiets als een erfzonde, maar is het verder niet zo rigide. Hoe dan ook, vertelt Cornelisse, zegt dat “toch” dat we ondanks dat we zondaars zijn die altijd iets verplicht zijn in het calvinisme, we vandaag “toch” even gezellig en lekker zaten te eten, bijv.

Grappig en interessant, en elders verwijst ze ook naar een calvinistische invloed, zoals in relatie tot het woord “genieten”.

Daar is een parallel met het boekje van Kaldenbach, waarin hij het erin gestampte “genot is zondig” principe van het calvinisme/protestantisme noemt als verklaring van veel ingehouden cultureel gedrag van Nederlanders. Niet alleen bij praten, en feesten, maar ook qua kleding, eten, architectuur, etcetera.

Grappig genoeg zegt Cornelisse ongeveer hetzelfde in haar boek, ook in relatie tot “genieten", maar dan als taalkundig woord. Een citaat uit haar boek:

Het probleem met Nederlanders en genieten is natuurlijk dat we er te veel over nadenken. We mogen pas met vakantie als we er eerst hard voor gewerkt hebben. Een beloning zonder dat daar eerst voor geleden is, past niet bij onze calvinistische mentaliteit.”

Om dezelfde reden wordt het woord “genieten” vaker diffuus en algemeen gebruikt, terwijl het in andere talen vaak in relatie tot iets is: “enjoying the concert”, bijv. Ook in het Spaans, weet ik “Disfrutar (genieten) DE (van).. iets.. Het genieten staat in het Nederlands daarentegen meer op zichzelf.

CONCLUSIE

Beide boeken zijn lezenswaardig, en in verschillende mate leerzaam. Bij Kaldenbach kwamen veel cliché’s langs, maar ook enkele dingen waar ik nog niet aan heb gedacht. Ook wel enkele dingen die niet leerzaam zijn, omdat ze niet waar zijn, of te simplistisch.

Deels is er ook patriottische “wishful thinking” over zijn geliefde eigen Nederlandse volk. Ik kan hem dat verwijten, ware het niet dat zoveel mensen in de wereld dat hebben. Als “intercultureel adviseur” moet je daar (van die etnische oer-connectie) echter ook los van/boven kunnen staan, vind ik.

Cornelisse behandelt deels schijnbaar futiele zaken als woordkeuze en taalgrapjes - en humoristisch - , maar is al met al psychologisch leerzamer, met - nog veel meer dan bij Kaldenbach - dingen die ik nog niet zo opmerkte (soms wel aanvoelde). Wat ze schreef over “subtiele zelfverheerlijking”, bijvoorbeeld, bij persoonlijke gesprekken, en meer verhulde egotripjes en onzekerheden via taalgebruik.

Daar zit een “spel” met taal in, dat weer dat “ingehoudene” en sobere van Nederlanders (volgens Kaldenbach) juist tegen spreekt, maar wel weer “calvinistisch” gematigd en taalgericht (de Schrift, de Bijbel), en soms ook "berekenend" qua taalgebruik, in plaats van echt artistiek.

Een Franse leraar die ik ooit had, zei dat Fransen hun taal breedsprakiger en poëtischer praten en schrijven, dan meer pragmatische en zakelijke Nederlanders met hun taal. Datzelfde “breedsprakige” geldt op een iets andere manier ook wel voor die landen van mijn ouders (Italiaans, Spaans).

Dat is misschien nog wel waar, Nederlands wordt niet (evenmin als andere Germaanse talen) al te snel poëtisch gebruikt, maar “spelen met taal” is er wel degelijk, waardoor Cornelisse ook zo’n leuk boek kon schrijven.

De mens is van nature een sociaal wezen, maar ook een “spelend” wezen, zeg ik altijd maar. Daarom zijn ook al die verschillende culturen in deze wereld ontstaan..

woensdag 2 augustus 2023

Stereotypen

Zijn stereotypen per definitie beledigend? Of kunnen ze “goedaardig” zijn, “onschuldig”, dan wel een “kern van waarheid” bevatten, zoals men over cliché’s zegt?

Het bezwaarlijke van stereotypen is uiteraard de generalisatie. Dat blijft mijns inziens bezwaarlijk, omdat het in zekere zin het indidividu als mens ontkent, en derhalve “dehumaniseert” tot groepslid. Grote woorden, maar in gradaties kun je dat wel zo stellen. Als vooroordelen kunnen ze ook tot discriminatie in de praktijk leiden.

“Alle Nederlanders zijn zuinig”, bijvoorbeeld, bevalt mogelijk niet elke gulle, niet-materialistische Nederland als stereotype, maar is relatief onschuldig. Het is een van die stereotypen die, denk ik, Nederlanders zelf ooit de wereld in hebben gegooid. Het heeft immers iets nuchters en bedachtzaams, evenals het andere stereotype dat Nederlanders “nuchter” zouden zijn.

Minder onschuldig zijn generaliserende stereotypen als “Marokkanen zijn agressief”, of “Surinamers zijn lui”. De inzet is namelijk al negatief. Een opgefokte Marokkaan die dat bevestigt kun je zo sneller dehumaniseren, en een uitkeringstrekker die het wel prima vindt zo en liever niet werkt, en toevallig Surinaams is, krijgt wat meer kritiek dan een autochtone Nederlander die nog luier leeft: omdat hij niet “van buiten” komt, natuurlijk.

TOESLAGEN-AFFAIRE

Dat laatste bleek des te minder onschuldig, omdat tijdens de Toeslagen-affaire in Nederland bleek, dat de Nederlandse overheid (eventuele) uitkerings-/bijstands-fraude specifiek meer bij bepaalde etnische (minderheids)groepen ging controleren. Dit is net zo racistisch als het klinkt, maar ging zelfs uit van de premier Mark Rutte, als eindverantwoordelijke. Het betrof onder meer Somaliërs, die extra controle kregen op fraude. Later volgde daar een juridische reprimande op – zij het halfhartig -, en werd Mark Rutte zelfs formeel veroordeeld voor racisme. Rutte’s populariteit bleek echter onverminderd: vele verarmingen van volksdelen, leugens, lockdowns en avondklokken later. Vraag me niet waarom..

Je trof zelfs de nodige gecorrumpeerde – of op zijn minst: verwarde - dwazen aan – vooral ter “nep” linkerzijde - die quasi- of selectief verontwaardigd deden over de toeslagenaffaire (al dan niet terecht), maar Rutte en het kabinet in alle andere (inmiddels aantoonbare) onzin bleven steunen, inclusief de loze, op totaliarisme gerichte corona-hype/pLandemie, de verhulde Navo/militair-industriële belangen bij oorlog in Oekraïne, en de door Shell bedachte klimaat-milieu wisseltruc. Maar dat terzijde..

Het stereotype van de feestende Somaliër (of Antilliaan, of andere etnische minderheden) van “ons” belastinggeld, opgebracht door hard werkende nette Nederlanders, speelde bij deze toeslagenaffaire in ieder geval een rol.

“POSITIEF”

Stereotypering is generalisatie en derhalve versimpeling, en misschien ook al te menselijk, kun je redeneren. Zoals mensen (wereldwijd) wel meer – ook racistische en seksistische - onzin denken en praten, gebaseerd op frustratie en te weinig kennis. Zijn ze echter, nogmaals, altijd beledigend of verkeerd? Je hebt weliswaar ook positieve stereotypen, of die dat lijken, over volkeren, waar een zeker wantrouwen op zijn plaats is: “Joden zijn slim”, om maar wat te noemen, of “Latinos’s feesten graag”, “zwarte mensen kunnen goed dansen”, “Indiërs zijn goed met computers”, etcetera..

Sommigen zullen denken: deze hebben een kern van (zij het versimpelde) waarheid, maar ze zijn alleen quasi-onschuldig.. Ik denk namelijk niet dat de mensen uit die etnische groepen zelf deze stereotypen bedacht hebben, wat ik bij (vaak Europese) mensen wel denk: Nederlanders zien zichzelf graag als zuinig en nuchter, Engelsen als koel en flegmatisch, Italianen zichzelf als gepassioneerd.. Ze vinden het ook ego-strelend om dat van anderen te horen. Zelf-beelden zijn per definitie “coole beelden”, zeg maar.

Stereotypering heeft derhalve, betoog ik, nare en dubieuze, zelfs discriminatoire kanten. “Reducerend” , en het woord “ontmenselijkend”, schuw ik zelfs niet. Het reflecteert onvermijdelijk de ongelijke machtsverhoudingen in deze wereld. Aan de andere kant heeft het – althans: de aandacht voor stereotypen -, betoog ik tegelijkertijd, menselijke en leerzame kanten. Soms ook grappige kanten.

BINNEN EUROPA

Stereotypes binnen Europa kunnen ook als onterecht ervaren worden, maar zijn soms grappig. Grappig, puur door de menselijke behoefte aan bevestiging bij twijfel en onzekerheid, aan simpele, overzichtelijke categorieën. Een zwakke behoefte, toegegeven, maar de mens is nu eenmaal zwak. Dit bleek immers ook bij allerlei politieke manipulaties van “het volk” door de geschiedenis heen. Dat “zwakke” hoeft echter niet altijd (bedoeld) “slecht” te zijn: en eigenlijk net zo flexibel als de menselijke geest.

CASE STUDY

Ik zal al deze aspecten nu nader bestuderen aan de hand van een case study van persoonlijke aard. Als halve Spanjaard (Spaanse moeder) en Spanje als land goed kennende (en de taal sprekend), en opgegroeid in Nederland, met ook nog een Italiaanse vader, kwam ik onvermijdelijk stereotypes over Spanje tegen, en reacties van Spanjaarden erop, die ook weer hun stereotypes hadden.

DAT ZIJN NOU TYPISCH SPANJAARDEN

Ik heb daar pas wat over gelezen, zoals het grappig bedoelde, informatieve boek: ‘Dat zijn nou typisch Spanjaarden: gids voor xenofoben’, uit 1994, vertaald uit het Engels, maar ik las het in het Nederlands. Drew Launay, een Engelsman met Franse ouders, schreef het. Het is met zo'n 63 pagina's niet al te omvangrijk.

De titel verraadt al de zelfspot en –relativering, wat ik wel waardeer. Hier geen mensen aan het woord die pretenderen de wijsheid over Spanjaarden in pacht te hebben: ze willen gewoon grappig, luchtig generaliserend over de Spaanse cultuur schrijven, in een niet al te serieus “informatief” boekje. Humoristisch bedoeld ook.

In dezelfde serie verscheen ‘Dat zijn nou typisch Grieken’ of ‘Dat zijn nou typisch Fransen’. In het vervolg kort ik het boek over Spanje in ieder geval af tot DZNTS.

Wat betreft Spanje, voel ik minder afstand en kan me dus ook in theorie “beledigd” voelen door zo’n flauw boekje. Ik kan ook dingen “herkennen” of (rationeel) als juist of onjuist zien.

ASTERIX

Erg oppervlakkig ben ik niet, en ben o.m. historisch onderlegd, dus zal de stereotypes ook breder kunnen duiden. Dit deed ik zelfs met een ander, evenmin erg serieus, maar wel “informatief” boek met stereotypes over Spanje voor het grote publiek: ‘Asterix in Hispania’, ouder, uit 1967. Ook hier: gelukkig speels, humoristisch, en relativerend, en als kind was ik eigenlijk een fan van Asterix de Galliër. Leuke verhalen, zonder dat ik me onderworpen voelden aan racistische propaganda. Bij Kuifje en Suske & Wiske had ik dat idee wel, zelfs als kind, voelde ik bezwaren (Afrikanen met dikke lippen en kookpotten). Het Belgische geweten en de verhulde schaamte rond de koloniale misdaden in Congo, werden hier vals duidelijk.

De geschiedenis toegankelijk gemaakt, zo zag ik Asterix stripverhalen eigenlijk. Belgen, Goten (Scandinaviërs) en Britten (of hun voorouders in de Romeinse tijd) dronken toen al veel bier. Bier drinken heeft ook een lange geschiedenis in Noord-Europa (want het bestanddeel hop groeit daar, niet in Zuid-Europa), dus historisch feitelijk.

Galliërs, belangrijke, Keltische voorouders van de huidige Fransen, hielden toen al van lang tafelen, met een wijntje erbij, Romeinen praatten met hun handen (samengebalde vingers) als huidige Italianen, etcetera. Stereotypes, maar ook grappig.

BELEDIGEND OF GRAPPIG?

Vond ik dat ook gelden voor Asterix in Hispania? Kon ik er om lachen, als halve Spanjaard?

En om dat andere boekje DZNTS ook?

Het antwoord is ja. Om weinig was ik persoonlijk beledigd in relatie tot mijn waarden. De beschreven “stereotypen” in beide boeken waren toevallig in mijn beleving ook niet negatief, dat scheelt. Als er een negatieve trek als “gewelddadig” of “ongemanierd” gegeneraliseerd zou worden, zou ik wel wat bezwaren hebben. Ik vind Spanjaarden in het openbaar iets beleefder dan dat deel van Nederland dat ik goed ken (Randstad), dus zou ik ook een onterechte karakterisering vinden.

Zelfs het hardnekkige stereotype van het grotere “racisme” van Spanjaarden – meerdere mensen spraken erover dat Spanje lang “de rednecks” van Europa waren, omdat een term als “negro” (letterlijk: “zwarte”) voor een voetballer openlijk en direct geuit wordt – klopt denk ik niet.

De multiculturele, stedelijke samenleving die we kennen van Amsterdam, Londen, of Parijs, kwam evenwel wat later (en beperkter) naar Madrid en Barcelona. Dat verklaart het verschil. Landen als Nederland en Engeland hadden derhalve meer tijd om een “subtiel” indirect racisme te ontwikkelen ten opzichte van mensen die er nu eenmaal zijn (maar wel hun plaats moeten weten). Grotere groepen van “je eigen mensen” maken ook dat je in een “bubbel” met je eigen mensen kunt blijven, dus ook minder last hebt van negativiteit van de autochtonen: je hoeft minder contact met ze te hebben. Zo simpel is het. Spanje had dat eerst minder, dus iets meer (openlijk) ongemak.

Het boekje DZNTS (uit de jaren 90), stelt dat het moderne Spanje (na de dictatuur van Franco) inmiddels op zich niet xenofober is dan andere Europese landen, ook omdat het open naar de wereld ging, mede door toerisme, en migratie wat normaler is geworden.

STEREOTYPEN OVER SPANJE

Welke stereotypen onderscheiden Spanjaarden dan wel van andere Europeanen, volgens datzelfde boekje (en Asterix In Hispania, dat in 1967 verscheen)?

Dan werd het grappig: ik moest soms ook echt lachen om de droge toon. “Alles moet leuk zijn” voor een Spanjaard, en werk is een "noodzakelijk kwaad", is de rode draad in het boekje DZNTS. Nogal wat anders dan het ernstige, protestantse arbeidsethos dat andere delen van Europa (waaronder Nederland) beïnvloedde.

Het woord “negocio” voor “zaken” (business) in het Spaans komt, veelzeggend genoeg, van “neg” (niet/afwezig) en “ocio” (vrije tijd): “niet vrije tijd” (negocio) dus tegenover het Engelse “drukheid” (business). Cultuurverschil.

Spanjaarden praten veel en lang, stelt het boekje voorts bewust overdrijvend. Daarnaast, ook overdreven stellig: Spanjaarden “plannen” niet graag, en als er een afspraak is, wordt die makkelijk vergeten of vervangen door iets dat “leuker” is op dat moment (een gesprek, bijv.). Zo’n overdreven stereotype met een (kleine) kern van waarheid, denk ik.

Albert Helman (Lou Lichtveld), een Surinaamse Nederlander die verslag deed van de Spaanse Burgeroorlog in 1936, beschreef die neiging als “nonchalance met betrekking tot organisatie” en als inderdaad terugkerend, ook in een situatie waar dat ongunstig uit kan pakken, en organisatie vereist is, zoals in de strijd tegen de veel beter getrainde en geëquipeerde troepen van de couppleger Generaal Franco: een modern, professioneel leger, zogezegd, bijna on-Spaans. Dat anarchistische vertaalde zich in Spanje in bepaalde episoden ook in politieke bewegingen, ook tijdens die Burgeroorlog aan “Linkse”, Republikeinse kant. Dit kwam helaas de effectiviteit niet ten goede, en de gedisciplineerde, getrainde militair Franco maakte daar uiteraard misbruik van, om de oorlog door zijn coup te winnen (wat hem lukte in 1939).

Dat vrijheidslievende/anarchistische, ongeplande, heeft historische voorlopers in de Spaanse geschiedenis, met geconcentreerde Romeinse troepen in steden, maar anarchie erbuiten, en de lang durende (met tussenpozen) strijd tegen de Moorse, Islamitische overheersing, met langzame “herovering” van Christenen vanuit het noorden, maar met veel “niemandslanden” en bovendien veel interne verdeeldheid binnen het Moorse deel, dat vaak ook een “strakke regie” miste. De eerste eeuwen van Moorse overheersing werd de Islam ook weinig dwingend opgelegd.

VOLKSAARD

Dit alles droeg bij aan wat je een Spaanse “volksaard” kan noemen. Een bekend begrip, maar bestaat dat wel: een “volksaard”. Is het niet een verzameling stereotypen, dus te generaliserend?

Ik denk wel dat culturele patronen zich geografisch kunnen concentreren of beperken vanwege een bepaalde geschiedenis, in combinatie met natuurlijke omstandigheden. Spanje is een van de bergachtigste (na Zwitserland en Oostenrijk), en droogste landen van Europa, deels onherbergzaam, met een centrale hoogvlakte rond bergketens.

Lijkt toch iets moeilijker te organiseren en tot welvaart te brengen dan de groene polders met sloten, zoals in Holland, of zelfs de vruchtbare Po-vlakte in het welvarende deel van Italië.

“Plannen” gaat in zo’n ruig landschap wat moeilijker, en gecombineerd met chaotische episoden met autoritaire regimes, afgewisseld met weinig strakke, centrale regie en planning, in de Spaanse geschiedenis, ontstaat dan vanzelf een wat anarchistische, niet-plannende, ongeorganiseerde levenshouding.

ZEDEN

Ook het Franco regime (1939-1975), hoewel een dictatuur, was niet zo totalitair zoals hardliners rond Franco eerst wilden. Het botste op de Spaanse en Latino cultuur. Hoewel moordpartijen in de vroege dictatuur, wat extra wetten, en simpelweg veel politie en militairen op straat, het Spaanse volk wel degelijk intimideerde. Er was een katholieke invloed in de Rechtse dictatuur (verder gemengd met fascistische elementen), dus die nieuwe wetten waren deels zedelijke wetten, die een beetje zoals in Iran vooral “vrije” vrouwen en seksualiteit/genotzucht moesten inperken (vrouwen mochten niet fietsen, geen strakke kleding dragen, lang geen broeken voor vrouwen), naast bijvoorbeeld niet zoenen in de openbare ruimte, of al te vrije feesten/samenkomsten op straat.

De belangrijke avenues en pleinen in steden als Madrid en Barcelona die alle toeristen wel kennen (Plaza de España, Plaza Mayor, Puerta del Sol, Callao, las Ramblas, Plaza de Cataluña), waren tijdens de dictatuur gevuld met politie en militairen (of guardias civiles).. ter controle. Dit nam aan het einde van de dictatuur (vanaf ongeveer 1968) wat af.

Anekdotisch bewijs, ook binnen mijn eigen familie, toonde echter aan dat de wetten niet overal even strikt werden aangehouden, tenzij er een politie-agent in de buurt stond, en zelfs dan (als bevriend) was er flexibiliteit (oogje toe, deze x geen boete of arrestatie), kon je geluk hebben: op zijn Latijns dus, en Spaans “informeel” dus. Zoenen op straat bleef wel verboden, zoals mijn Spaanse peettante (vriendin van mijn moeder, al in Spanje) in Madrid onder Franco ondervond, toen ze zoende op straat met haar nieuwe, Nederlandse vriend, en een politie-agent haar vermaande. Mijn moeder stond hierbij.

Hoe dan ook, na Franco’s dood in 1975, kregen alle typisch Spaanse neigingen tot vrij, ongeorganiseerd leven weer alle ruimte, zo geeft het boekje DZNTS ook aan. Ook de seksuele moraal in het dagelijkse leven in het moderne Spanje, wordt er gekarakteriseerd als “los”, en seksuele lust als normaal en geaccepteerd, voor mannen en vrouwen. De auteur(s?) relateren dat interessant genoeg aan het relatief wat minder voorkomen van zware zedenmisdrijven, dan in samenlevingen met meer religieuze repressie. Juist tegenovergesteld dan preutse autoriteiten beweren, dus.

In een ander boek dat ik las, over een ander deel van de wereld (niet-Islamitisch, Sub-Saharaans Afrika) werd vreemd genoeg hetzelfde gezegd: minder zedenmisdrijven dan elders door lossere seksuele moraal, dus minder frustratie. De in de media nogal uitvergrote verkrachtingen tijdens oorlogsgeweld in Congo – die overigens ook plaatsvonden tijdens de Tweede Wereldoorlog, en de recente Joegoslavië-oorlog – spraken dit echter tegen, en bevorderden helaas weer een ander hardnekkig (eigenlijk ook onjuist) stereotype over Afrikaanse mensen.

Om een cultuur echt te kennen, moet je erin zitten, blijkt hier maar eens uit. Anders krijg je, inderdaad, stereotypen, generalisaties, en vooroordelen.

Het boekje ‘ Dit zijn nou typisch Spanjaarden’/DZNTS noemt voorts een relativering van geld en carrière als middelen en niet doelen op zich: het moet vooral “leuke” doelen hebben (feesten, familie, opscheppen) en dient geen arbeidsethos op zichzelf. De natuurlijke omgeving – de familie - wordt meer als geluksbron gezien in Spanje dan rijkdom door werk, wat zelfs nog iets “verlichts” lijkt te hebben ook. Dit lijkt dan een “positief” stereotype.

NEOLIBERALISME

Wel verfrissend in dit neoliberale tijdsgewricht, en tegelijkertijd aantonend hoe “angelsaksisch/protestants” dat neoliberalisme (moderne VS kapitalisme) in feite is. Dit verklaart ook de financiële (begrotingsdiscipline) conflicten in de EU tussen Noord- en Zuid-Europa. Spanjaarden hebben zich een beetje aan dat neoliberalisme aangepast, is mijn indruk, maar niet heel sterk. Het informele en ongeorganiseerde, en de voorkeur voor plezier en “natuurlijke relaties” boven werk, is wat beperkt, soms even gaan slapen, maar zeker niet dood.

Veel armere mensen “moeten” in Spanje zo’n 40 uur werken, zoals overal, om rond te komen, maar een cultureel aspect wat in Spanje wat sterker is dan in, zeg, Duitsland of Nederland, is dat het ook als “moeten werken” wordt ervaren. Als het even kan dus “vermeden”, evenals (strakke) “planning”, want “niet leuk”. De siësta – lange middag-pauze – waar Spanjaarden koppig aan vast blijven houden, maar ook past bij het warme klimaat, dient naar mijn idee ook als tegenwicht tegen “moeten werken”.

Ook de vele patroonsfeesten op de Spaanse kalender, en vele dorpsfeesten, geven die voorkeur voor “feesten” aan, inclusief dansen en zingen.

De latere en gebrekkige industrialisatie, en de gebleven connectie met “het (platte)land”, deelt Spanje met Ierland, inclusief de neiging tot feesten en plezier (naast werk). In de westelijke helft van Europa, zijn dat om die redenen ook de landen met de relatief rijkste “volksmuziek” (Ierland en Spanje). Helaas deelt het ook de conservatieve katholieke traditie, inclusief reactionaire perioden.

Volgens het boekje ‘Dat zijn nou typisch Spanjaarden’ is ook de rol van de katholieke kerk in het dagelijkse leven van moderne Spanjaarden inmiddels sterk verminderd. Nu niet veel anders schat ik in, dan pakweg het huidige Frankrijk of Zuid-Nederland. Tenzij het een aanleiding voor patroons- of andere feesten zijn, want dat vinden Spanjaarden – daar is het weer – “leuk”.

Over de Franco-tijd zegt dit boekje het volgende: “toen Franco nog leefde deed hij erg zijn best om de Spaanse bevolking onder controle te houden, maar hij slaagde er niet in het Spaanse vermogen tot plezier maken aan banden te leggen. Hij kon de Spanjaarden alleen maar een aantal jaren iets minder gelukkig maken”.

Leuk verwoord, en tegelijkertijd verwijzend naar de verborgen werkelijkheid achter het “achterlijke”, conservatieve imago Spanje had, elders in Europa in de jaren 60 en 70 (1960-1975), en wel daarna.

Mensen als mijn moeder en andere Spaanse migranten naar bijv. Nederland in de jaren 60, “vluchtten” veelal, minstens economisch, maar vaak ook politiek. Spanje bleef economisch achter, kreeg geen Marshall-hulp na de Tweede Wereldoorlog, en Franco werd door sommige landen geboycot, hoewel deels alleen in naam. Er vonden wat pogingen van “nationale zelfvoorziening” plaats, die veelal mislukten door zelfoverschatting, en eigenlijk ook de lage industrialiseringsgraad en technologische achterstand.

Wat mijn moeder het meest waardeerde toen ze in Nederland kwam rond 1966, zo vertelde ze mij, was niet de welvaart, de betere economie met beter betalende banen (ook voor haar), nee.. dat benaderde ze meer met de houding van “a woman’s gotta do what a woman’s gotta do” (ze stuurde, zoals andere migranten uit arme families, ook geld van haar loon naar Spanje, naar haar moeder). Ze sprak vooral de waardering uit voor het respect dat ze ontving als werknemer (bloemen op de eerste dag als “chamber maid” in een hotel in Zandvoort, bezit van de rijke Amsterdamse Caransa familie).

In het harde fascistische Spanje van toen, werd ze als werkzoekende, voor slechtere banen, als zeurende zwerver behandeld, dan wel als sloof, dus meer botte, cynische afhankelijkheid zonder respect.

Behalve dat, waardeerde ze ook de formele beleefdheid en behulpzaamheid op meer plekken in Nederland, en de vrijere samenleving en bijeenkomsten, ook voor jongeren.

Dit lijkt los te staan van het begrip “volksaard”. Hier heeft de politieke situatie invloed, autoritair regime of democratie.

Iedereen, ieder mens, wil vrijheid en plezier maken. Hoe die vrijheid en dat plezier ingevuld worden kun je “cultuur” noemen. Een mooi, vaak complex iets, maar vaak versimpeld in “stereotypen”. Soms is dat denigrerend (of afgunstig?), soms humoristisch bedoeld, zoals in het boekje DZNTS dat ik hier bespreek.

Dit boekje bevat verder grappige one-liners over die “volksaard” als:

Van systemen verwacht men in Spanje meestal niet dat ze functioneren”, of:

De Spanjaarden drinken niet om hun remmingen los te laten, want die hebben ze niet”,

Stilte werkt Spanjaarden op de zenuwen. Dat is ook de reden dat het Spaans niet gewoon gesproken, maar naar elkaar geschreeuwd wordt”, en deze:

Spanjaarden laten zich weinig gelegen aan regels – want regels zijn niet leuk”.

Dit laatste citaat herhaalt nogmaals het “niet willen plannen” of “niet aan tijd willen denken” en het vermaak-zoekende als stereotypen. Een soort rode draad door dit boekje, DZNTS.

Nogmaals, niet echt negatieve stereotyperingen, en als overdreven of onjuist, dan toch te grappig verwoord om echt beledigend te zijn. Ze worden zo gerelativeerd.

ASTERIX

Ook in de Nederlandse Wikipedia-pagina over het begrip ‘stereotypes’ worden de stripverhalen Asterix de Galliër genoemd als milde, amusante hanteringen van stereotypen. Ook visueel, heel goed en treffend getekend, door de soms geniale illustrator Uderzo.

De tekeningen zijn zo leuk, de verhalen en humor erin zo speels, dat je vergeet dat veel van het verbeelde stereotypen zijn. Wederom: meer grappig dan beledigend.

In Asterix in Hispania (1967), komen alle cliché’s langs: het hete klimaat, Don Quichot, de vele feesten, stierenvechten, Flamenco en zigeuners, olijfolie, alsmede slechte organisatie en traagheid. Daarnaast ook aspecten als “trots” en “eer”, en het bekende vurige temperament. In de chaotische organisatie en in het vele feesten en dansen in het Asterix in Hispania verhaal worden de stereotypen uit het boekje DZNTS nogmaals bevestigd: vermaak-gericht, en niet willen plannen, traag- of luiheid.

Met mijn kennis van geschiedenis kan ik natuurlijk wat bezwaren aantekenen en correcties plaatsen: de Hispaniaanse mensen in het Asterix boek over de Romeinse tijd, zeggen voortdurend, cliché-matig “Olé”, terwijl die term uit het Arabisch komt (Moorse overheersing), zo’n 6 eeuwen later dus. Net als het Castiliaanse woord Ojalá (betekent: “laten we het hopen”, “hopelijk”) verwijst het naar God (Arabisch: Allah), bij God’s wil, prijs God, dat idee. Een van de vele Arabische leenwoorden in het Spaans (Castiliaans) om historische redenen. “Olé” als term gebruiken huidige Spanjaarden als uitroep wel veel: een beetje in de betekenis zoals zwarte Amerikanen “right on!” gebruiken – positieve bevestiging, dus, dus dat stereotype heeft wel iets van waarheid.

Om diezelfde historische redenen is de opmerking van iemand in het Asterix boek dat “we” (Spanjaarden) “van Grieken afstammen”, simplistische onzin. In de loop der eeuwen is het DNA van Spaanse mensen nogal vermengd, en bovendien verschillend per regio. Romeinen en Moren (Berbers, Arabieren) droegen eraan bij, maar ook eerder Kelten, Feniciërs (een proto-semitische taal sprekend), Carthagers (dat verhaal van Hannibal speelde deels in Spanje), Basken en hun voorouders, Iberiërs, Westgoten, Vandalen, Joden, en weinig Grieken. Daarnaast ook mensen die er al woonden toen de Feniciërs zo’n 1200 vóór Christus de eerste stad in Spanje stichtten (het huidige Cádiz, in Andalusië), van onduidelijke etnische origine.

DNA

Hoe dan ook, serieuze, wetenschappelijke DNA-studies sinds de jaren 1950s (toen DNA-studies eerst opkwamen), laten niet overtuigend één belangrijkste etnische voorouders van de huidige Spanjaarden zien, alleen een beetje bij de Basken. Andere landen in de wereld hebben dat wat meer (een dominante groep - nooit enige - voorouders), maar Spanje is veel gemengder. Zelfs de inquisitie bleek niet al te succesvol (te "Spaans" gepland?) en aardig wat in naam bekeerde Joden bleven uiteindelijk toch in Spanje (toch ruim 40% van hen). "Keltisch" DNA in Spanje wordt geschat op zo'n 30% (Portugal iets meer), geconcentreerd in het Noordwesten, maar "Germaans" DNA maar op zo'n 5%, "Berbers" DNA al met al op minstens 10%, maar dit alles is soms moeilijk te meten, onderzoekstechnisch gezien: Westgoten spraken een Germaanse taal, maar waren gemengd met Slaven, en Semitisch DNA kan ook van eerdere Feniciërs komen en niet alleen van Joden of Arabieren, Romeinen stuurden soms soldaten van Gallische of Griekse afkomst. Etcetera, etcetera.

Verder vind ik DNA-studies vanuit historisch perspectief wel een interessant studieterrein, overigens pas historisch ontwikkeld na de dwaze rassentheoriën van de Nazi's. Het had die Nazi-onzin mogelijk wat gerelativeerd, hoewel voorspelbaar de landen met Germaanse talen inderdaad wat meer Germaans DNA hebben.

Misschien neem ik het allemaal te serieus, kun je betogen, want het is grappig bedoeld. Asterix – gericht op kinderen – heeft echter ook wel een educatieve functie.

Wat ik inderdaad niet te serieus moet nemen, in dit geval, zijn de stereotypen in Asterix in Hispania, en evenmin die in het eerdergenoemde boek DZNTS. De auteurs relativeren zichzelf al, en daarmee hun stereotypen. Dat maakt het minder denigrerend of kwetsend.

STAND-UP COMEDY

Hetzelfde zie je bij veel stand-up comedy, zowel in Nederland als daarbuiten. Vooroordelen en stereotypen bespreken – en er grappen over maken – is in dat genre erg gangbaar, soms zelfs de norm. Richard Pryor en Eddy Murphy deden dat al goed en grappig, niet zonder zelfspot. Je hebt verschillende soorten humor, uiteraard, en ik schreef daar een eerder blog artikel over. Humor kan ook verschillende functies hebben, deels ook nare en ideologische: stereotypen bevestigen, volkeren denigreren en uitsluiten. De “blackface” traditie in de VS en deels in Europa bijvoorbeeld, humor tegen Joden (cartoons in Islamitische landen), en andere racistische grappen, zonder enige zelfspot en relativering. Dit is meestal “sarcastisch” van aard, waardoor ik niet zo positief ben over “sarcastische” humor, zoals anderen.

Nederlanders vinden zichzelf sarcastisch, en Amsterdammers helemaal. Tenzij ze het woord verkeerd gebruiken en “ironisch” bedoelen (een gangbare fout), zou ik iets anders zoeken. Humor kan situaties en wereldlijke onzin leuk relativeren en in een ander perspectief plaatsen, zonder dat je mensen persoonlijk, laag-bij-de gronds, per se hoeft te vernederen. Iets van zelfspot en zelfrelativering (als karaktertrek niet zo sterk ontwikkeld bij Amsterdammers) zou al helpen. Als er iets is wat ik bij Spanjaarden iets sympathieker vind dan bij Nederlanders (ik ben het allebei, in feite) is dat Spanjaarden meer zelfspot hebben.

Veel stand-up comedy, ook in de VS en Groot-Brittannië, en zelfs in het sarcasme-rijke Nederland, is goed en grappig omdat het die zelfrelativering, die zelfspot wel heeft. De eigen mening wordt niet zo bloedserieus genomen, en bescheiden genoeg wordt niet verhuld dat het vanuit een eigen, beperkt perspectief is. Niet al te serieus te nemen, en daardoor prettig. Geen “bully-achtige” metaforische “hand tegen de keel” waardoor je niet kunt ademen en in een hoek gedwongen wordt, zoals een keiharde racistische grap die je op straat in Amsterdam soms keihard kan overvallen.

Zelfs de meest met stereotiepen spelende delen van deze comedy van mensen als Eddy Murphy, Richard Pryor, en latere goede, succesvolle comedians als Lenny Henry, Dave Chappelle, Katt Williams, Russell Peters, Sarah Silverman, waren niet zo denigrerend als ze leken (over blanken die niet kunnen dansen bijvoorbeeld). Het zijn meer begrijpelijke observaties over cultuurverschillen. Geen wetten van Meden en Perzen.

Ze hoeven niet in alle gevallen waar te zijn, zoals de Nederlandse zuinigheid, en in Spanje noemen ze Catalanen “zuinig”, mijn moeder noemde Italianen “jaloers”, etcetera, maar de manier waarop het gebracht wordt – met “zachte” humor - , maakt dat relatieve, betwistbare eigenlijk al duidelijk.

HOLLYWOOD

Stereotiepen en het verwante cliché’s vind ik wel negatiever uitpakken in Hollywood-films. Deze zijn nog veel invloedrijker dan stand-up comedy, met name de laatste decennia. Ze zijn wereldwijd populair, gericht op vermaak en spektakel, maar drijven toch vaak op cliché’s en een (soms verhulde) pro-VS bias. Zelf-beelden zijn altijd “coole” beelden, zei ik eerder, dus ook hoe de VS gepresenteerd wordt in Hollywood films uit de VS. Orde, rationaliteit, en democratie in de VS, gekken en chaos daarbuiten, al te beginnen in Mexico.

Dat is soms subtiel, omdat politiek-correcte stromingen direct racisme in een kwaad daglicht stelden, sinds de 1970s met name, maar het is er nog steeds. Heel toevallig – of eigenlijk niet – sloten en sluiten ze ook heel goed aan bij het buitenlands militair/politiek beleid van de VS, met invallen in Iraq en Libië en zo, veelal gericht op eigenbelang. Britse films en series hadden lang datzelfde pro-imperialistische euvel.

Ook de African Americans lijken dan wel een plaats te hebben in vele Hollywood-films, net zoals sommige “token” Latino’s, maar in veel films worden toch negatieve stereotiepen over zwarten en Latino’s eigenlijk bevestigd. Ook in populaire, invloedrijke films die vanuit het zwarte perspectief lijken uit te gaan, zoals in Boyz In The Hood.. Er zullen ook wel wat mooie, menselijke, universele aspecten in zulke films zitten, maar ook veel “vieringen” van een minderwaardigheidscomplex en een laag zelfbeeld. Jezelf reduceren tot een groepslid, een stereotype.

Met name kwetsbare jongeren, met een beperkt referentiekader, worden daardoor beïnvloedt, ook in Europese steden, denk ik. “Gangstertje spelen”, zeg maar, als de enige “zwarte” film die je keek Boys In The Hood was. Hadden ze beter Spike Lee-films kunnen kijken.

Stereotiepen kunnen dus op verschillende manieren gevaarlijk zijn. Zowel bij minderheidsgroepen zelf in het gedrag, maar uiteraard ook in verband met machtsverschillen, als een witte werkgever mensen onterecht discrimineert voor een baan (niet aannemen/uitnodigen) vanwege niet een individu maar alleen een (in potentie irritant) groepslid ziet, of als een overheid in een Europees land raciale, etnische minderheden strenger gaat controleren op bijstands-/uitkeringsfraude dan de eigen mensen, en dat nog geaccepteerd wordt ook (de Toeslagen-affaire).

Onschuldig is alleen de relativering, en daarmee betwijfelen van die stereotiepen, soms juist door ze te benoemen en uit te vergroten. Met goede, positieve humor, zeg maar.

In gradaties zit dat in zowel dat boekje, Dat Zijn Nou Typisch Spanjaarden, waar ik het over had, de Asterix-strips, en in de betere (stand-up) comedy. Het gaat toch om de intentie. Lachen om cultuurverschillen maakt de wereld denk ik ook leuker en interessanter. Mijn ouders deden niets anders, zelfs die van de eigen echtgeno(o)t(e).

Het is daarnaast historisch leerzaam om te onderzoeken hoe die stereotypen zijn ontstaan..

CONCLUSIE

Tja, welke conclusies kan ik hier verder nu uit trekken? Kloppen de grappig weergegeven stereotypen over Spanje in de genoemde werken, naar mijn ervaring, ook met familie?

Laat ik zeggen dat ik deels meen te herkennen wat ze bedoelen te zeggen. Qua gebrek aan planning en aversie tegen kloktijd zijn er ook volkeren “in de tropen”, zoals Latijns-Amerika waarvan dat nog veel meer gezegd wordt, als stereotiep, maar in ieder geval in vergelijking met andere Europese landen geldt dat vaker te laat komen en mindere planning van Spaanse mensen wel. In Cuba bijvoorbeeld, evenals in Jamaica, was een kloktijd-afspraak veelal een “vage indicatie”, ervoer ik op beide eilanden. Het gericht zijn op feesten en liever niet willen werken, ben ik inderdaad bij veel Spaanse mensen min of meer schaamteloos tegen gekomen.

Echter: ook wel (in mindere mate) bij bijvoorbeeld Nederlanders of Italianen, met name levenslustige vrouwen, wat ik leuk vond. “Girls just wanna have fun”. Niet iedereen is een robot. In meerdere mate trof ik die feest-neiging boven werklust zelfs bij Cubanen en Jamaicanen. Spanjaarden zijn er misschien iets schaamtelozer in om dat toe te geven, en dat beantwoordt aan een ander stereotype in het boek ‘Dat Zijn Nou Typisch Spanjaarden’/DZNTS: dat Spanjaarden nogal “informeel” zijn in omgangsvormen.. lees: direct, ongefilterd.

Sociologisch en historisch wijt ik dat aan de gebrekkigere industrialisatie (slechts rond grote steden en Baskenland) en de gebleven verbinding met het platteland, het agrarische. De omgangsvormen zijn daarmee ook wat “boerser”, vergeleken met bijvoorbeeld Duitsland of Nederland. Niets mis met zulke plattelands-principes, zeg ik altijd maar.

Ook het terugkerende stereotype van "sterke familiebanden" die Spanjaarden zouden hebben herken ik wel, maar is niet anders in veel andere culturen, met name ook armere landen buiten Europa, en betreft vooral de "extended family", niet vooral het kerngezin zoals elders in Europa. Wat breder dus, en de vader-zoon of vader-dochter verhouding op zich is soms daarom zelfs sterker in Noord-Europa of Noord-Amerika. Mijn moeder maakte altijd grapjes over de vond ze overdreven verering van "daddy!" in Amerikaanse films, dus dat is ook relativeerbaar.

Die verschillen in “volksaard” tussen Europese volkeren zijn inmiddels overdreven (de wereld is internationaal, men imiteert elkaar, reist meer, wil verandering), maar met nog steeds een grond, een aanwezige kern.

Spanje moet zich aanpassen aan het neoliberalisme, terwijl steeds meer Noord-Europeanen fanatieker zijn gaan feesten - de klok vergetend -, alsof ze altijd al zo waren.

Het meest interessante vindt ik hierbij zelf de connectie met de moderne variant van het kapitalisme, het neoliberalisme, die wereldwijd veel invloed heeft, zeker sinds 1980, en een duidelijk VS/Angelsaksisch stempel heeft. Derhalve ook Protestants qua arbeidsethos, en gevormd door andere “angelsaksische” filosofische stromingen als utilitarisme, en materialisme, welke in “Latijnse “ landen toch minder aansloegen.

Het “kapitalisme” komt historisch uit het Protestantisme voort, weet niet iedereen, maar het voert te ver dat nu uit te leggen. Wel verklaart dit alles - samen met ruige natuurlijke condities - de “cultuurverschillen” van Spanje met, zeg Duitsland of de VS, die te versimpelen zijn tot de eerdergenoemde stereotypen.

Die verschillen zijn bovenal menselijk en eigenlijk ook grappig. In ieder geval zeker warmer en liefdevoller dan de koude cijfers van geld en materialisme.

Cultuur is wat je krijgt als je mensen met rust laat, zeg ik altijd.

Mijn hoop is dat deze natuurlijke neiging tot vrijheid van gewone mensen, van een eigen gevormde cultuur zonder inmenging van bovenaf of machtige partijen, van plezier en inspiratie, en van echte muziek en (levens)kunst en levenslust, altijd sterker zullen blijven dan welke economisch/politieke, elitaire - en totalitaire - machtsgreep en onderdrukking ook..

dinsdag 2 mei 2023

Simon Carmiggelt

Simon Carmiggelt (1913-1987) was een bijzondere Nederlandse auteur, maar is ook één van die “televisie-herinneringen” voor veel mensen. Zonder twijfel is dat een “generatie-ding”. Tot in de 1980s heb ik nog bewust zijn zogenaamde ‘kronkels’ op televisie gezien: voorgelezen verhaaltjes, anekdotisch, meestal poetisch. Iemand – mogelijk hijzelf – noemde deze treffend “schetsen”, wat ik een mooie aanduiding vind. Alledaagse taferelen en gesprekken, maar toch met een diepere laag. In 1987 was zijn laatste tv-uitzending en “kronkel”. Hij was echter al veel langer op tv, ook in de jaren 70 bij de VARA.

SOCIAAL-DEMOCRATISCH

Carmiggelt is geboren in Den Haag. Of hij een “Hagenaar” – uit een rijk deel/rijke familie – of een “Hagenees” – uit een armer deel of armere familie – weet ik eigenlijk niet. Hij zat in ieder geval veelal in de “linkse”, sociaal-democratische hoek – kwam ook uit zo’n nest -, en schreef zijn stukken (“kronkels” of “schetsen”) dan ook een flink deel van zijn leven voor sociaal-democratische kranten als Vooruit, deel van Het Volk, en later dus voor het Parool. Hij deed ook (kritisch) verslag van het fascisme in Nederland vóór de oorlog, de NSB van Mussert en kleinere clubs.

Hij verzette zich al steeds meer tegen de Nazi’s, na de bezetting in 1940, onder meer via heimelijk verzetswerk - dus bleef kritisch. Ook werd hij ontslagen omdat hij weigerde de "Ariër-verklaring" te tekenen. Voorzichtig (want hij had een gezin) was hij dus rebels. Zijn indirecte betrokkenheid bij oprichting van verzetsblad het Parool, en de verspreiding ervan, deden hem uiteindelijk opgepakt worden. Dat latere verzetswerk voor het Parool in de oorlogsjaren, deden Carmiggelt uiteindelijk ook in Amsterdam belanden en ook blijven.

Puur naar de manier kijkend waarop hij in Amsterdam terecht kwam, deels toeval, deels keuze, en op dezelfde leeftijd (we waren beide rond de 29 jaar oud, toen we naar Amsterdam kwamen), herken ik mijzelf wel in Carmiggelt, zij het in een totaal andere tijd, en ik kwam uit een klein Noord-Holland’s dorp, hij uit Den Haag. Net als ik had hij een nuttige “blik van buiten” op de hoofdstad, die soms van zelfgenoegzaamheid aan elkaar hangt, maar ook fascineert door de variatie, drukte, en gekte. Verder “hingen” we wel grotendeels in andere kringen, maar dat even terzijde.

Op zijn minst sympathiseerde hij voorts met de onderklasse, of hij nu wel hun ontberingen kende uit ervaring, of niet: dat laatste komt immers zo vaak voor. Arme arbeiders houden minder tijd en energie over na hun zware, vaak geestdodende werk dienend om alleen maar rond te komen, voor iets als schrijven, kunst maken, of zelfs filosoferen over hun levenssituatie. ‘Erst das Fressen, dann die Moral’, dixit Berthold Brecht.

Ik herinner mij dat Carmiggelt’s “kronkels” mij aanspraken: de droge, doch plezierig-relativerende manier waarop hij ze voorlas, en de verhalen zelf. Vaak gingen die verhalen over een stad, de grote stad, Amsterdam, zo’n 20 km van waar ik toen woonde. Vaak in kroegen. Niet eens zo ver, maar moeilijk bereikbaar voor mij op die leeftijd, en een andere, fascinerende, spannende grootstedelijke wereld.

KROEG

Of het een reëel beeld was, betwijfel ik nu, maar ik had een beeld van Amsterdamse, specifiek Jordanese, “bruine” kroegen waar eigenzinnige, grappige types rondhingen, met die typisch Amsterdamse “bijdehante” humor, en zelfs voor noordelijke streken toch aardig wat “Napolitaanse” zanglust, imitatie of niet.

Mijn moeder vertelde mij ooit een leuk verhaal. Vertaald uit het Spaans zei ze het zo: “je vader nam me een keer mee naar zo’n Jordanese, Amsterdamse kroeg, sommige dronken mensen zongen mee..”..

Ik kon eruit niet opmaken of ze het leuk vond. Hoe ze het formuleerde was het iets als “het was blijkbaar nodig”. Mogelijk verstond ze toen ook weinig. Vrijheid is altijd beter – zelfs vrijheid met “slechte” of andere smaak – zal ze waarschijnlijk gedacht hebben, immers na het cynisme, de repressie, en de leugenachtigheid, in het Spanje onder het (fascistische) Franco regime, dat ze pas verlaten had.

Een wat meer en eerder geïntegreerde Italiaan – die al aardig wat Nederlands sprak – wilde even zijn kersverse Spaanse vrouw helpen integreren en Nederland begrijpen. Dat vond ik eigenlijk het mooiste van dit verhaal. Een soort ongemakkelijk geuite liefde.

Welnu, zo’n verhaal van mijn moeder, maar dan met meer “dialoog”, zou ook een verhaal, een “kronkel” van Carmiggelt kunnen zijn.

PRAATGROEPEN

Hij schreef weliswaar vooral over wat oudere Nederlandse, wat burgerlijk levende, mensen – wel vaak echtparen -, maar qua thematiek en setting waren er overeenkomsten. Ook de “ongemakkelijk geuite liefde” is terugkerend is in Carmiggelt’s verhalen.

Het was ook de tijd toen mannen moeilijker open over gevoelens praten, zeker van wat oudere generaties, zoals mijn vader, en de echtgenoten, kroegtijgers, en oude vaders die Carmiggelt’s verhalen bevolken.

Die hadden de jaren 70 hippie en “flower power” tijd niet echt meegemaakt. De “praatgroepen”, de “feminisering” van mannen, zoals schrijver Stephan Sanders dat eens beschreef, van de commune’s en progressiever onderwijs; dat had nog weinig invloed op mannen van deze oudere generatie. Mannen moesten mannen zijn, werken, en stoer doen. Niet in elk geval hetzelfde als liefdeloos zijn, maar wel vaak zakelijk en afstandelijk.

Over die moeizame gesprekken en uitingen tussen mensen, en vaak ook man en vrouw, gingen veel van Carmiggelt’s “schetsen”. Dit analyseer ik op basis van een grote steekproef van zijn verhalen.

THEMA’S

Een diepere, maatschappelijke betekenis, richting het abstracte, vermeed Carmiggelt vaak, merkte ik. Uitbuiting, armoede, vervolging, als thema’s dienen wel regelmatig als referentie voor de “schets” van personen en situaties. Soms ook heel mooi en subtiel, vind ik, zoals hij via een bepaalde woordkeuze toch naar onrecht of misstanden verwijst, vanuit het alledaagse. Menselijke relaties en “eenzaamheid” blijven daarbij echter toch hoofdthema’s.

Elders op dit blog maak ik wel het onderscheid tussen schrijvers goed in “denkprocessen” en directe communicatie, en die beter in sfeer- en beeldschetsen, in het visualiseren.

Carmiggelt is duidelijk van de eerste categorie. Hij beschrijft gesprekken tussen mensen, voornamelijk. De settings waar deze plaatsvinden worden wel genoemd maar niet beschreven, of slechts heel schetsmatig. Het gaat hem om de menselijke relaties in die setting.

Een licht-formele toon was Carmiggelt niet vreemd. Beleefde aanspreekvormen, maar ook formeel ten aanzien van instituties. Dit diende denk ik onbewust om zijn gevoel er buiten te houden, of in ieder geval te beperken: zo van: “ik verlies mij hier niet in loze emotie, maar houd het zakelijk..”. Hetzelfde doel diende de soms wat archaïsche woordkeuze.

DROOGKOMISCH

Net zo “droog” als hij de gesprekken of gedragingen optekent of beschrijft. Echter: hier is Carmiggelt wat speelser en vrijer in zijn beschrijvingen, met meer ruimte voor gevoelens.

Vaak ook humoristisch en droogkomisch, zulke nevenbeschouwingen. Zoals het noemen in een van zijn verhalen in de bundel getiteld ‘Weet Ik Veel’ (typische titel) van een vroegere schoolgenoot, die Carmiggelt als spreker wilde boeken. Carmiggelt had weinig herinneringen aan hem, maar hij merkte dat de schoolgenoot zo enthousiast over die middelbare school-tijd sprak dat hij, zo dacht hij, “daarna nooit meer iets leuks had meegemaakt”. Daar moest ik om lachen.

Het was ook een grappige en herkenbare observatie, maar zo heeft hij er aardig wat door zijn “schetsen”. Ik had regelmatig glimlach-momenten, zelfs af en toe “hardop lach” momenten.

Iets ertussen in had ik bij weer zo’n droogkomische beschrijving van Carmiggelt, ook in de bundel Weet Ik Veel. Een man komt een café binnen en noemt een naam, en of die van de eigenaar achter de bar was. Carmiggelt beschreef hoe de kastelein “zonder geestdrift” hierop zei “dat ben ik”.

Een klein, maar grappig detail, want herkenbaar. Een nuchtere, Amsterdamse Nederlandse man, bijna-mompelend en op rustige toon, zonder stemverheffing: “dat ben ik”.

Die woorden “zonder geestdrift” zijn des te genialer gekozen, omdat het toch raar is als iemand je vraagt “ben je.. (en dan je hele naam)..”. Zelfs voor een bareigenaar, want die kent men hoogstens van voornaam. Dat er geen geestdrift is toch wel noemenswaardig.

Met veelal als achtergrond Amsterdam, en in die tijd, speelde de oorlog uiteraard een rol in een deel van zijn “kronkels”, maatschappelijke problemen en ongelijkheid ook in vele “schetsen” direct of indirect, maar toch.. Het ging vooral om het alledaagse optekenen, en menselijke relaties.

ALLEDAAGSE MENSEN

Die alledaagse, menselijke relaties dienen eigenlijk niet als middel of “handvat” voor een ideologie, ook niet de “socialistische”. Dat is in Carmiggelt te prijzen: hij blijft de concrete, complexe mens zien, geen geabstraheerd “middel” of “functioneel wezen”, immers een voorbode van nog gevaarlijker ontmenselijking.

Daar komen de lessen terug die hij als jongeling leerde in de jaren 30 vóór de Tweede Wereldoorlog, verslag doend als journalist voor het socialistische blad Vooruit, bij bijeenkomsten van de NSB en verwante fascisten in Nederland. De geuite ideologieën en leuzen op zulke bijeenkomsten waren bepaald totalitair: “men wilde het volk gelukkig maken”, tekende Carmiggelt op. Wijselijk leerde hij hiervan dat zulke politieke “beloften ”het volk gelukkig te maken” kwaadaardig zijn en te wantrouwen.

Het is bovendien nogal collectivistisch, wat iets is dat fascisme met communisme deelt, en andere totalitaire systemen. Het cijfert het individu weg. Mogelijk dat daarom Carmiggelt zo alledaags en intermenselijk gericht was in zijn “kronkels”. Gewone mensen die leven op hun manier. Psychologie in plaats van sociologie..

Carmiggelt schrijft daar goed over, onderhoudend en creatief, vaak geestig. Dat wil echter niet zeggen dat ik alle mensen die zijn kronkels bevolken even sympathiek vind. Er zitten schatten bij, maar ook cynische egoïsten, en alles ertussen in.

Dat klopt echter ook, want een doorsnede van Amsterdam. Dat harde, ongevoelige in het karakter van sommige Amsterdammers weerspiegelt de anonieme, koude, en drukke stad. Tegelijkertijd is er in zo’n kille context altijd de zoektocht naar liefde en menselijke warmte, bij veel mensen.

Die zucht en zoektocht komt ook goed naar voren in Carmiggelt’s verhalen, zij het soms wat “onhandig” of indirect geuit. Ook door de ingehouden “pre-praatgroepen” en “pre-hippie tijd” mores.

REPRESENTATIEF

In 1987 overleed Carmiggelt. Het is nu een andere tijd, maar ook rond die tijd was Amsterdam al wat multicultureler geworden. Nu zouden qua stijl en focus Carmiggeltiaanse “kronkels” in Amsterdam een stuk diverser zijn. Als ze althans als “representatief” van heel Amsterdam willen gelden.

Het waren in Carmiggelt’s verhalen immers vooral witte Nederlanders van middelbare leeftijd of ouder, vaak tamelijk ordelijk levend, gezinnetjes, opgroeiende kinderen, de rekeningen betalen..zulke besognes. Alcohol bleek vaak de grootste ondeugd in tamelijk burgerlijke leventjes.

Er zaten weinig vrijdenkende, losgeslagen kunstenaars tussen, die ook nog rare drugs gebruikten, of wat jongere anarchistische krakers, zoals je in Carmiggelt’s tijd al had.

Ook zaten er nauwelijks Surinamers tussen, toch een grote groep in Amsterdam. Interessant als groep, omdat de mate van “vernederlandst” zijn wisselt per Surinamer. Ook geen Marokkanen of Turken, of andere groepen. Eigen, wat geslotener gemeenschappen met minder gemengde relaties met Nederlanders dan Surinamers, maar toch..

Multiculturele relaties en gesprekken – en culturele verschillen - zouden nu een interessant thema voor Carmiggelt’s verhaaltjes zijn, met Amsterdam als achtergrond.

EIGEN ERVARING

Uit mijn eigen ervaring kan ik zo een aantal verhalen “opdreunen”, of in ieder geval geestige anekdotes in Amsterdam navertellen, op een Carmiggeltiaanse manier. Zonder al te groffe, seksuele, of intieme details, uiteraard, maar interessante gesprekken en meningen over de wereld en alledaagse levens van bijvoorbeeld een Ghanese in een van die flats in de Bijlmermeer, toen vernieuwende architectuur, anno 2023 verwaarloosd en tochtig. Ook de verhalen vol alledaags crypto-racisme, van een van de weinige Surinaamse café-eigenaars door de jaren heen in de Nieuwmarkt-buurt in het oude centrum van Amsterdam.

Ik ken meerdere “flamboyante” muzikanten en aspirant-muzikanten, en nog een andere categorie die ik als juist "niet-aspirant" muzikanten zou typeren. Ze kunnen goed een instrument bespelen, wat blijkt tijdens jams in clubs, maar hun muzikale ambitie blijft onduidelijk of moeizaam, gezien – ondanks vaak vrije geesten - concessies aan het burgermansleven, waar wel genoeg geld verdiend wordt. Dat is ook interessant, voor een moderne “kronkel”.

Ik heb ook meerdere droogkomische anekdotes of alledaagse “schetsen” over blowers (wiet-gebruikers) in coffeeshops of elders in Amsterdam, legendarische gesprekken in coffeeshops. Een andere leefwereld en leeftijdsgroep dan Carmiggelt’s personages, maar het kan vergelijkbaar geschreven verhalen, of “kronkels” opleveren, net zoals de drinkende, autochtone, oudere mannen in kroegen in een deel van Carmiggelt’s verhalen.

Ik ken verder een Syriër, ooit asielzoeker, die moest wennen aan “lage plafonds” in Amsterdamse woningen, en die de corona “lockdowns” en avondklok herinnerde aan wat hij in Syrië verliet. Om daarna weer Carmiggeltiaans terug te gaan naar het alledaagse. De Syrische jongeman heeft om een of andere reden een voorliefde voor de maté-drank uit Zuid-Amerika te hebben ontwikkeld. Vast op het menu in zijn kleine appartement in Amsterdam-West, ook toen ik bij hem op visite kwam.

Ikzelf raakte op de fiets altijd verdwaald als ik naar Amsterdam-Noord moest, en raakte soms al depressief op de pont over het IJ. Laatst was historisch: voor het eerst raakte ik niet verdwaald. Zit ook een verhaal in, hoewel Carmiggelt meer de nadruk op gesprekken legde.

Allemaal niet erg spectaculaire dingen, die als “schets” toch iets zeggen. Een belangrijke les: dat we allemaal gewoon maar mensen zijn. Ongeacht huidskleur, culturele achtergrond, buitenlander of Nederlander, geslacht, leeftijd, en levenskeuzes. Levenskeuzes kunnen verschillen, maar “ongeveer” en meer abstract willen we allemaal hetzelfde: vervulling en respect.

Dat kan alledaags, beeldend, oer-menselijk zijn, en tegelijk extra leerzaam over maatschappelijke problemen in het huidige Amsterdam. Een beetje zoals Carmiggelt deed: daarnaar verwijzen vanuit het alledaagse leven tussen mensen, maar dan dus met het huidige, diverse Amsterdam als achtergrond.

Geen slecht idee, haha. Ook om te onderzoeken of de 1960s en 1970s “flower power”-tijd hippie-commune “praatgroepen” of feminisering echt mannen beter over “gevoelens” heeft doen praten.. of dat met andere woorden blijvend effect heeft gehad op de huidige, jonge generatie Nederlanders, of bij minderheden die uit een andere cultuur kwamen met minder moderne man-vrouw verhoudingen, en nog “machismo” waarden. Interessante vragen.

Mijn voorzichtige inschatting op basis van mannen die ik ken (Nederlanders, buitenlands, oud en jong) is dat dat effect er is, maar beperkt. Vrouwen zijn nog steeds beter en eerlijker in het open praten over gevoelens. Mannen "bluffen" vaak nog steeds vooral.

CONCLUSIE

Hoe dan ook, ik vond Simon Carmiggelt voor zijn tijd een goede, onderhoudende schrijver en verteller. Uniek met zijn droogkomische “schetsen” van het alledaagse in Amsterdam, een goed tijdsbeeld gevend van “gewone”, veelal autochtone Amsterdammers. Ik hou ook van schrijven, sinds mijn vroege tienerjaren, dus kan mogelijk een beetje door Carmiggelt beïnvloed zijn, bij mijn pogingen essays en romans te schrijven, al vrees ik dat de invloed van iemand als Mulisch groter is geweest, en van latere Nederlandse schrijvers en essayisten (Stephan Sanders bijv.), naast buitenlandse schrijvers (Frans, Spaans, Nigeriaans, Caraïbisch e.a.).

Hij speelde een goede, zelfs heldhaftige rol bij de begintijd van het Parool, in verzet tegen het Nazi regime in bezet Nederland, met alle risico’s van dien, maar voor de waarheid en vrijheid.

Carmiggelt leefde dat min of meer door zijn oprechte menselijke interesse – de mens als doel op zichzelf beschouwend, en niet als middel voor een ideologie - , en bleef bovendien ook schrijven voor het Parool tot zijn dood in 1987.

Dat “verzet” is voorzichtig gezegd wat minder duidelijk, de laatste jaren in het huidige dagblad het Parool, net als bij andere dagbladen; overheidsnarratieven worden doorgaans blind gevolgd (de corona en “vaccin” nonsens), bij uitzondering wat kritische zin, van een dwarse columnist, maar geen systeemkritiek, niet eens regeringskritiek, en wel heel selectieve “quasi-linkse” verontwaardiging rond bepaalde thema’s, maar hypocriet gezwijg over ander onrecht. Ook onrecht (in Afrika bijvoorbeeld) dat ook “linkse” mensen ter harte zou moeten gaan. Aandacht voor grotendeels fictieve klimaatproblematiek, in plaats van voor echte milieuproblemen, etcetera, etcetera. Weinig echt “wereldverbeterends”, in de goede zin van het woord: “a far cry” van de verzetsjaren.

De reden zal zijn, zoals zo vaak tegenwoordig: “alles voor het grote geld”. Mensen/individuen worden geen belangwekkende doelen op zich (zoals in Carmiggelt’s “kronkels” nog wel), maar slechts een middel, zoals in alle –ismen (fascisme, communisme, kapitalisme), tot een extern of “hoger” doel of (eigen)belang.

Iets met omdraaien in het graf..

woensdag 3 november 2021

Mannen van Nederland

Het boek ‘De mannen van Nederland: het onverbiddelijke oordeel van buitenlandse vrouwen’, komt uit 2001, en is door Franse journaliste, correspondent in Nederland voor het Franse dagblad Libération, Sophie Perrier. Perrier baseert zich op interviews met verschillende buitenlandse vrouwen over hun relaties met Nederlandse mannen, nu en in het verleden. De betreffende vrouwen zijn Europees, Afrikaans, Aziatisch, Midden-Oosten, en Latijns-Amerikaans.

Ik begreep al snel dat met de “Nederlandse mannen” in kwestie zogenaamde “autochtone” mannen werden bedoeld, en niet mannen in Nederland geboren uit, zeg, Marokkaanse, Italiaanse, of Surinaamse ouders.

HOLANDESES HOLANDESES

Dat is niet in alle gevallen duidelijk, en men kan immers, om dat rare woord maar weer eens te gebruiken: “vernederlandst” zijn. Bij nader lezen betrof het echter, zoals het in het Spaans wel (via “herhaling ter nadruk”) wordt gezegd, “holandeses holandeses”, niet alleen geboren maar ook etnische Nederlanders dus.

Ikzelf ben geboren in Nederland, maar ben geen “etnische Nederlander”, of “holandés holandés”, hoe je het ook noemen wilt: mijn vader is Italiaans, mijn moeder Spaanse. Ik werd in het begin ook vooral Spaanstalig opgevoed, en kreeg dus thuis verschillende culturen mee: van elkaar (hoewel met een “Latijnse” overeenkomst), en van de Nederlandse buitenwereld.

Ik praatte uiteraard met vrouwen van mijn familie, en mijn moeder had veel Spaanstalige vriendinnen (Latijns-Amerikaanse en Spaanse, daarnaast ook wel Italiaanse) waarvan een flink deel met Nederlanders samenwoonden of waren gehuwd. Soms waren gesprekken open, dus die verhalen over cultuurverschillen hoorde ik al in mijn jeugd.

GLOBAAL

Dit boek door Perrier sluit daarop aan, kun je zeggen, maar vond ik daardoor ook interessant. Het verbreedde het perspectief ook voor mij. Tussen de vrouwen met Nederlandse mannen/echtgenoten die Perrier interviewde zaten een Spaanse, een Colombiaanse, een Mexicaanse, een Argentijnse, en een Italiaanse – zoals in mijn moeder’s vriendenkring destijds. Herkenbaar dus.

Er waren echter ook vrouwen bij uit Malawi/Engeland, België, Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Zweden, Noorwegen, Frankrijk, en Zwitserland,uit Oost-Europa: een Kroatische, Russische, en Poolse, en meer zuidelijk een Portugese en Griekse. Daarnaast echter ook vrouwen uit Israël, Turkije, en Irak, en nog verder weg, China, Japan, Zuid-Afrika, VS, en Suriname.

Een beetje geconcentreerd op Europa, maar verder een bont, globaal geheel, en het vereist goed schrijverschap om daar iets leesbaars van te maken. Daar slaagt Sophie Perrier zonder meer goed in. Ze haalt goed de algemene lijnen eruit, resulterend in gebalanceerde, redelijke conclusies over de meningen wat betreft cultuurverschillen in man-vrouw verhoudingen. Wat anekdotisch is de opzet wel, maar daar hoeft niets mis mee te zijn. De vrouwen vergelijken hun Nederlandse partners vaak simpelweg met de mannen (“ex-en” ) in hun eigen land – uit hun eigen volk - waar ze eerder intieme relaties mee hadden.

Dit levert allemaal misverstanden op, die Perrier met veel humor opschrijft, maar ook met kennis van de Nederlandse cultuur.

Die “quasi-herkenning” – ook door wat ikzelf al eerder hoorde – maakt het voor mij ook leuk om te lezen, naast de relativerende, “droge” humor van Perrier.

Het was dus zowel prettig leesbaar en informatief gebracht, maar genoeg over de vorm. Het gaat om de inhoud. Wat “herken” ik dan wel over cultuurverschillen? Wat zou kunnen kloppen? Is dat niet te simplistisch of generaliserend, op basis van wat ik weet?

Ik had veel “lachmomenten” in het boek, en door humor leer je vaak toch ook diepere waarheden.

EMANCIPATIE EN CALVINISME

Perrier ziet veel trekken van Nederlandse mannen als het gevolg van zijn relatieve geëmancipeerdheid en sterke geloof in vrouwengelijkwaardigheid, vanwege invloedrijke democratische moderniseringsgolven in Nederland sinds de 1960s. De “usual suspects”: de meer macho Arabieren, Turken, of “Latijnse” mannen, blijven daarbij ook in dit boek achter, maar buiten Scandinavië ook veel andere omliggende landen. Duitse mannen zijn ook trotser en meer macho dan Nederlanders, concludeert de geïnterviewde Duitse vrouw, en de Engelse wees erop dat Britse mannen haast “Italiaans veel” flirten met vreemde vrouwen, in ieder geval meer dan Nederlandse mannen. Zelfs Noorse en Zweedse mannen flirtten meer in het openbaar, stelden Scandinavische vrouwen in Nederland enigszins verbaasd vast.

Andere trekken – en dat vind ik wel grappig – relateert Perrier aan de Calvinistische traditie in Nederland. Dat vind ik grappig, omdat dat weleens onderschat wordt. Het historisch zo sterk aanwezige Protestantisme – specifiek het “sobere” en “strenge” Calvinisme – in Nederland, heeft onmiskenbaar de cultuur beïnvloedt.

Die Calvinistische invloed is vaak onuitgesproken sterk aanwezig in terugkerende waardensystemen, gedrags- en cultuurvormen in Nederland, maar wordt weleens vergeten of onderschat. Iemand van buiten, zoals de Française Perrier, ziet dat wellicht wat helderder, dan als je niets anders kent. Ik ken ook wat anders, maar ben wel in Nederland geboren, dus vergeet weleens hoe Calvinistisch de Nederlandse cultuur in wezen nog is.

Een voorbeeld van een Protestantse/Calvinistische trek? Het grote belang van “taal” in het oplossen van problemen: door er lang over te praten iets oplossen: dat is geen vanzelfsprekendheid in “wispelturiger” andere culturen. De Nederlands/calvinistische focus is er een op ratio, discipline, beheerst en nuchter blijven. Verder: niet teveel emoties en gevoel volgen, kalm praten, verantwoordelijk met tijd en geld omgaan, naast het alles “democratisch” en open bespreken..

Dit alles komen de vrouwen als opvallende verschillen tegen met de mannen die ze eerder hebben gehad uit hun eigen cultuur: deze laatsten waren veelal temperamentvoller en gepassioneerder, of “spannender” dan de Nederlandse mannen, maar ook vaak jaloerser, onverantwoordelijker, en ontrouwer. Het beheerste heeft dus voor- en nadelen.

Dat alles “open en democratisch” bespreken met ook je partner van de Nederlandse man, lijkt niet zozeer uit het Calvinisme te komen (met immers ook een vaste rol voor vrouwen in het huishouden), maar eerder een mooie erfenis van de democratiserende “flower power” en “hippie” tijd, de 1960s en 1970s die in Noord Europa meer invloed had dan in Zuid-Europa. Deel daarvan waren de gemengde “sociale academie” praatgroepen over samenleven, en de vrijere ontwikkeling van vrouwenemancipatie.

Dat alles levert interessante verschillen op, die derhalve representatief zijn voor de bredere cultuur.

FLIRTEN

Volgens Perrier en de Franse geïnterviewde in dit boek neigen Franse mannen net als Italianen meer naar romantiek, passie, maar ook impulsiviteit, en ontrouw, vergeleken met Nederlanders. Flirten op het werk is in Nederland niet erg gangbaar, maar juist de norm in Frankrijk, net als in bijvoorbeeld Italië en Spanje, evenals vaak op straat.

De vrouwen in dit boek, zoals de Franse en “Latijnse”, vielen dan ook op dat flirten – of je nu in een vaste relatie bent of niet - in het openbaar minder sterk is in Nederland, wat ze op het werk of in de winkel meestal wel prettig en rustig vonden. Waar je in Portugal elke dag wel, zoals de Portugese vrouw zich herinnerde, op straat wat mannen had die je aanspraken/lastig vielen met “complimenten”- waar dan ook, single of niet -, was dat in Nederland minder.

Echter op andere, “gepaste” plekken weer té weinig, vonden sommige vrouwen grappig genoeg. Als in een “sociale” bar of een studentenruimte, een daar zittende Nederlandse man zelfs geen oogcontact gunde aan nabij zittende jonge vrouwen, en gewoon geconcentreerd een krant las, werd dat als ongeïnteresseerd en “koud” gezien. Sommige van deze buitenlandse vrouwen – gewend aan aandacht - begonnen daardoor zelfs aan hun uiterlijk te twijfelen. Een ongemakkelijk, maar interessant cultuurverschil. Ook vanuit psychologisch opzicht interessant.

GESTRUCTUREERD

Grappig waren ook andere beschreven verschillen, meer uit binnen de relaties zelf. Het belang van de “agenda” voor de gestructureerde, rationale Nederlandse man lijkt een cliché, die ik ook elders vernam. Het is min of meer het tegenovergestelde van de onberekenbare “passie” die met name zuidelijkere vrouwen missen met Nederlandse mannen.

Zelfs bij het verleidingsspel en heviger verliefd worden op elkaar, aan het prille begin van de relatie. Zo vertelt een vrouw, een Griekse, dat als een Griekse man iets voor een vrouw voelt, hij haar dan ook zo snel mogelijk (vandaag of morgen) wil ontmoeten voor een date. Een vrouw vertelde dat een keer een Nederlandse man die haar blijkbaar ook leuk vond, wel een intiemere date wilde met haar, maar eerst zijn agenda moest checken. Over twee weken had hij ergens tijd, zei hij hierna plechtig..

Ik had hier weer een lachmoment. Ergens had het echter ook iets naars. Mogelijk maakte de liefde van de vrouw haar blind – of hadden ze wie weet al echt tedere, hoopvolle momenten samen gehad – maar zoiets komt mij voor als onwil, een (verhulde) afwijzing. Of als een “diss” in hip-hop taal. Geen passie genoeg om het niet twee weken uit te stellen? Of is hij gewoon voorzichtig? Ik zou ook denken dat hij ook iets met een andere vrouw had, daarnaast, eerlijk gezegd.

TROUW

Dat zou volgens anderen weer teveel wantrouwen zijn, want elders in het boek prijzen de buitenlandse vrouwen hoe relatief trouw aan hun partner Nederlandse mannen zijn: ze gaan minder vreemd.

Het komt voor, met name een kort slippertje met een collega, maar verder veel minder dan onder Zuid-Europeze, Latijnse, of zelfs Engelse mannen, menen de meeste vrouwen. Een Surinaamse vrouw zei dat een Surinaamse man vrijwel nooit trouw is in een relatie, en hetzelfde geldt voor Zuid-Europeze, Zuid-Amerikaanse, en Arabische mannen. Veel vrouwen gaan er in die culturen vanuit dat een man ergens anders ook een vrouw heeft, maar vermijden dat hele thema: als ze het samen maar leuk hebben. Hetzelfde geldt voor een eventueel “tweede man” voor een vrouw, in veel zuidelijke landen toch ook gangbaar.

Zulke complexe “dubbellevens” met maitresses, van o.m. veel Latino mannen (inclusief Fransen) vermijden nuchtere, rationale Nederlanders liever, stelt Perrier. Ze blijven echt trouw, of ze kappen het slippertje met iemand op hun werk resoluut af, of biechten deze zelfs op aan hun vrouw. Wat dat betreft lijken ze dus inderdaad trouwer en eerlijker.

“Elk voordeel heeft zijn nadeel” zei de “vercatalaanste” Nederlandse man Johan Cruyff ooit. Nederlandse mannen deden minder macho of stoer dan mannen uit hun land, vonden de meesten van de vrouwen, waren vaker wat bescheidener, en durfden zich ook zwak te tonen, wat sommige vrouwen prettiger vonden. Ze vergeleken dit met de drang naar stoerdoenerij en machismo bij de “usual suspects” (“Latijnse” en Arabische mannen), maar ook bij Duitse en Zwitserse mannen.

Nederlandse mannen hebben meer geleerd – met name sinds de eerdergenoemde “flower power” praatgroepen (“feminiserend” noemde auteur Stephan Sanders deze) - om vrouwen als gelijkwaardig te behandelen, als medemens. Echter: extra galant en respectvol, of beschermend, voor hun vrouwen zijn ze dan ook niet meer, klaagden sommige vrouwen. Geen extra complimentjes, geen attent de deur open houden, geen afscherming van druk verkeer o.a. Zelfs haar begeleiden in “gevaarlijke buurten” tot ze thuis was, vonden sommige (niet alle) Nederlandse mannen te ver gaan.

TEMPERAMENT

Het gebrek aan temperament bij de Nederlandse man wordt betreurd maar ook geprezen: Nederlandse mannen blijven rustig praten, behouden de kalmte en ratio en controleren daardoor beter de situatie, waar zuiderlingen van het ene uiterste in het andere vallen, en met name door ongemakken drukker worden of hun stem verheffen (en daarmee meestal niets bereiken).

Dit, gecombineerd met het rationeel-nuchtere, en “directe” (onverbloemd, calvinistische) van Nederlandse mannen, kan echter ook verkeerd vallen. Op een rustige, rationele manier kunnen Nederlandse mannen het meest harde of ongevoelige zeggen, alleen omdat hij het waar vindt (voorbeelden: je bent te klein, te dun of dik geworden, te druk, of te onhandig), waardoor het killer overkomt. Een Italiaanse merkte op dat Italiaanse mannen ook wel vileine, valse dingen kunnen zeggen tegen hun vrouw, maar dan als ze tijdens een felle, geagiteerde ruzie al in een woedeaanval zitten. Dat herken ik wel: hetzelfde geldt min of meer voor Spanjaarden (en ook voor Italiaanse en Spaanse vrouwen, trouwens), denk ik.

ROMANTIEK

Romantiek lijkt evenmin het sterke punt van de nuchtere Nederlandse mannen, volgens de vrouwen, samenhangend met het mindere belang van passie. Zuidelijke mannen stuurden als ze verliefd waren gedichten in het holst van de nacht aan hun geliefden, deden erg hun best, en kochten opvallend dure cadeau’s om indruk op haar te maken, zelfs met een gebrekkig inkomen. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Arabische en Turkse mannen, zoals de ex-en van een geïnterviewde Irakese in het boek (die ook een tijd in Libanon woonde), en van een Turkse.

Met het risico het cliché van de Nederlandse zuinigheid te bevestigen, was het zo dat Nederlanders zelden dure cadeau’s kochten voor hun partners, maar ook daarbuiten wat minder te buiten gingen aan extravagante “extra” uitingen van liefde, zelfs als gratis.

Geestig ook hoe een Mexicaanse vrouw het verwoordde.. “Hij (mijn Nederlandse man) is beslist attent en toegewijd: mijn man brengt me zonder bezwaar om 5 uur ‘s-ochtend’s naar het vliegveld. Dat is zijn manier om te zeggen “ik hou van je””. Natuurlijk toon je liefde vooral met acties, maar ik vond vooral het “zijn manier” in deze laatste zin veelzeggend..

Maar zijn ze minder of eerder “anders” romantisch? Een lachmoment had ik ook toen de Franse auteur zei dat ze erachter was, wat voor Nederlandse mannen het summum van romantiek is, bevestigd door de meeste geïnterviewde vrouwen: kaarsen. Als hij kaarsen gaat aansteken, vaak met stemmige muziek, dan heeft een Nederlander romantiek in de zin..

Niet grootse, meeslepende gebaren, maar meer dagelijkse details dus, zoals ook zijn zorgen over haar welzijn (genoeg eten bij je?, voel je je prettig?) blijken voorts meer de manier van de Nederlandse man om zijn liefde of verliefdheid te uiten. Zeker niet onsympathiek, maar meerdere vrouwen misten toch wat meer hartstocht en passie. Wat meer “vuur”.

FYSIEK

Een goede brug naar het “fysieke”: onder meer de seksualiteit. Een ander aspect van het fysieke – het uiterlijk van de Nederlandse man – wordt ook wel besproken, maar summierder. Lang, blond en atletisch gebouwd vinden veel vrouwen aantrekkelijk, soms zelfs aantrekkelijker dan harige, meer gedrongen mannen in bijv. Zuid-Europa of Israël, die korter zijn, en bovendien na een bepaalde leeftijd een “buikje” krijgen, vanwege het verankerde lange tafelen in het Mediterraanse gebied.

Niet alle vrouwen vallen bovendien op lange mannen, weet ik: mijn Spaanse moeder vertelde dat ze geen mannen op etnische gronden uitsloot, maar toen ze als twintiger rond 1966 pas in Nederland was (regio Haarlem), en nogal lange Nederlandse mannen wat met haar wilden, vond ze dit juist onaantrekkelijk, en eigenlijk ook absurd en ongepast: een man waarbij ze tot net bij zijn bortskas kwam.. Mijn vader (iets langer dan haar, maar slechts een halve kop) vond ze beter passen, haha.

De vrouwen in dit boek zijn wat wisselend, ligt aan wat je type is (blond of niet), schat ik zo in, maar de meesten zien veel mooie Nederlandse mannen die er ook gezond uitzien. “Elegantie van het hoge noorden”, noemde een Israelische vrouw het zelfs lyrisch. Zij had het over fysieke verschijning. Minder “elegant” wordt de te vaak te informele kleding van Nederlanders gevonden, zelfs in hoge posities, hoewel sommige van de vrouwen die mindere neiging tot “formele kleding”, juist als vrij en onconventioneel waardeerden.

Een van de goede dingen – ik bedoel dit “goede” zonder ironie – van die gemengde “feminiserende” praatgroepen in de democratiserende flower power-tijd, en onderwijs en voorlichting erna, is dat Nederlandse mannen vrouwen als gelijkwaardig gingen zien, en er een taboe kwam op al te zeer aandringen of seks eisen, vaak immers ook een gevolg van een verwachte onderdanigheid. Dat is een mooi iets. Het kan de seks ook mooier maken, denk ik: er lopen nog opvallend veel volwassen mannen rond in deze wereld die niet weten dat een vrouw meer erogene zone’s heeft dan een man. Nog minder zijn er in geïnteresseerd.

Het kan ook doorslaan, leken de vrouwen in dit boek toch te zeggen, zoals de Portugese die vertelde al weken, meerdere dagen per week, met een Nederlandse man te daten, die maar geen toenaderingspoging deed. Ze werd van zoveel aarzeling directer en zei: ik kom naar jouw huis. Het werd wat intiemer sindsdien, maar hij schrok in eerste instantie, vertelde ze.

Naast deze voorzichtige, over-respectvolle geëmancipeerde Nederlandse mannen, zeiden sommige vrouwen – zoals een Mexicaanse – dat er ook juist heel gehaaste en directe Nederlandse mannen zijn, die direct willen zoenen, zonder spel of sensualiteit, en zelfs direct zeggen dat ze seks willen. Dat vonden ze ook weer lelijk en kleurloos.

In andere culturen gaan dingen indirecter, omfloerster, en speelser, met name ook de mogelijke kans op seksualiteit. Of het beter is weet ik niet, maar het vrouwelijke “net doen of ze niet willen” is gangbaarder in andere delen van Europa, soms ook om uit te testen of de man wel echt wil, zoals een Kroatische het uitlegde.

Een Chinese vertelde dat ook bij het daten, en eventuele seks, lang veel onzeker blijft: ja of nee?. Ze vond dat juist plezierig, en noemde die onzekerheid zelfs “zoet”.

SEKS

Over de seks zelf zijn de vrouwen eerder positief dan “onverbiddelijk” zoals in de ondertitel van dit boek staat. Nederlandse mannen willen vaak een vrouw niet dwingen, en proberen zacht, zorgzaam en gelijkwaardig in bed te zijn: zij mag genieten. Ze geven aandacht aan het voorspel en blijven communiceren. Dat is ook positief, en zeker moreel, maar meerdere vrouwen klagen nog wel over het te “ingehouden” zijn, en de rationele, vaak prozaïsche benadering van seks als gewoon en gezond in het moderne Nederland. Te routinematig en gedemystificeerd. Meerdere vrouwen, inclusief Britse en Scandinavische vrouwen, vonden mannen uit hun landen wat experimenteler in bed, mogelijk omdat Nederland inmiddels minder “taboes” heeft te doorbreken. Dat vinden Nederlandse mannen dus niet meer zo “spannend grensverleggend”.

Dat haalt blijkbaar veel romantiek, magie, en gevoel weg, en maakt de seks wel heel “lichamelijk” en plastisch met deze Nederlandse mannen. Met mannen uit hun eigen landen vonden vrouwen de seks vaak “vuriger”, hoewel nogal “male-centered”, wijzend op minder geëmancipeerde mannen in andere culturen. Een Spaanse homo vertelde lyrisch dat Spaanse mensen relatief meer “hart” en passie in de seks leggen, waardoor je mooier samensmelt met je partner. Een Italiaanse ervoer echter dat zulke grotere passie bij Italiaanse mannen, uiteindelijk wel vaak omslaat in macho egoïsme: het gaat toch vooral om hem.

Dit laatste was ook zo in landen waar vrouwen nog als gebruiksvoorwerpen/gedienstig aan de man en diens gerief werden gezien, zoals bij veel – weer zo vooroordeelbevestigend - Arabische en Turkse mannen, maar ook Kroatische en Russische mannen prefereren onderdanige vrouwen, en ook Duitse en Oostenrijkse mannen zijn in bed baziger en minder democratisch dan Nederlandse mannen, zo blijkt uit dit boek. Dat is een plus voor Nederlandse mannen, alleen benaderen Nederlanders seks volgens diezelfde vrouwen wel weer met te weinig gevoel en passie.

Grappig genoeg gaven sommige van de vrouwen toe het juist een leuke uitdaging om toch dat gevoel in die ingehouden Nederlandse man tijdens de seks naar boven te halen, hem passievoller te maken.

STEL

In een ander hoofdstukje behandelt Perrier of Nederlandse mannen jaloers zijn in relaties, toch wat aansluitend het “macho” hoofdstuk. Nederlandse mannen blijken relatief minder jaloers, zo bleek voorspelbaar. In een ander verwant hoofdstukje wordt het stel zelf besproken: doen ze alles samen, of houden ze hun eigen, onafhankelijke leven? Nederlanders laten hun vrouwen relatief vrij, maar willen zelf ook vrij blijven. Niet alles hoeft met haar, en daar schrokken vrouwen van, die het idee van “onszelf samen door het moeilijke leven slaan” juist zo romantisch en liefdevol vonden. “Liefde is samen blut zijn”, rapte de Nederlandse rapper Extince ook ooit mooi.

De romantiek van: “We hebben weinig, maar wel elkaar”, klinkt mooi, maar veel Nederlanders hebben inmiddels genoeg of zelfs veel. Naast de relatieve welvaart kan een sterkere individualisering een rol spelen, denk ik, waardoor dit type romantiek hier wat schaarser is.

Ik kan ook het ergste denken, namelijk dat de Nederlandse man alleen echt “samen strijdt” en “diep gaat” met vrouwen van zijn eigen volk, maar laat ik er vanuit gaan dat hij echt verliefd werd en via de relatie met de buitenlandse ook de crypto-racistische reserves (die er bij veel volkeren zijn) verdwenen. Deze gemengde paren zijn immers al over grenzen gegaan.

VADERSCHAP

Ook – wat korter – wordt er in het ook aandacht geschonken aan wat voor vaders Nederlandse mannen bleken. Sommige van de geïnterviewde vrouwen waren immers al jaren getrouwd met een Nederlander, en hadden kinderen met ze gekregen. Voorspelbaar: de Nederlandse vader is meer van het overleggen met het kind, en het “vrienden willen zijn” met de kinderen, wat in niet alle culturen begrepen wordt. In Zuid-Amerika – zo stelden sommige vrouwen – is een ouder niet een “vriend”, maar een disciplinerende of grenzenstellende factor, en iets soortgelijk (en afstandelijke, wat autoritaire vaderfiguur) is er in andere culturen. Tot niet zo lang geleden ook nog in Zuid-Europa.

Wederom, een onbegrepen, maar niet onsympathieke, democratische trek van geëmancipeerde Nederlandse mannen.

REFLECTIE

Ik betrapte mijzelf erop om mijzelf te vergelijken met de besproken Nederlandse mannen. Mogelijk ben ik “vernederlandster” dan ik wil geloven, ondanks mijn Italiaans-Spaanse achtergrond en wortels. Ik leerde veel van mijn ouders en heb fantastische vakanties in Italië en Spanje gehad, met familie, maar ben toch geboren en opgegroeid in Nederland.

Cultureel en psychologisch interessant, maar ik ben er nog niet uit. In vrouwenemancipatie geloof ik meer dan de generatie van mijn vader, en ben wat dat betreft progressief en internationaal. Overigens uit persoonlijk principe, omdat ik oprecht meen dat de wereld niet vrij kan zijn, als vrouwen dat niet ook zijn. Dat principe is bij mij zelfs sterker dan persoonlijk slechte ervaringen met individuele vrouwen (harde of voorbarige afwijzingen, gekwetste gevoelens.. “I’ve been there”..).

Dat geëmancipeerde deel ik dus wel met progressieve Nederlandse mannen. Ik heb daarentegen geen Calvinistische inborst, en neig eerder naar speelsheid en het flamboyante van de Latino’s. Dat is soms een moeilijke balans, maar ik ben nu eenmaal ook een vrijdenkende kunstenaar.

Een Nederlandse vrouwelijke collega, met wie ik goed kon praten en me beter leerde kennen, zei ooit grappend over mij (met anderen erbij) dat ik weliswaar Italiaans-Spaans was, maar niet heel erg “macho”.. “een klein beetje maar”, voegde ze eraan toe. Ik nam het maar op als compliment.. Een beetje is genoeg.

Dit alles kwam door mijn achtergrond, maar mogelijk ook beïnvloedt door intieme relaties die ik zelf heb gehad. Mijn ouders gaven mij immers nooit seksuele voorlichting (zal een cultureel ding zijn), pas na mijn puberjaren praatte ik met mijn ouders, of broers (of neven) over dat soort dingen, en ook maar deels.

Ik heb intieme relaties met vrouwen uit verschillende culturen gehad, dus snap dat de vrouwen het leuk vinden om erover te praten, zoals in dit boek. Ik val op geëmancipeerde vrouwen, dus vrouwen bleven zichzelf bij mij, wat ik leuk en leerzaam vond. Zwarte Caraïbische vrouwen bleven zich “zwart” (inclusief bijv. kritiek op arrogante blanken) gedragen met mij, wat wij ook samen deden, en hetzelfde geldt voor Afrikaanse, Antilliaanse, Surinaamse, Italiaanse, Spaanse, Arabische, en Nederlandse (zelfs Friese) vrouwen, waar ik ooit iets mee had. Ik had zelden relaties waarin we elkaar probeerden te “veranderen”.. Ik merkte ook veel verschillen, zoals in de passie, en de omgang met seks.

Ik kon al die verschillen eigenlijk wel waarderen, om dezelfde reden dat ik van cultuur en van sterke persoonlijkheden houd. Als wij twee maar een goede relatie hadden, en elkaar begrepen. Het hielp mijn leven leuker en spannender te maken.

Dat soort intieme relaties zijn immers ook meestal leuk en spannend. Een thema als dit moet ook absoluut niet te zwaar gemaakt worden. Er zijn al genoeg zware dingen in de wereld..

Cultuur is leuk, dus cultuurverschil (uiteindelijk) ook. De ruimte krijgen dat te verkennen met andere mensen is vrijheid. Daardoor je te laten beïnvloeden ook, en overnemen wat je aanspreekt, achterlaten (ook uit je eigen erfenis) wat je niet aanspreekt. Zo probeer je de mooie dingen van elke cultuur te behouden, om je leven te verrijken. Zo komen culturen tot elkaar..

CONCLUSIE

Dit boek is lezenswaardig en vermakelijk. Ook wel leerzaam, maar ook herkenbaar, en met leuke humor. Sophie Perrier kan zeker schrijven en leuke citaten selecteren.

Een van mijn onderzoeksvragen was of het te generaliserend was. Dat is denk ik onvermijdelijk vanwege de anekdotische opzet. De geïnterviewde vrouwen noemden voorbeelden uit hun verleden, en noemden begrijpelijkerwijs terugkerende dingen uit hun ervaring. Ongetwijfeld zijn er ook niet-ingehouden Nederlandse mannen met gevoel voor romantiek, zoals er inmiddels ook wel Arabische, Italiaanse, of Kroatische mannen zijn die vrouwen wel als gelijkwaardig willen behandelen in bed. Ook zal niet elke Spanjaard zo “vurig” in bed zijn, als hun algemene imago, om nog maar wat te noemen, of zal niet elke Fransman zoveel aandacht geven aan zoveel mogelijk flirten en maitresses zoeken.

Hoe “onverbiddelijk” was dit oordeel van buitenlandse vrouwen over Nederlandse mannen, zoals de ondertitel luidt?

Dat valt al met al best mee, maar niet zonder kritiek op de - nogmaals: algemeen gesteld - nuchtere, beheerste, verstandelijke, passieloze benadering van relaties door de Nederlandse man. De pluspunten hiervan (serieus, gedisciplineerd wanneer nodig) worden echter ook veelvuldig genoemd, dus het beeld is genuanceerd.

Dat sommige vrouwen het in dit boek als een uitdaging zien de “koude” Nederlander wat warmer, gepassioneerder te maken, is ergens ook wel schattig. Het zou zelfs bijna ontroerend mooi zijn als zij dat als beloning ziet voor zijn geëmancipeerde consideratie/respect voor haar wensen.. That’s love, baby..

Die historisch onstane cultuurverschillen per land heb ik altijd al een interessant thema gevonden: mogelijk omdat ik geboren ben uit ouders uit twee verschillende landen, in weer een ander land. Ik hoorde daar opgroeiend ook veel over. Zo zei mijn moeder ooit stellig: “Italianen zijn jaloerser dan wij Spanjaarden, vaak over onzin”.. Ik moest daar toch over nadenken: was dat op mijn vader gebaseerd of (ook) op andere Italianen die zij heeft gekend? Ik ken namelijk ook veel Nederlanders die “jaloers zijn over onzin”, in de vorm van “misgunnen”.

Dit alles toont, in ieder geval, in dit dystopische “corona” tijdsgewricht – met politiek opgelegde lockdowns en isolatie – hoe mooi het is als je vrij je medemens kunt “verkennen”, zonder restricties. Je gewoon vrij kunt bewegen in openbare ruimten, mensen spontaan leren kennen, verliefd kunt worden, langzaam steeds nader tot elkaar komt, al flirtend. In vrijheid en in gelijkheid. Elkaar – en daarmee andere culturen – open leren kennen, desgewenst ook intiem.

Vrijheid is hierbij nodig, maar nu dus verstoord door het coronabeleid. Ik zei in Maart 2020 al overtuigd, en dat herhaal ik stellig: “lockdowns zijn iets van dictaturen”. Veel van het ermee samenhangende beleid, was even vernederend of erg, en nog erger: van vrijheidsbeneming tot vaccinatie-/injectiedrang,en nu apartheid tegen en discriminatie van gestigmatiseerde ongevaccineerden.

Ik ben het niet eens met dit draconische/totalitaire beleid aangaande een immers toch relatief mild griepvirus, dat moge duidelijk zijn. Een leuk thema om het lang over te hebben vind ik het echter ook niet.

Dit prettig geschreven boek (uit 2001) met interviews door Sophie Perrier, geeft inzicht in een veel leukere wereld, waar je vrolijker van wordt, zelfs met wat ongemakken. Tegelijkertijd maakt dat mij wat nostalgisch: ze herinneren mij aan vrijere tijden, toen je nog spontaan mensen kon ontmoeten, jezelf daarmee ook leerde kennen in relatie tot anderen. Ubuntu, of “mens door andere mensen”, zoals ze in Bantoe-gebieden in Afrika zeggen.

De spanning van mogelijk verliefd worden, een speelse flirt, of zelfs alleen maar grappige of boeiende gesprekken met mensen die je mogelijk zelfs net ontmoet had. Met andere woorden: het echte leven. Het natuurlijke menselijke leven.

Dat kon ooit zonder al die verdachtmaking en angstpropaganda onzin rond afstand, besmettingsrisico etc., die nu teveel in onze hoofden zitten, sinds dat coronabeleid.

Mensen zijn potentiële liefdes-, vriendschaps-, of zelfs inspiratiebronnen – of juist niet, maar daar leer je weer van -, maar in ieder geval veel en veel meer dan potentiële “ziektebronnen” die nu van ons gemaakt worden..

Dit boek toont dat mede aan. Al met al een aanrader. Goed leesbaar, en vol met leerzame, geestige anekdotes.

‘De Mannen van Nederland : het onverbiddelijke oordeel van buitenlandse vrouwen’ . – Sophie Perrier (Uitgeverij Plataan, 2001). 120 pag..