Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label taal. Alle posts tonen

maandag 3 november 2025

Twee boekrecensies in één: Hans Kaldenbach en Paulien Cornelisse

‘Doe maar gewoon: 99 tips voor het omgaan met Nederlanders’ is een boek(je) geschreven door “intercultureel adviseur” Hans Kaldenbach, eerst geschreven in 1994.

De titel suggereert een soort inleiding voor nieuwkomers, hoewel het dan mogelijk voor sommigen vertaald moet worden. Hij refereert ook naar Marokkanen, Turken, en Surinamers, en de verschillen tussen hun culturen en de Nederlandse, en wat in Nederland gebruikelijk is.

Inderdaad waren dat in 1994 (bij schrijven) al de grootste migrantengroepen in Nederland, maar het geldt uiteraard voor alle mensen van buitenlandse origine, zo te lezen. Uit Kaldenbach’s vergelijkingen lijkt hij vooral de wat exotischer buitenlander voor ogen te hebben, niet direct omliggende “Germaanse” landen, met veel meer culturele overeenkomsten (of we nu willen of niet).

Dit via 99 “tips” die eerder als thematische uitleglemma’s kunnen worden gezien.

Een klein boekske op zich, van 53 pagina’s.

PAULIEN CORNELISSE

Een ander boek dat ik al eerder had gelezen, werd geschreven door Paulien Cornelisse, en is mogelijk wat bekender: 'Taal is zeg maar echt mijn ding’, eerst geschreven in 2009, dus een tijdje later.

Het boek van Paulien Cornelisse is wat dikker dan Kaldenbach’s boek, met zo’n 229 pagina’s, en zelfs een heus register.

Ook hier: verschillende subonderwerpen/lemma’s, maar dan rond taalverschijnselen en –trends - in het moderne Nederlands.

Het boekje van Kaldenbach gaat dus over de Nederlandse “cultuur” (voor buitenlanders uitgelegd), en dat van Cornelisse over de Nederlandse “taal”.

Dat lijken twee verschillende dingen, maar uit studie van de antropologie blijkt dat in historische zin cultuur – en verschil erin - begon met taal, betekenis ontlenen via (eigen, nieuwe) metaforen. Het legt ook het praktische vast via symboliek.

Toen ik een keer de antropologie bestudeerde was dat gegeven, dat culturen met taal beginnen, iets wat ik niet wist, maar eigenlijk ook weer wel. Verhelderend, in ieder geval.

HANS KALDENBACH

Hans Kaldenbach beschrijft in ‘Doe maar gewoon’ Nederlandse gewoonten zoals op tijd komen – de klok wordt strak aangehouden – en andere haast clichématige zaken, die we wel vaker gehoord hebben, maar meestal ook wel (deels) ware cliché’s zijn: je kunt niet zomaar onaangekondigd op visite komen bij Nederlanders, noch automatisch mee-eten als op visite. Kinderen gaan vroeg en op tijd naar bed, en de omgangsvormen zijn wat ingehouden: men praat rustig, danst weinig. “Genieten lijkt wel een zonde”, stelt hij in een van de tips, dit relaterend aan een calvinistische invloed in Nederland.

Hij noemt ook positieve, minder saaie Nederlandse cliché’s als eerlijkheid, eerder schuld toegeven (vergeleken met? Buitenlanders hier?), eerder een persoonlijke mening geven (ik- versus “wij” cultuur), en beschrijft het begrip “gezelligheid”, soms samen vallend met een kopje koffie met een enkel koekje (misschien zelfs twee!).

Mogelijk is “gezellig” te vertalen naar andere talen – het Engelse “cozy” komt in de buurt – maar het is toch ook weer typisch Nederlands.

Ik herinner mij dat mijn Spaanse moeder dat woord vaak in Spaanse zinnen niet vertaalde, maar in Spaanse zinnen als leenwoord gebruikte: “era bien “gezellig” ahí dentro” (het was best wel gezellig daarbinnen).

CULTUUR EN TAAL

Zo zijn er meer taalgerelateerde dingen in Kaldenbach’s boekje, wijzend op de onvermijdelijke connectie tussen een cultuur en de bijbehorende taal.

Andersom zijn er om dezelfde reden ook culturele verwijzingen in het boek over taal van Cornelisse. Eigenlijk logisch, dus.

De Spaanse filosoof Miguel De Unamuno zei ooit: “Het ras is de taal..”. Hoewel ik het vaak met Unamuno eens ben, en hij veel zinnigs zei, was ik het hier minder mee eens. “Cultuur is de taal”, klopt al wat meer, denk ik zelf. "Ras" is als term te vaag.

Een belangrijk verschil tussen beide boeken is dat Kaldenbach spreekt over culturele gewoontes die al wat langer mee gaan, en wellicht bij jongere generaties zijn aan het veranderen, terwijl Cornelisse het vaker over huidige “taaltrends” heeft: juist die veranderingen dus, maar ook wel oudere uitdrukkingen hekelt.

Cornelisse doet dat leuk en grappig, en ik begrijp waarom het boek een bestseller werd. Van het gebruik van woorden als “gewoon”, de vage toevoeging ..”en alles”, gebruik van aanhalingstekens, voetbaltaal, “subtiel opscheppen”.. Grappig, want vaak herkenbaar om ons heen, op het werk, in ons sociale leven, of in de media.

GENERALISEREND

Kaldenbach heeft wat minder leuke humor, maar geeft wel wat interessante indrukken van de Nederlandse cultuur. Die herken ik vaak ook, maar niet altijd.

Mogelijk vanuit Nederlandse trots of verwantschap heeft Kaldenbach soms een te rooskleurig beeld van Nederlanders en hun gedrag, soms positief generaliserend, maar soms ook negatief generaliserend.

Hij stelt dat Nederlands “altijd” schuld zullen bekennen en excuses maken. Hij zet dit geniepig af tegen ander culturen (Marokkanen), die dus blijkbaar leugenachtiger en ontkennender zijn. Vooral dat “altijd” van Kaldenbach maakt het onzin. Hij verbindt dat aan een schuld-cultuur, versus een schaamte-cultuur, en een ik-cultuur, versus een wij-cultuur, maar is gewoon niet voor alle Nederlanders waar.

Kaldenbach bestudeerde ook weleens “hangjongeren”, wat mogelijk voor wat vertekening zorgde. Bij wetsoverteding zullen betrapte Marokkanen ontkennen en leugenachtig zijn, maar hetzelfde geldt voor Nederlandse misdaadplegers, of andere bedriegers en beroepsleugenaars (politici, verkopers). Die heb je onder elk volk, zoals ook de neiging om de schuld bij de ander en niet bij jezelf te leggen, vanuit een misplaatste trots, of het grote eigen ego.

PRATEN

“Je laat elkaar uitpraten” schijnt ook zoiets positiefs Nederlands te zijn, volgens Kaldenbach, en dat is wel iets meer waar, althans in formele gesprekken,of in talkshows op tv, en dergelijke. Ik zag ooit bij familie in Andalusië (Spanje) op tv een Spaanse talkshow waar er door elkaar heen “getetterd” werd, en men herhaaldelijk (tientallen keren) moest vragen “Me vas a dejar hablar?”, mag ik even uitspreken?.. Ook was het luider of zelfs “bozer”, de rustige, beheerste toon van Nederlanders ontbrak. Als iemand zijn stem teveel verheft, en men “boos” klinkt, in een Nederlands talkshow, wordt deze meestal het woord ontnomen, en de microfoon weg genomen of uitgeschakeld. In Spanje blijkbaar niet.

Ook dat “laten uitpraten” is echter generaliserend. Als Nederlanders je niet mogen, of wantrouwen, zullen ze in het sociale verkeer geen open gesprek tot stand laten komen, zoals overal, en je je zinnen niet af laten maken… een kinderachtige, en eigenlijk antipathieke, trek, - we zitten immers niet meer op de middelbare school -, maar “des mensch”.

Rustig, zonder stemverheffing, praten is volgens Kaldenbach hoe dan ook in het algemeen typisch Nederlands, wat ook wel nog steeds een beetje zo is, alhoewel verschillend per sociale groep (voetbalsupporters?, dronken feesters?).

Paulien Cornelisse heeft een grappig stuk in haar boek over zo’n uitzondering: een buurtgenoot van haar in Amsterdam: een fanatieke Ajax-fan die de gewoonte had om hard op straat “Joden!”, “Joden!” te roepen, wat nogal rabiaat anti-semtisch lijkt, als je niet weet dat Ajax-aanhangers zichzelf zo noemen.

Toch raar: stel dat een ander (wit) iemand “Chinezen!”, “Chinezen!” op straat roept. Dan vermoeden we toch een gevaarlijke, racistische frustratie bij deze persoon.

Hoe dan ook, en met welke intentie dan ook: niet alle Nederlanders praten altijd rustig en ingehouden, weet ik ook uit eigen ervaring.

Noodgedwongen grijpt Kaldenbach dus naar generalisaties, vooral vergelijkend met Marokkanen, Turken, Antillianen, en Surinamers. Het is meer sociologisch, of het nu altijd helemaal klopt, of niet.

Het leuke boek van Cornelisse is daarentegen meer psychologisch, en gedetailleerd op taal gericht, ook bij een-op-een interacties. Taalgericht, weliswaar, maar ook op dat detailniveau uit zich de cultuur van een land.

Veel van wat Cornelisse beschrijft is hoe mensen zich interessant of intellectueler proberen te maken met woordgebruik, zoals in de zinsnede “ik geloof niet in veel tv kijken”, versus “ik kijk niet zoveel tv”, of “het is een aanvaller, maar van een ander kaliber dan EEN Lionel Messi”, zoals in het Voetballiaans. Dat “een” geeft een analytisch tintje, even zeer als zeggen “ik geloof niet in..”. Dat beschrijft ze grappig.

OOGCONTACT

Niet alles herkende ik van wat Kaldenbach zei. Zo zouden Nederlanders elkaar langer en meer in de ogen kijken. Niet alleen onderschat hij daarmee man-vrouw verhoudingen en (ongewenste) seksuele spanning, maar ook in andere sociale contexten zijn ook veel Nederlanders wantrouwend, of, wat liever, te onzeker of verlegen, om oogcontact te maken, vooral in drukke steden, met etnische scheidslijnen.

Dat geldt uiteraard ook voor andere nationaliteiten en groepen, ook wat “geslotener” gemeenschappen als strengere moslims, bijvoorbeeld.

Het is geen halsmisdaad, maar sympathiek is vermijding van oogcontact natuurlijk nooit: iedereen wil “iemand die me ziet” om uit een songtekst van Doe Maar (song Radeloos) te citeren: het ontspant de relatie en sfeer, en opent mogelijkheden tot beschaafd, en wie weet zelfs inspirerend contact.

VERBONDENHEID

Dat Kaldenbach dat positieve in de ogen kijken als “typisch Nederlands” ziet (wat ik dus betwijfel) zal met de verliefdheid op eigen land – de “oer-connectie” via wortels met het eigen Nederlandse volk die hij voelt, te maken hebben. Die val je niet af, en verdedig je/praat je goed.

Ook dat is niet typisch Nederlands, maar ik merk wel dat ik (half Italiaans, half-Spaans, geboren in Nederland) die rotsvaste, eenduidige identificatie soms mis. Mijn ouders maakten grapjes over elkaars landen, met soms zelfs kritiek, en weer andere grapjes/kritiek over de Nederlandse buitenwereld.

Ook vaak grappig, maar verwarrend voor mij. Voor mijzelf probeer ik dan speels te combineren - laverend "tussen culturen in", maar het blijft ergens dubbel.

Germaanse volkeren als 't Nederlandse, zijn ook wat etnisch – en deels ook cultureel - “zuiverder” (sorry voor de dubieuze connotatie) dan “mijn” Mediterraanse landen Italië en Spanje, met veel meer historische etnische vermenging, en vooral in Spanje veelzijdig (Feniciërs, Basken, Kelten, Romeinen, Gothen, Berbers, Joden, zigeuners etc.). Dat “zuiverheid” denken wordt met zo’n historische mengelmoes lastiger.

Toen de Germanen naar Nederland kwamen woonden er al mensen (denk aan de pre-Saxische “hunebed” bouwers in Drenthe), maar het land is al met al relatief eenduidiger.

Die diepe verbondenheid met zijn Nederlandse roots schijnt door in Kaldenbach’s boek - tussen de regels door, zogezegd -, vooral in de (te) rooskleurige benadering van de Nederlandse volksaard, in vergelijking met andere culturen die daarmee negatief gekarakteriseerd worden: Nederlanders zijn eerlijker met meningen, maar ook in het schuld bekennen, terwijl die anderen (bijv. Marokkanen?)… liegend en bedriegend door het leven gaan?

Mogelijk is Kaldenbach’s oordeel vervormd door gesprekken met criminele Marokkaantjes – gepakt voor wetsovertreding - : die dus al verkeerd bezig waren. Die zijn niet per se representatief.

Kaldenbach verwart soms sociale positie met cultuur, en vergeet soms dat discriminatie bestaat. Nederlanders “durven te vragen naar promotie op hun werk”, stelt hij in een “tip”, terwijl mensen van buitenlandse afkomst in zo’n bedrijf dat niet durven, en door hard werken hopen promotie te maken.

Waarom zou dat nu zijn? Als je met de baas die “oer-connectie” deelt, tot hetzelfde volk behoort, dan ben je geen buitenstaander, maar een soort “insider”. Je kan wat meer maken en vragen.

Menig buitenlander - als buitenstaander - vreest vaak toch dat bij al teveel openlijke ambitie en uiting van een promotiewens in dat bedrijf, hij of zij als eerste weg moet bij een volgende ontslaggolf, juist vanwege teveel ambitie. Dat is dus meer sociaal dan cultureel.

Die subtiele discriminatie kennen Nederlanders in hun eigen land wat minder, en ontsnapte mogelijk ook de aandacht van Kaldenbach.

Ook Kaldenbach’s “tip” dat Nederlanders veel over het weer praten is dubieus. Dat is meer universeel, dan alleen typisch voor deze vochtige rivierdelta in NW Europa die Nederland heet. Ook in bijvoorbeeld het hete Andalusië in Zuid-Spanje, waar ik familie heb wonen, wordt over de hitte geklaagd, zelfs als niets nieuws onder de zon (ha!). Interessant feit: Zuidwest-Spanje - waar mijn "maternal roots" liggen - is formeel het warmste/heetste deel van gans Europa (over het jaar genomen).

Zoals Tom Waits terecht zong in zijn song Strange Weather: “Strangers talk only about the weather. All over the world, it’s the same..”

Andere “tips”, beschrijvingen van Nederlandse culturele gewoonten sneden wel wat meer hout, denk ik (precieze indeling van leven, ingehouden/rustig, geldgericht), in algemene, generaliserende zin dan.

Wat Cornelisse schrijft in ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ is óók vaak waar, maar meer op detailniveau, met meer psychologische diepgang. Soms lijken observaties futiel, maar toch grappig. Het steeds bredere gebruik van het oorspronkelijk existentiële woord “eigenlijk” in het Nederlands tot zoiets als: “ik was eigenlijk op zoek naar een krop sla”, in een groentewinkel.

Daar heeft ze veel leuke voorbeelden van, ook bij een woord als “toch”.

CALVINISTISCH

Ze vermoedt een calvinistische oorsprong veel gebruik van “toch”. In die protestantse interpretatie is de mens geboren met een erfzonde, als zondaar dus, die misschien door heel hard te werken/goed te doen mededogen van de Here God krijgt. In het katholicisme is er ook wel zoiets als een erfzonde, maar is het verder niet zo rigide. Hoe dan ook, vertelt Cornelisse, zegt dat “toch” dat we ondanks dat we zondaars zijn die altijd iets verplicht zijn in het calvinisme, we vandaag “toch” even gezellig en lekker zaten te eten, bijv.

Grappig en interessant, en elders verwijst ze ook naar een calvinistische invloed, zoals in relatie tot het woord “genieten”.

Daar is een parallel met het boekje van Kaldenbach, waarin hij het erin gestampte “genot is zondig” principe van het calvinisme/protestantisme noemt als verklaring van veel ingehouden cultureel gedrag van Nederlanders. Niet alleen bij praten, en feesten, maar ook qua kleding, eten, architectuur, etcetera.

Grappig genoeg zegt Cornelisse ongeveer hetzelfde in haar boek, ook in relatie tot “genieten", maar dan als taalkundig woord. Een citaat uit haar boek:

Het probleem met Nederlanders en genieten is natuurlijk dat we er te veel over nadenken. We mogen pas met vakantie als we er eerst hard voor gewerkt hebben. Een beloning zonder dat daar eerst voor geleden is, past niet bij onze calvinistische mentaliteit.”

Om dezelfde reden wordt het woord “genieten” vaker diffuus en algemeen gebruikt, terwijl het in andere talen vaak in relatie tot iets is: “enjoying the concert”, bijv. Ook in het Spaans, weet ik “Disfrutar (genieten) DE (van).. iets.. Het genieten staat in het Nederlands daarentegen meer op zichzelf.

CONCLUSIE

Beide boeken zijn lezenswaardig, en in verschillende mate leerzaam. Bij Kaldenbach kwamen veel cliché’s langs, maar ook enkele dingen waar ik nog niet aan heb gedacht. Ook wel enkele dingen die niet leerzaam zijn, omdat ze niet waar zijn, of te simplistisch.

Deels is er ook patriottische “wishful thinking” over zijn geliefde eigen Nederlandse volk. Ik kan hem dat verwijten, ware het niet dat zoveel mensen in de wereld dat hebben. Als “intercultureel adviseur” moet je daar (van die etnische oer-connectie) echter ook los van/boven kunnen staan, vind ik.

Cornelisse behandelt deels schijnbaar futiele zaken als woordkeuze en taalgrapjes - en humoristisch - , maar is al met al psychologisch leerzamer, met - nog veel meer dan bij Kaldenbach - dingen die ik nog niet zo opmerkte (soms wel aanvoelde). Wat ze schreef over “subtiele zelfverheerlijking”, bijvoorbeeld, bij persoonlijke gesprekken, en meer verhulde egotripjes en onzekerheden via taalgebruik.

Daar zit een “spel” met taal in, dat weer dat “ingehoudene” en sobere van Nederlanders (volgens Kaldenbach) juist tegen spreekt, maar wel weer “calvinistisch” gematigd en taalgericht (de Schrift, de Bijbel), en soms ook "berekenend" qua taalgebruik, in plaats van echt artistiek.

Een Franse leraar die ik ooit had, zei dat Fransen hun taal breedsprakiger en poëtischer praten en schrijven, dan meer pragmatische en zakelijke Nederlanders met hun taal. Datzelfde “breedsprakige” geldt op een iets andere manier ook wel voor die landen van mijn ouders (Italiaans, Spaans).

Dat is misschien nog wel waar, Nederlands wordt niet (evenmin als andere Germaanse talen) al te snel poëtisch gebruikt, maar “spelen met taal” is er wel degelijk, waardoor Cornelisse ook zo’n leuk boek kon schrijven.

De mens is van nature een sociaal wezen, maar ook een “spelend” wezen, zeg ik altijd maar. Daarom zijn ook al die verschillende culturen in deze wereld ontstaan..

zondag 1 november 2015

Reggae in "andere" talen, waaronder Nederlands

Reggae is uiteraard “gone international” sinds lange tijd. Dit geschiedde met name sinds de internationale populariteit van Bob Marley & the Wailers sinds de jaren 70 van de 20ste eeuw. Deze populariteit was wereldwijd, en bereikte ook plekken waar de taalbarrière – of taalkloof - een rol kan spelen. Die speelde ook een rol, maar niet overal waar je dat zou denken. Ik heb begrepen dat het optreden van Bob Marley met het grootste publiek ooit, Bob’s concert was in het grote stadion San Siro in Milaan, Italië was: 27 Juni, 1980. Meer dan 100.000 mensen (!) waren aanwezig. Milaan is in een modern, welvarend deel van Italië, maar toen met per gemiddelde inwoner veel minder kennis van het Engels dan bijvoorbeeld Nederland of Duitsland.

VERSCHILLENDE TALEN

Ook in Frankrijk raakte reggae snel populair, ondanks een taalbarrière. Er ontstond ook relatief snel Franstalige reggae om die taalkloof te dichten. Alpha Blondy is uiteraard een bekend voorbeeld, hoewel deze zijn songteksten heeft in afwisselend het Frans, Engels, Afrikaanse talen van zijn achtergrond in Ivoorkust (met name Dioula, een Mande taal), of andere talen zoals Herbreeuws/Ivriet in zijn bekende song ‘Jeruzalem’. Alpha Blondy trok overigens ooit naar de VS om beter Engels te leren, maar dat terzijde. Tiken Jah Fakoly (ook oorspronkelijk uit Ivoorkust, tegenwoordig woonachtig in Zuid-Mali) is wat exclusiever Franstalige reggae, en ook populair in Franstalige gebieden. Dat men de songteksten verstaat, vergroot toch de relatieve populariteit. Het is wellicht niet bij iedereen bekend dat de meeste “francofone” mensen in de wereld tegenwoordig in Afrika wonen.

In Spaanstalige gebieden leek Bob Marley in eerste instantie wat minder massaal populair te zijn, hoewel verschillend per land. De taalkloof speelde hier beslist een rol, alsmede economische en culturele omstandigheden. Ook politieke omstandigheden vaak: in dictaturen met censuur kwam buitenlandse, Engelstalige cultuur – vooral als deze wat alternatief en rebels was, en met marijuana geassocieerd werd – wat moeilijker bij het volk terecht. Dit dus naast de taalkloof. In Spaanstalige gebieden, en ook Portugeestalige gebieden als Brazilië (hier zelfs wat eerder), werd reggae uiteindelijk ook populair. Er ontstond toen ook aardig wat Spaanstalige reggae.

Ik kan nog wel even zo doorgaan, maar anno 2015 bestaat er reggae (zowel Roots Reggae als Dancehall) in vele verschillende talen. Inmiddels ook langzaam toenemend in grote/bekende talen als het Chinees, Japans, Arabisch, Hebreeuws, Hindi, Russisch, Indonesisch, of ook talen als het Fins (een artiest als Jukka Poika – hij heeft een fijne zangstem, maar ik versta uiteraard niets van zijn Fins), Zweeds, Pools, Servokroatisch, Roemeens e.a. Dat talen hier wellicht ontbreken (een zoektocht naar reggae in het Iraans/Farsi zal bijvoorbeeld vermoedelijk niet veel zin hebben, maar ook dat is niet onmogelijk) heeft met culturele en politieke belemmeringen te maken. Als het er is, kan het ook heel “underground” aanwezig zijn.

Ook in de taal het Amhaars in Ethiopië – het heilige moederland van de Rastafari – bestaat er al een tijd reggae. De niet lang geleden (Augustus, 2013) helaas op 37-jarige leeftijd overleden Eyob Mekonen was een beroemde artiest, met goede, catchy songs in het Amhaars, die door de taalbarrière heen aanspreken. Ik ken meerdere nummers, met name in Afrikaanse reggae, die ik leuk vind, maar niet of nauwelijks versta (hoogstens een enkele zin), meerdere nummers van Alpha Blondy in het Dioula, bijvoorbeeld. Goede songs gaan uiteraard door de taalbarrière heen.

Reggae is verder heel populair in sub-Saharaans Afrika, en er zijn veel Afrikaanse reggae-artiesten, die echter toch vaak in het Engels (of dus Frans) – of het Jamaicaanse Creools (van Engels afgeleid) - zingen, vaak is het Engels een officiële taal uiteraard in voormalige Britse koloniën als Nigeria, Ghana, Gambia, of Kenia.

NEDERLANDSTALIG?

Ik wil me in dit bericht echter vooral richten op het land waar ik woon: Nederland. Dit lijkt mij om een aantal redenen interessant. Dit vooral bij het vergelijken met andere landen.

Om het maar meteen duidelijk te stellen: er bestaat anno 2015 weinig Nederlandstalige reggae. De meeste reggae-artiesten in Nederland hebben hun teksten in het Engels, of (deels) Jamaicaans Patois, en volgen in die zin de Jamaicaanse modellen. Denk aan de wat bekendere artiesten als Maikal X (ex-Postmen), Joggo, of Ziggi Recado. Recentelijk kwam Kenny B. met Nederlandstige reggae, en kreeg ook een hit. Hij sprong dus in het gat in de markt. Doe Maar – volgens reggae-puristen niet eens echte reggae – maakte de originele move door reggae(-achtige) muziek in het Nederlands te zingen, in de jaren 80 van de 20ste eeuw. Dat sprak toen aan. Nederlandstalige reggae kwam echter daarna niet echt tot bloei.

Dat de gemiddelde Nederlander veel beter Engels verstaat dan Franstalige of Spaanstalige mensen – en dus het vertalen voor het begrip veel minder nodig is – is ongetwijfeld een deel van de verklaring. Dat er ook gewoon een grotere markt is voor Franstalige en Spaanstalige muziek, dan voor het Nederlands, is weer een ander deel van de verklaring. Commerciële redenen spelen vast een rol: je weet nooit of je een hit krijgt buiten Nederland. Zo houd je de markt breed, uiteraard. Gentleman zou het ook minder hebben gedaan internationaal als hij in het Duits zong, of Alborosie in het Italiaans.

Daarnaast denk ik dat het ook een soort culturele code van respect is, van enigszins puristische aard: reggae komt uit Jamaica en blijft ook het echtst als het in het Jamaicaans Engels is. Anders wordt het al snel te nep, is een (soms terechte) mening. Aan de andere kant wordt er ook betoogd dat juist in het Jamaicaans Engels zingen, als Nederlandstig iemand die geen Jamaicaan is, nep is, en minder authentiek. Het ligt eraan hoe het gedaan wordt, denk ik zelf. Zoveel mensen leren nieuwe talen, immers.

Daarnaast is er ook de mening dat het Nederlands gewoon te “lelijk” klinkt voor teksten in Reggae.

VERGELIJKING MET HIP-HOP

Toch.. het zijn verschillende genres, maar een vergelijking met hip-hop wijst op duidelijke verschillen in dezen. Ook onder Nederlandse “vroege” rappers werd in de vroege jaren 80 eerst gedacht dat om echte Rap te maken, je in het Engels moest rappen, liefst met een accent zoals zwarte mensen in de VS (vooral New York) hadden. Dat was een soort norm. Het leidde tot internationaal succes, zoals de nummer 1 positie in 32 landen (ik herhaal 32 landen!) van de ‘Holiday Rap’ (1986) van de Nederlanders Miker G & DJ Sven. Iets wat ik overigens nog steeds niet begrijp, zeker vanuit muzikaal perspectief. De rap-vocalen van het tweetal “vloeiden” naar mijn idee niet echt lekker, en waren af en toe zelfs uit de maat. Het was grappig, maar niet veel meer dan dat. Het werd echter een wereldwijde hit.

Dit succes ten spijt, en ook ondanks kritiek dat het Nederlands niet zou passen/te lelijk zou zijn om in te rappen, ontstond uiteindelijk toch veel Nederlandstalige hip-hop en werd de term “Nederhop” al in de vroege jaren 90 een begrip. Vertalingen naar het Nederlands spraken al snel aan en zorgden voor succes van bands als Osdorp Posse, Spookrijders, Extince, Brainpower, Lange Frans, Raymzter, en weer later Flinke Namen, Opgezwolle, de Jeugd van Tegenwoordig, Fresku, Rico (hoewel sommigen van deze artiesten ook door reggae beïnvloed zijn), Typhoon, Gers Pardoel, Kempi, en vele andere rappers en formaties die enigszins bekender zijn geworden, of zelfs heel bekend, zoals Ali B.. Nederlandstalige hip-hop is in die zin doorgebroken bij een breed publiek in Nederland, en deels België.

Voor reggae geldt dat na Doe Maar niet. Er verschijnt – naast Nederhop met reggae-invloeden, zoals van Rico recentelijk - wel wat Nederlandstalige reggae, bands die zich er een beetje in specialiseren, soms sommige nummers op albums met verder Engelstalige tracks. Reggae-artiesten van Surinaamse afkomst wisselen soms songteksten in het (Jamaicaans) Engels en Sranan Tongo af met een Nederlandse tekst. Het blijven uitstapjes of een soort experimentele, grappige projecten. Denk aan Jah6, dat reggae-covers van André Hazes-songs brengt. Een band als Luie Hond maakt dan Nederlandstalige reggae (-achtige) muziek, maar probeert soms wel heel erg Doe Maar na te doen, zelfs in de zangstijl en songteksten.

Serieuze, maatschappijkritische reggae – of zelfs door Rastafari geïnspireerde reggae – is er zeer weinig in het Nederlands. Toen Kenny B in het Nederlandstalige reggae-gat sprong, was dat met een soort luchtige “Doe Maar” dan wel “zomerhit” vibe, waarbij maatschappijkritiek naar de achtergrond verdween. Vrolijke liefdesliedjes dus.

Ikzelf versta prima Engels en zelfs Jamaicaans Patois tot op grote hoogte, en ik ken meerdere goede Engelstalige nummers van Nederlandse reggae-artiesten als Ziggi Recado, Joggo, van wat minder bekende artiesten als Rass Motivated, Heights Meditation, Barka Moeri, Priti Pangi, of andere artiesten, die ook gewoon Nederlands kunnen praten. Ik zie dat niet als bezwaarlijk op zich, en zie een Nederlandstalige reggae-tekst soms ook als een gimmick (ligt eraan).. weer zo’n grappig uitstapje, leuk als experiment. Ik heb niet per se een heel sterke behoefte aan Nederlandstalige Reggae, wil ik maar zeggen, hoewel het leuk kan zijn.

Het valt me alleen op dat Neder-Reggae – naar analogie van Nederhop – nooit is ontstaan, ondanks de populariteit van Doe Maar in de jaren 80. Dat wijst erop dat hip-hop commerciëler is dan reggae, als genre. Hip-hop bereikt ook in Nederland een veel groter publiek, en Nederlandstalige hip-hip werkt dan ook in commerciële zin goed: artiesten als Lange Frans, Extince en Ali B verdienen goed met hun muziek.

FRANSTALIG EN SPAANSTALIG

Een vergelijking met Franstalige gebieden en ook met Spaanstalige gebieden is hierbij denk ik ook interessant. Alpha Blondy, Tiken Jah Fakoly e.a. maken serieuze reggae met veelal serieuze, kritische en beschouwende teksten – in het Frans -, deels door Rastafari beïnvloed (hoewel Tiken Jah Fakoly nominaal nog steeds ook Moslim is).

De Spaanstalige en Portugeestalige wereld is hierbij ook wel interessant. Waarschijnlijk vanwege de veel beperktere kennis van het Engels is voor de meeste reggae-artiesten in Spaanstalige landen het Spaans de hoofdtaal van hun teksten: soms met een uitstapje naar het Engels, met tweetalige Engels/Spaanse songs, of Engelse of Jamaicaanse termen/zinnen tussen het Spaans. Gondwana, uit Chili, of los Cafres, uit Argentinië, zijn wat bekendere reggae-bands uit Latijns-America, alsook bijvoorbeeld Cultura Profética uit Puerto Rico.

Overigens, om politieke redenen – en ook wel economische – is reggae in het raciaal en cultureel – vergeleken met Puerto Rico - “zwartere” Cuba wel aanwezig, maar vooral alternatief en “underground” gebleven. “Echte” Jamaicaanse reggae bereikt het nabij gelegen Cuba wel degelijk.. zo hoorde ik, in 2006, opeens in een volkswijk van Santiago de Cuba een nummer van de Jamaicaanse artiest Richie Spice uit een gebouw komen. Daarvoor hoorde ik vooral varianten van lokale Salsa en Son, andere Cubaanse muziek, Latin pop a la Ricky Martin en Enrique Iglesias, en hip-hip of reggaeton-achtige muziek in verschillende delen van de stad. Daarom verbaasde het me dat ik echte Roots Reggae, en specifiek Richie Spice, hoorde in Santiago de Cuba, in 2006 dus. Ik weet zelfs nog welk nummer van Richie Spice op dat moment dat wij langs kwamen speelde: ‘Folly Living’ (aka Blood Again).

In Spanje is er inmiddels ook aardig wat Spaanstalige, serieuze reggae, met maatschappijkritische teksten, met ook een aantal enigszins bekende artiesten die al een tijd bezig zijn, zoals Morodo, Ras Nattoh, Ras Kuko, Little Pepe, Cañamán e.a., vaak autochtone Spanjaarden die zich serieus lijken te identificeren met Rastafari. Uit sommige songteksten blijkt wel degelijk een verdieping in Rastafari, en dat ze niet slechts “fashion dreads” zijn die graag weed roken en reggae (en verwante symbolen) cool vinden. Het sterke ‘Revelación’(2004) - wat “openbaring” betekent in het Spaans - van de Madrileense toaster (soms rapper) Morodo is daar een voorbeeld van. Ik versta Spaans, ook vanwege mijn achtergrond (ik ben half-Spaans van mijn moeders kant), en ik kan de songtekst dus volgen. De tekst gaat erover dat niemand van het oordeel van Jah kan vluchten, de zondaars die stelen, vermoordden, verkrachtten en slaven hielden, kunnen niet tegen de wijsheid van Jah op. Een militante Rasta-tekst dus, een beetje in de lijn van artiesten als Sizzla en Capleton, waarvan de laatste ook qua vocalen Morodo lijkt te hebben beïnvloed. Andere songteksten van Morodo zijn iets minder militant (of gaan over marijuana), maar maatschappijkritiek en Rastafari zijn terugkerend in zijn lyrics.

Andere wat minder bekende reggae-artiesten in Spanje hebben ook serieuze of filosofische songteksten in het Spaans, met - net als Morodo - Rastafari begrippen (al dan niet vertaald) die ook in Jamaicaanse Roots Reggae gangbaar zijn. Vaak ook fijne, positieve filosofische teksten in recente Spaanse reggae, die mogelijk aanspreken in Spanje, dat op dit moment naar verhouding veel meer (jeugd)werkeloosheid en armoede kent dan Nederland. Hoe je het ook wendt of keert: reggae is ontstaan als muziek van Jamaicaanse “sufferers” in arme wijken.

Welnu, in Nederland heb je dat minder, hoewel de opkomende artiest Dutch Natty – met serieuze, spirituele Rasta-teksten in het Nederlands, in een laid-back stijl – nog wel te noemen is, evenals enkele Nederlandse songteksten van nummers van andere artiesten. In Vlaanderen heb je een reggae-artiest als Campina Reggae, die met zijn songteksten vaak wel dieper gaat.

Meestal is Nederlandstalige reggae echter wat oppervlakkiger, poppy Doe Maar-achtig, met veelal vrolijke liefdesliedjes.

NEDERHOP WEER

Toegegeven, veel Nederhop heeft ook dat soort songteksten, maar inmiddels kent ook Nederlandstalige hip-hop veel kritische, diepere teksten over de maatschappij, zoals racisme, vanuit bepaalde invalshoeken. De interessante raptekst ‘Zo Doe Je Dat’ van Fresku is daarvan een voorbeeld, nummers van Typhoon ook wel, en Rico is tekstueel ook interessant..

Daarnaast heb je de nodige egotripperij, misdaad-verheerlijking en agressieve stoere mannen-taal, zoals je die helaas ook in een deel van de Engelstalige hip-hop hebt. Sommige artiesten hebben ook weer teveel seksistische of seksuele innuendo’s van een matig, flauw niveau in hun lyrics, of praten gewoon onzin. Ik herinner me een matig – zeg maar: slecht – concert van Lange Frans dat ik ooit bijwoonde (Uitmarkt in Amsterdam, meen ik), dat mij om muzikaal/ritmische redenen niet aansprak (ik voelde de flow niet), maar ook wat vervelende en onzinnige pornografische “grappige” teksten had (over “blowjobs”, dacht ik). Onzin dus. Lange Frans is redelijk populair in Nederland.

Er zijn echter ook genoeg andere geluiden en diepere songteksten binnen de Nederhop. Het verschilt per Nederhop-artiest.

Voor Reggae uit Nederland geldt dat dus minder. Des te verwonderlijker omdat er aardig wat “kruisbestuivingen” zijn tussen deze twee zwarte muziekgenres. De “overlap” in fans van beide genres is redelijk groot, hoewel niet vanzelfsprekend. Het zijn toch ook verschillende scènes met deels verschillende code’s (en enkele raakvlakken). Vooral met de opkomst van Gangster Rap boorde hip-hop nieuwe groepen fans aan die je bij reggae wat minder vond.. bij de Dancehall variant van Reggae weliswaar wat meer. Al met al bereikte hip-hop ook wat meer media, en werd eenvoudigweg commerciëler dan reggae. Dus ook meer publiek en fans.

De songteksten van Nederhop hadden ook veel invloed, temeer omdat je daar geen goede kennis van het Engels voor nodig had. Onzinnige en negatieve teksten, die bijvoorbeeld haat of criminaliteit promoten, zijn er zoals gezegd ook in de Nederhop.

Ik ben bang dat vooral jonge, beïnvloedbare pubers zich door Gangster Rap laten beïnvloeden (als ze wat Engels verstaan), of anders door onzinnige Nederlandse teksten. Veel VMBO-dropouts van Marokkaanse afkomst, bijvoorbeeld, zoeken dan een legitimering voor hun cynische keuzes of gedrag in muziek die criminaliteit verheerlijkt, zonder vaak overigens meer kennis van de geschiedenis van zwarten in de VS, de Crips en Bloods etcetera. Het blijft hun keuze en verantwoordelijkheid, maar het doet ze wel naar die muziek luisteren. Overigens ben ik van mening dat veel meer nog dan Gangster Rap gewelddadige Hollywood-films of ook de films van Quentin Tarantino criminaliteit bevorderen. Mensen uit een etnische minderheid associëren zich echter mogelijk sneller met “coole” zwarten in de VS.

Verder, veel reggae-fans houden ook van hip-hop, en ook experimenteren meerdere artiesten met beide. Veel hip hop-liefhebbers zijn zich wel degelijk bewust van een van de wortels van rap in het Jamaicaanse “toasten” sinds de jaren 70. Brainpower maakte daar wat songs over, en ook het album van Rico genaamd Irie heeft heel wat “old-school” reggae-invloeden. In de muziek en verwijzingen in songteksten. Deze rappers bleven echter vooral “rappen” in plaats van “toasten/chatten”. (Er is immers een verschil in hoe in de Jamaicaanse muziek “ritmisch gepraat” wordt over muziek (vroeger Toasting genoemd, nu Deejay-ing of Chatting), en het “rappen” zoals we dat uit de hip-hop uit de VS kennen sinds de jaren 80. Maar dat is een ander, zij het interessant, onderwerp.

Al met al is dat dus een duidelijk verschil: er bestaan weinig Nederlandstalige reggae en veel Nederlandstalige hip-hop. Is dat echt onmisbaar, Nederlandstalige, echtere Reggae? Veel mensen kunnen Engels volgen en daarmee ook de teksten van in Nederland gevestigde artiesten als Ziggi Recado, Joggo, Rapha Pico etcetera. Veel van deze artiesten hebben ook een (familie)band met het Caraïbisch gebied of een deels verwante taal en cultuur aan Jamaica (zoals de Creools Surinaamse), en zingen in het Jamaicaans staat dus dan niet eens zo ver van ze af. Blanke Nederlanders die in het Engels zingen is voorts in andere genres (Rock etc.) even gangbaar en als deze blanken in het Jamaicaans zingen kan dat raar zijn, maar dan volgen ze gewoon een culturele norm.

Mogelijk is er bij veel Nederlandse reggae-fans niet echt behoefte aan specifiek Nederlandstalige reggae.

Aan de andere kant.. ik vind het wel jammer dat mensen, zoals jongeren, die veel beter Nederlands dan Engels verstaan, niet wat meer diepgaande songteksten van reggae-songs horen… over de maatschappij, wat Rastafari voor mensen betekent, racisme, armoede, zwarte geschiedenis, Haile Selassie en Marcus Garvey etcetera.. Hoe plezierig de tekstueel opgeroepen sferen van zonnige feestjes, palmbomen, marijuana, of (nieuwe) liefdesrelaties ook kunnen zijn..

Dit ook als tegenwicht tegen het onzinnige en negatieve deel van de Nederhop songteksten, vaak ook populairder dan de diepgaandere of kritische, zoals vaker voorkomt. Het vervelende van dit soort dingen is soms dat het bevestigen van stereotypen commercieel rendabeler lijkt: het stereotype van de gewelddadige, criminele donkere mensen zoals met Gangster Rap verspreid werd (en later versimpeld). Aan de andere kant het zonnige, Caraïbische, vrolijke en zorgeloze stereotype, zonder teveel diepgang of echte maatschappijkritiek (dus niet nep-maatschappijkritiek zoals van criminelen..die zijn namelijk welbeschouwd deel van het systeem).

zondag 7 november 2010

Je weet toch

Het leek me grappig om een blogbericht “Je weet toch” als titel mee te geven. “Je weet toch” is op een bepaalde vage manier verwijzend, maar ik ga hier wel degelijk de uitdrukking zelf dieper analyseren.

De uitdrukking wordt veel gebruikt in de straat- en jongerentaal en is vermoedelijk onder Surinaams-Nederlandse jongeren ontstaan. Over de oorsprong en geschiedenis van de uitdrukking is mij helaas verder weinig bekend.
Hoe dan ook: de betekenis van “je weet toch” is van een aanstekelijk soort vaagheid, waarvan ik de psychologische appeal wel begrijp. Met de suggestie van een mysterie wek je een illusie, en in een zelfgemaakte illusie is het doorgaans goed toeven. Het is een sociale illusie bovendien, want de ander “weet toch” wat je bedoelt, kent de codes, de levensstijl van de groep. Het sympathieke ervan is dat het ook niet zo uitsluitend is: je gaat in wezen uit van de overeenkomsten tussen mensen, wat we allemaal delen, want de gesprekspartner is “in the know”. Die sociale, insluitende kant maakt het voor mij ook niet irritant of nerveus-makend, zoals andere gevallen van aanwezige maar onduidelijke geheimen.
Ik zie er ook wat meer - en wat positievers - in dan een vermeend gebrek aan uitdrukkingsvaardigheid of wellicht een lager opleidingsniveau. ”Je weet toch” zou in dat laatste geval niets meer zijn dan een gemakkelijke manier voor de spreker om te complex, gerationaliseerd taalgebruik te omzeilen. Dat betwijfel ik, ook omdat het een specifieke woordkeuze betreft: niet “je weet wel” maar “je weet toch”.

Cabaretier Roué Verveer gaf het gebruik onder jongeren hilarisch aandacht in één van zijn voorstellingen. Hij stelde, vermoedelijk quasi-serieus, dat het een excuus voor álles is geworden. Voor het te laat komen, bijvoorbeeld, waar een Surinaams iemand met “je weet toch” weg kan komen bij een andere Surinamer, maar niet bij een Nederlander. Zeer grappig, maar tegelijkertijd nieuwsgierig makend naar de oorsprong ervan.



Over de oorsprong is – naar wat ik vernomen heb althans - helaas weinig geschreven. Sommigen zoeken het in de hip-hop cultuur, waarbij “you know” of “y(ou) know what I’m saying” of “y(ou) know what I mean” veel voorkwamen en -komen in bepaalde hip-hop teksten. Dit zou vertaald zijn naar “je weet toch”, of de variant “je weet zelf” (sommigen associëren deze laatste ‘zelf’ variant met Antillianen en het Rijnmond-gebied).
Ik vond dat ook als verklaring op een website, maar deze kan met de beste wil van de wereld niet wetenschappelijk genoemd worden (zie: http://wiki.retecool.com/index.php/Je_weet_toch).

Het gebruik ervan komt onder bepaalde groepen vaker voor dan onder andere. Jonge stadsbewoners van Surinaamse afkomst liggen voor de hand, met name hen die – zo wil het vooroordeel - niet hoog opgeleid zijn, maar ook andere (met name) jongeren, uit andere etnische groepen, gebruiken het.
Volgens anderen is het uit het Surinaamse Sranan Tongo afkomstig en ook ouder dan hip-hop “you know” teksten, namelijk van “I sabi(e) toch” (letterlijk “je weet toch”).

Mijn talenkennis helpt me “je weet toch” verder te ontleden. Ik ben er niet zo lang geleden achter gekomen dat er een Spaanstalige variant van bestaat, met name in het Caraïbische Spaans (Cuba, Puerto Rico met name): “ya tu sabes” (letterlijk naar Nederlands ”je weet het al”).
“Al” is niet geheel hetzelfde als “toch”, maar er in deze uitdrukking wel zeer sterk in betekenis aan verwant. Het wordt onder meer in reggaeton of salsa nummers gebruikt onder meer in de vage betekenis van “ya’ll know how I do”, zo stelt urbandictionary.com (http://www.urbandictionary.com/define.php?term=ya+tu+sabes)
Een element van opscheppen en bluffen wat in “je weet toch” niet altijd zit, maar soms toch wel. “Ya tu sabes” en “je weet toch” worden eigenlijk grotendeels met dezelfde betekenissen gebruikt.



Ik kwam er ook achter dat er een Jamaicaans Creoolse (of Patois) variant van bestaat: “y(o)u(h) done know”. Voorspelbaar verwarde ik dat met “don’t know”, maar het is afkomstig van het Engelse “done” (gebeurd, gedaan dus), met dus “know”. "You done know" betekent dan “je weet het al”, zoals het Spaanse “ya tu sabes”, en eigenlijk in de praktijk bijna hetzelfde als “je weet toch”.
Het gebruik dat ik van “You done know” ken (in songs en conversaties) lijkt ook zeer sterk op dat van “je weet toch” en “ya tu sabes” (zie hiervoor ook: http://www.urbandictionary.com/define.php?term=ya+done+know.



Interessante vragen: is het echt vertaald, naar al die andere talen, uit hip-hop lingo uit de VS? Vanaf de jaren 80 dus toen hip-hop en rap ontstond. Dan vertegenwoordigt het een recente, internationale invloed vanuit de VS.
Of heeft het gebruik een oudere oorsprong in het Caraïbisch gebied: gezien het voorkomen in zowel het Sranan Tongo, Jamaicaans als ‘t Caraïbische Spaans?
Heeft het wellicht een Afrikaanse oorsprong: zie het zowel voorkomen in Afro-Caraibische als Afro-VS culturen?
Of is het een historisch-linguistische aanpassing aan het leven in een kolonie met slavernij en ongelijkheid: vaagheid als geheimhouding en dus als bescherming?
Of is dat allemaal te ver gezocht?

Interessante vragen. Wie weet krijg ik er ooit een antwoord op..