Posts tonen met het label maatschappij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label maatschappij. Alle posts tonen

donderdag 2 juli 2015

Veelkoppig monster

Racisme kan beschreven worden als een “veelkoppig monster”. Sommige van deze metaforische “koppen” zijn niet goed zichtbaar. Ook denk ik dat racisme goed te beschrijven is als een “onzichtbaar filter”. Dat laatste vooral in deze tijd, waarin er een taboe is gekomen op (openlijk) racisme. Een dergelijk “filter” determineert heimelijk culturele en sociale voorkeuren en hierarchiëen.

ALLEDAAGS RACISME

Beide definities zoals hierboven vatten goed samen zoals Philomena Essed racisme beschreef, zoals in haar “klassieke” werk ‘Alledaags racisme’, uit 1984, alsmede in haar latere werk. Het werk ‘Alledaags racisme’ zie ik als klassiek in meer dan een opzicht. Deels door de inherente kwaliteit: het is op zichzelf leerzaam. Daarnaast is het ook goed die inhoud, alledaags racisme, in de tijd te plaatsen, en in de Nederlandse samenleving. In een context waarin racisme in abstracte, ideologische dan wel theoretische zin werd besproken – vooral ook in “vermijdende” zin – was de nadruk op dagelijkse treiterijtjes en ongemakken geenszins triviaal, maar juist concreet, en daarom relativerend en verklarend. Alledaags is elke dag van je leven, immers. Bij het bezoek aan een winkel, in het openbaar vervoer, bij het uit gaan, maar ook op het werk en in omgang met mensen op hoge plekken. Alles wat je zo kunt doen in het leven.

In ‘Alledaags racisme’ heeft Essed het over verschillende vormen van racisme, zoals “cultureel racisme”, “impliciet racisme”, en “institutioneel racisme” die zich wel op wat abstracter niveau lijken te bevinden. Het cruciale van Essed’s werk is dat het de realiteit weergeeft van hoe dergelijke ideeën in de samenleving – verspreid via media, onderwijs, en opvoeding - in het alledaagse leven vertaald worden als mensen van verschillend ras elkaar ook echt treffen en met elkaar moeten omgaan. Dat laatste deelt ze deels in bij ´´individueel racisme´´. ‘Alledaags racisme’ omvat de ervaring zoals verteld door Nederlanders van Surinaamse of Antilliaanse (eigenlijk Afrikaanse) oorsprong, in hun omgang met “witte” Nederlanders. Op werkplekken, bij het winkelen, uit gaan etcetera. Een hoofdstuk, ook ter vergelijking, gaat over ervaringen van African American, zwarte vrouwen, in de VS.

Ten tijde van verschijning van dit boek (1984) was er al een taboe op openlijk racisme – bij veel Nederlanders – dus veel van deze ervaringen bevatten twijfel bij de vertellers. Ze ervaren racisme en discriminerende handelingen, maar weten het soms zeker – eenvoudigweg minachtende en vernederende opmerkingen met een direct geuite raciale verwijzing maken het zeker - , maar soms is het verhulder in slechte omgangsvormen waarbij racisme “vermoedt” wordt: een botte gedraging en opmerking die wat moeilijk te duiden is.

Juist die erkenning van de multi-interpretabele dagelijkse realiteit van menselijke omgang maakt –wellicht ironisch – dit boek waarachtiger. Zelfs lichte paranoia in het hoofd van mensen is realistisch, want menselijk, en verklaarbaar vanuit een levensloop. Iedereen kan zich vergissen in sommige gevallen of situaties verkeerd verklaren. Men kan zich ook slechts deels vergissen of overdrijven, en in enkele gevallen is alleen de paranoia werkelijk, maar het gaat hier op een diepere verklaring. Veel in Nederland - ook in het dagelijks leven – is immers twijfelachtig en onduidelijk, vooral als er pijnlijke waarheden zijn die liever verhuld worden. Met mensen buiten je eigen sociale kring heb je zogezegd ook “niets te schaften”, en heb je noodgedwongen, oppervlakkig contact. Je praat ook niet te “diep” of “openlijk” over wat je van ze denkt en vermoedt, zoals op basis van hun voorkomen (je vooroordelen dus). Dat bewaar je voor mensen in je eigen kring, mensen geselecteerd op basis van je beschikbare tijd, maar vooral levensstijl, en voorkeuren. Tegelijkertijd is het (openbare) taboe op racisme inmiddels sterk verbreid.

Vandaar dus dat ik racisme – zeker ook in de Nederlandse context van 2015 - beschrijf als “onzichtbaar filter”, maar ook als “veelkoppig monster”.

Interessant aan Essed´s boek uit 1984 is dat zij in het inleidende deel ervan stelt dat de grens tussen “individueel” en “institutioneel” racisme niet in elk geval helder is. Een factor die daarbij een rol speelt is uiteindelijk “macht”. Niet iedereen heeft een sturende een bepalende rol in instituten of bedrijven. Om mensen aan te nemen, promoveren, of ontslaan, bijvoorbeeld, dien je een bepaalde positie te hebben. Dat zou je ook klassenverschil kunnen noemen. Historisch ontstane ongelijkheden in hoge posities bevoordelen – in overwegend blanke landen - de autochtone, blanke bevolking. Het boek van Essed, en andere studies over racisme, wijzen op de kleinere kans om aangenomen te worden voor een baan als de sollicitatiebrief – tegenwoordig vaak “motivatiebrief” genoemd –, dan wel het voorkomen van de sollicitant, op een exotische afkomst wijst. Het zal per sector en organisatie wat kunnen verschillen, maar is nog steeds een groot probleem.

NETWERKEN

Om die reden baart de tendens die zich de laatste jaren afdoet op de Nederlandse arbeidsmarkt mij zorgen. Het draait (nog) meer dan voorheen om contacten en netwerken om een geschikte baan te vinden. Naast een nogal “rechtse” geest die hieruit spreekt – mijn moeder vertelde verhalen over hoge posities in bedrijven die mensen verkregen via connecties in het Spanje onder de Rechtse dictatuur van Franco – is het ook met het zicht op etnische minderheden en migranten discriminerend. “For obvious reasons” hebben veel migranten in Nederland minder familieleden in Nederland die nuttige connecties voor banen kunnen zijn. Die er zijn, zijn vaak gemiddeld lager opgeleid dan veel Nederlandse families. In veel Nederlandse families, zelfs met deels een arbeidersklasse-achtergrond, zitten inmiddels ook veel mensen op een middenklasse-positie, of hebben zich nog hoger opgewerkt (notaris, advocaat, of arts). Contacten/netwerken belangrijker maken, is dan welhaast een cynische, “eigen volk eerst” keuze. Een keuze voor de versterking van het institutioneel racisme.

Ook Essed´s boek uit 1984 wees op bedrijven die bijvoorbeeld geen Surinamers wilden aannemen om de groep werknemers blank te houden, en ook toen speelden contacten vaak impliciet een rol op de arbeidsmarkt, ook in Nederland. Contacten nog belangrijk maken, echter, smoort nog eerder de kans dat gekleurde mensen zomaar ergens komen te werken in een functie die goed aansluit op hun opleiding, en naar hun voorkeuren. Dat is een democratisch recht op sociale mobiliteit dat zo ontnomen wordt. Zo scherp wil ik het wel stellen.

INDIVIDUEEL RACISME

Individueel racisme is deels gelijk te stellen met eigen “vooroordelen” die zich vaak ook onbewust in handelingen vertaalt, ook bij niet-machtige mensen. Het zou wat al te hoopvol zijn om te veronderstellen dat leden van etnische minderheden zich hier niet toe verlagen. Ook donkere mensen, of leden van bepaalde etnische groepen, zullen in gevallen expres vervelend doen tegen iemand die “iets anders” dan hem- of haarzelf oogt: een blanke Nederlander, en/of andere blanken (in bijvoorbeeld Amsterdam lopen bijvoorbeeld ook veel expats of toeristen uit andere Europese landen rond), of andere etnische minderheden, en sluiten deze uit van de “eigen” intieme groep, met name als er genoeg mensen van je eigen groep aanwezig zijn. Groepsdenken is hier wellicht het eigenlijke euvel. Dit kan tot irritaties lijden bij dagelijkse activiteiten, waarbij andere mensen niet echt te vermijden zijn: zoals in het verkeer, op straat, uit gaand, of winkelend. Individueel, alledaags racisme zal door mensen van verschillend ras kunnen geschieden. Vaak ook verhuld via treiterijtjes, of doen alsof mensen in de weg lopen of duwen.

In een drukke, nerveuze stad als Amsterdam merk je dat vaker: je zit dichter op elkaar. Bepaalde culturele aspecten en ontwikkelingen in Nederland – laten we het maar even de Nederlandse of Amsterdamse “volksaard” noemen, ook aanwezig bij niet-blanken – te weten directheid, sarcastische grappen, zeggen wat je denkt, mopperen, of zoals mensen uit een andere cultuur het noemen: “vreemde mensen die me uitschelden”, maken het nog erger. Dit omdat het “goede omgangsvormen” of “beleefdheid” af lijkt te doen als iets van oudere tijden, of frustraties van burgerlijke mannetjes (uit de provincie). Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, door mijn meerdere reizen naar Groot-Brittannië en Frankrijk, en door mijn vele reizen naar en familiebanden in Italië en Spanje, dat beleefdheid en omgangsvormen in het openbaar daar meer in acht worden genomen. Soms komt dat neer op je vooroordelen voor je zelf houden, soms (nog beter) heeft dat met meer ruimte voor interesse in de medemens te maken, maar dat laatste is (vaak) wellicht te rooskleurig. De populariteit van xenofobe politieke partijen als het Front National in delen van Zuid-Frankrijk of Lega Nord in delen van Italië, wijst daar bijvoorbeeld op. Maar goed.., in Nederland heb je de PVV.

“Alledaags racisme” kan hinderlijk zijn, en tot op zekere hoogte traumatisch, ook door willekeurige Nederlanders op straat waarvan je verder niet al te afhankelijk bent voor je levensloop. Verhalen van ervaringen van Afro-Nederlandse vrouwen, en van Afro-Amerikaanse vrouwen (in de VS), in Essed´s boek uit 1984 van dien aard (bij het winkelen etc.), geven aan dat ze het deels weg kunnen relativeren, maar met sommige van dit soort dingen (opmerkingen van mensen in winkels of op straat) toch blijven zitten.

AMBITIE

Als je jezelf professioneel wilt ontwikkelen en het heikele terrein van de “ambitie” betreedt, is naast het individuele racisme ook het institutionele racisme iets om te vrezen. Deze komen weer voort uit “cultureel racisme”. Die laatste betreft de verspreiding van beelden en stereotypen over culturen van etnische groepen. Niet iedereen vindt een donkere huidskleur mooi - en prefereren fysiek het eigen ras -, maar veel racisme heeft ook te maken met wat die huidskleur zogenaamd symboliseert. Cultureel en sociaal dus. Weer het euvel van het groepsdenken: je wordt “representant” van iets anders (minder, irritanters dan je eigen groep) en minder een mens, en het vaak samenhangende euvel van het teveel geloven in je eigen (voor)oordelen. Zwarte Piet is een bekend voorbeeld in de Nederlandse volkscultuur, maar het is veel breder en dieper dan dat. Het is een minachting van Afrika en Afrikaanse mensen die voortkomt uit het koloniaal verleden, deels uit goed praten of om schuldgevoel te verhullen. Daarnaast ook minachting van vrijwel alles buiten Europa.

Columbus was de eerste Europese koloniaal in die zin, en het verhaal wil dat hij, als Genuees, het Spaanse koningshuis, Koning Ferdinand en Koningin Isabella, echt moest overtuigen van zijn reizen en koloniale plannen vanaf 1492 (om financiele redenen, maar ook moreel had Koningin Isabella eerst wat bezwaren verwoord, tegen de onderwerping en slavernij na de "ontdekking" van Amerika), maar de geest stond er wellicht naar, via Europese superioriteitswaan, en toen en daar vooral ook met een religieuze (katholieke) bekeringscomponent.

Helaas waren eerder ook Islamitische beschavingen bij hun verspreiding en religieuze bekeringsdrift minachtend voor andere volkeren: Arabieren discrimineerden niet-Arabische moslims, en nog meer niet-Moslims, die tot slaaf gebracht mochten worden. Dat is op grote schaal gebeurd met – ook miljoenen - zwarte Afrikanen. Net als bij het Europese kolonialisme maskeerde religie echter wel vaak economisch of ander eigenbelang. Veel Afrikaanse vrouwen kwamen als slavinnen in harems van rijke Arabieren of andere rijke Moslims terecht, ook in het Midden-Oosten. Ook in Moors Spanje hadden zwarte slaven en slavinnen Islamitische meesters (Arabieren, Berbers, bekeerde Spanjaarden/Portugezen), en bevonden ze zich ook anderszins helaas aan de onderkant van dat Islamitische rijk in wat nu Spanje en Portugal is.

SLAVERNIJ

Sommige historici stellen dat de vanzelfsprekendheid waarmee Portugezen, Genuezen, Venetianen, en iets later Spanjaarden (en nog later andere Europeanen) zwarte Afrikanen tot slaaf maakten, en deze verhandelden, in oorsprong ook te wijten is aan het beeld van de zwarte Afrikaan als “slaaf” of “knecht” in Moors of Islamitisch Spanje en Portugal (8e tot 15e eeuw). Pijnlijk, en mogelijk deels waar, maar toch wat simplistisch, om dat zo te concluderen. Ook Christenen maakten soms Moslims tot slaaf, en de rollen draaiden zich weleens om. Daarnaast waren er ook vrije zwarten, en ook wel meerdere Moslims met zwart Afrikaans bloed die wat hogere posities in Moslimrijken bekleedden. Bovenal is een praktijk overnemen van een groep die je net verjaagd hebt uit het land (Spanje en Portugal) om het Christelijk te maken, wat tegenstrijdig, hoewel sporen en de nalatenschap van Moors Spanje met name in centrale en zuidelijke delen van Spanje en Portugal wel in meer merkbaar zijn (architectonisch, cultureel, taalkundig, genetisch, en anderszins..).

De slavenhandel en slavernij in Amerikaanse koloniën – die eeuwen duurde – en miljoenen mensen het leven kostten (en nog meer levens verkorten en mensen geforceerd transporteerden), versterkte hoe dan ook het culturele en andere racisme betreffende zwarte mensen. Ook buiten de Europese landen die er het meeste aan deden. Het versterkte ook de Europese, “blanke” superioriteitswaan.

De Zwarte Piet-discussie is nog bezig in Nederland. Er lijkt nu – anno 2015 – wat meer begrip te komen voor de tegenstanders van dit stereotype van zwarte mensen, ook bij Nederlanders. Ook wat betreft ander cultureel racisme lijkt deels winst te zijn behaald. “Lijkt deels” zeg ik nog voorzichtig. Veel vooroordelen en negatieve stereotyperingen over Afrika en zwarte mensen, en over andere culturen of religies leven immers nog voort, en richting sommige groepen zelfs nog meer gegeneraliseerd en versterkt dan voorheen, Moslims met name. Sommige terroristen en moordenaars die zichzelf Moslims noemen deden erg hun best om dat imago zo te krijgen, leek het soms, maar het blijft onterecht voor veel mensen die niet op die manier, maar toevallig wel Moslim zijn, en dan vaak nog als slechts een deel van hun identiteit. Het blijft negatief en loos generaliserend.

ZWARTE MUZIEK EN IDENTIFICATIE

Moslims krijgen wat meer aandacht de laatste tijd, maar dat laat onverlet dat ook beelden over Afrika (sub-Saharaans) en zwarte mensen of Afrikanen nog steeds negatief voortleven in culturen in overwegend blanke landen. Een opvallende ontwikkeling is dat Nederland toch ook een land is waar “zwarte” muziek relatief populair is bij veel blanke mensen, net als in Groot-Brittannië. Zelfs bij mensen die verder weinig zwarte mensen in hun kring hebben. Dit komt door massamedia, internationale muziekcultuur etcetera. Dat kan positieve effecten hebben, maar kan ook ridicule effecten hebben. Ideaal gesproken leren meer blanke Nederlanders hierdoor over hoe de zwarte cultuur en het zwarte leven echt is, door de kunst. Positieve bewustwording via Bob Marley, Stevie Wonder, Marvin Gaye, James Brown, Public Enemy, Kanye West etcetera. Het moeten dan wel mensen zijn die luisteren naar songteksten en deze proberen te begrijpen. Ik heb al jong ondervonden dat niet iedereen “wil” leren in het leven, en velen zijn zelfs kennisvijandig. Een interessant feit noemen wordt dan al snel als wijsneuzerig beschouwd of roept zelfs agressie op. Ook deze mensen kunnen zwarte muziek om bepaalde reden waarderen (want het is cool, het swingt, de sfeer die het oproept, spannend, nieuw), en het zelfs deel van hun identiteit laten worden.

Ook sommige voorstanders van Zwarte Piet luisteren - geloof het niet - vooral zwarte muziek: het komt voor. Nog stuitender en erger: ook iemand als Benito Mussolini, wier invasie van Ethiopië in Italië begeleid werd met extreem racistische, anti-zwarten/Afrikanen propaganda, zou volgens sommige historici privé weleens naar jazz luisteren, hoewel minder dan zijn zoon Romano Mussolini (die, ook ironisch, jazzpianist werd).

Deze erge en minder erge varianten van die tegenstrijdigheid van luisteren naar zwarte muziek en daarnaast racistische, denigrerende denkbeelden over zwarten hebben of uiten, geven aan dat sommige mensen dat kunnen scheiden. Mogelijk speelt het stereotype van de ”van nature” goed dansende en musicerende zwarte hier ook een rol. Daarnaast denk ik ook dat “jaloezie” op een cultuur een rol speelt bij een negatieve benadering op mensen generaliserend verbonden met die cultuur. Jaloezie is een negatieve emotie.

Een andere culturele tendens in de Nederlandse samenleving: toegenomen na Essed´s boek ´Alledaags racisme´ uit 1984 is precies dit fenomeen. Naar verhouding meer witte Nederlanders zijn zwarte muziek gaan luisteren of zoeken andere zwarte cultuurproducten op sinds de 1980s: ook zwarte comedians, films etcetera. Met name meer jongeren. De generatie ervoor pikte uit zwarte cultuur wat bij hen paste, hen uitkwam, en gebruikte dat als bouwsteen van hun identiteit, de huidige generaties ook ongeveer, maar dan met meer invloeden. Merkwaardig om zaken te overnemen van een cultuur van arme, onderdrukte mensen met zelf ontwikkelde cultuuruitingen, als jezelf een comfortabele, welvarende middenklasse-achtergrond hebt, en plezierig in een verschillende omgeving zit waar je fysiek niet opvalt. Merkwaardig, maar in deze tijd van internationaliserende en globaliserende cultuur onvermijdelijk, want menselijk. Het is ook menselijk om nieuwsgierig zijn naar het “andere” of “onbekende”. Het hoeft ook niet per se kwaadaardig of verwerpelijk te zijn, mits je jezelf relativeert, denk ik. Zelfrelativering maakt het ook minder ridicuul, zoals zelfrelativering wel meer euvels verhelpt. Sommige blanke mensen zijn echt gelukkiger geworden in hun leven, en vinden zelfs troost, door contact met zwarte cultuuruitingen, en dat is – welke cynische draai je er ook aan wilt geven – iets moois.

De recente affaire in de VS, waarbij een vrouw, Rachel Dolezal, onterecht door ging voor zwart, en – vanuit die presumptie - zelfs president van een afdeling van de zwarte organisatie NAACP werd, blijkt achteraf jammerlijk, maar toch vooral ridicuul. Die Dolezal had/heeft issues. Zij identificeert zichzelf als zwart, terwijl haar roots van beide ouders in Europa (Duitsland en Tsjechië) liggen, maar ze maakte zichzelf ook fysiek wat donkerder. Dat haar hogere voorzittersfunctie nu niet ging naar iemand die echt zwart was, is wel een beetje schandalig te noemen. Nog erger zou echter zijn als ze een infiltrant zou zijn geweest, die de organisatie wil controleren of bestrijden: een eerdere zwarte organisatie, de UNIA, geleid door Marcus Garvey, werd geplaagd door dergelijke infiltranten, eigenlijk geheim agenten van de FBI, die meeluisterden bij plannen, toespraken etcetera (al hadden deze intriganten/geheim agenten vaak wel zwart bloed). De zwarte Amerikaanse komiek Dave Chappelle gebruikte ook het woord “ridiculous” aangaande die affaire rond Dolezal (zie: http://jezebel.com/dave-chappelle-on-rachel-dolezal-the-worlds-become-rid-1711364895 ).

Die “positieve” mening van blanken over de vermeende zwarte cultuur kan ook een positief effect hebben, maar het hangt van het individu af. Zwarte vrouwen in Essed´s boek klagen over blanke mannen die denken – en in hun gedrag lieten merken - dat zwarte vrouwen seksueel wel makkelijker zullen zijn. Wie weet verdiept kennis van elkaars cultuur een biraciale liefdesrelatie – voorbij de spanning van de seksualiteit - waardoor twee mensen een relatie hebben en niet twee “representanten”. Mensen wier eigen culturele achtergronden hen iets unieks doet hebben (je weet meer van ook andere culturen dan de Nederlandse, en hebt er een band mee), maar nog steeds multi-dimensionale, veelzijdige mensen, met dezelfde complexiteit als eigenlijk ieder mens. Daarnaast is niet ieder lid van een volk ook zo bijzonder als de grote kunstenaars en geesten uit dat volk, maar dat is een open deur intrappen.

Een vehikel voor sociale mobiliteit is onderwijs. De laatste tijd is ook aandacht voor racisme “in schoolboeken” toegenomen. Philomena Essed stelde bij haar toespraak in December 2014, bij de Powered by Diversity conferentie in de Vrije Universiteit, te Amsterdam (die ik overigens bijwoonde), verheugd dat sinds haar boek uit 1984 tot 2015, kennis en bewustzijn over racisme als systematisch fenomeen is toegenomen onder zwarte mensen in Nederland. Aandacht voor racisme in onderwijs en lesstof is daar wellicht een uiting van, alsook de verhevigde Zwarte Piet-discussie, en andere toegenomen maatschappijkritiek.

KETI KOTI

Ik woonde pas de Keti Koti-viering – herdenking afschaffing van slavernij in Nederlandse koloniën - bij van 2015, dit jaar gehouden op het Museumplein. Er waren debatten bij, zoals geleid door Quincy Gario, en deze gingen deels over slavernij: een interessante “slavernij quiz”, maar ook over racisme in de Nederlandse samenleving, en de positie van zwarte mensen in Nederland. Dit jaar kreeg de politiek en de media aandacht, waaronder het beperkte aantal zwarte mensen actief voor de televisie of andere officiële media in Nederland, en andere achterstanden. Dat – slinks en vals – vluchtelingen elders in de stad precies op dezelfde dag, 1 juli op Keti Koti, gearresteerd werden, werd besproken. Je hoeft geen paranoialijder te zijn om dat niet als slechts toeval te zien.

Ook etnische profilering door de politie kreeg aandacht, en ook dat had helaas een actuele reden.

POLITIE

“Profiling” door de politie, al langer erkend in de VS en Groot-Brittannië, krijgt de laatste tijd ook in Nederland meer aandacht. Het gaat om het discrimineren door de politie: eerder, zonder goede reden aanhouden of controleren van mensen uit etnische minderheden. Hardere methoden gebruiken bij het arresteren, is ook aangekaart. Eerder greep de politie fors in, en dreigden arrestanten zelfs te stikken, zoals anti-Zwarte Piet-betogers, door opmerkelijk hard politie-optreden, maar uiteindelijk – kort voordat ik dit schrijf – is er zelfs iemand door een politie-arrestatie overleden. Teveel politiegeweld lijkt dan waarschijnlijk en/of afhandeling, in ieder geval verantwoordelijkheid aan deze dood. Het betrof een Arubaanse man genaamd Mitch Henriquez van 42 jaar oud, die hier op vakantie was, en een muziekoptreden bijwoonde in Den Haag, en – naar men zegt – daar door opvallende gedragingen of kreten hinderlijk was en de aandacht trok van de politie. Het was echter niet iemand die in de criminaliteit zat. In Aruba zelf werd het kort na Henriquez’ dood begrijpelijkerwijs groot nieuws.

Daags na dit tragische feit ontstonden er rellen in Den Haag, en veel mensen vermoeden verhuld racisme als reden voor het te harde optreden van de politie. Weer die onduidelijkheid, zoals ook in Essed’s boek werd genoemd. Wellicht ook het negatieve imago van Antillianen, als relatief vaker betrokken bij bepaalde vormen van criminaliteit.Veel zal nog onderzocht worden. Racisme is in ieder geval mogelijk als motivatie, maar op zijn minst fout optreden..

Een panellid tijdens het debat op Keti Koti dit jaar bekritiseerde het overdreven harde optreden van de politie specifiek tegen demonstranten in Den Haag, na Henriquez’ dood. Ook was er kritiek tegen het feit dat zijn dood niet als belangrijk in het NOS journaal werd gepresenteerd.

WETENSCHAP

Sandew Hira is een van de voortrekkers - in ieder geval een actieve woordvoerder - in de discussie rond het institutioneel racisme in het Nederlands hoger onderwijs, in academische kringen, en op universiteiten. Eerder besprak hij in dat kader de slavernijgeschiedenis, alsook andere racisme-problemen in Nederland. Hira beklaagde eerder, niet geheel ten onrechte, het onder witte professoren gangbare Eurocentrisch, goedpratend perspectief over de slavernij, onder meer historisch door Nederlanders in Suriname en elders. Slavernij wordt gebagatelliseerd, stelde hij, in historische studies van professoren als Piet Emmer, en deels ook andere Caraïbische of slavernij-experts als Gert Oostindie, en feiten verkeerd geïnterpreteerd om de ware aard te verhullen: een misdaad tegen de menselijkheid door Europeanen, voortkomend uit racisme en machtsongelijkheid. Het gesprek in het programma Z.O.Z. met als gasten Sandew Hira, Aspha Bijnaar, en Gert Oostindie, o.l.v. wijlen Anil Ramdas, is zeker het bekijken waard, voor wie het nog niet kent.

Wetenschap, over slavernij of anderszins, aan Nederlandse universiteiten en andere wetenschappelijke instellingen, is daarbij iets internationaals, niet beperkt tot Nederland. Kolonialisme was internationaal, maar ook bij niet per definitie internationale thema´s is de wetenschap internationaal: men houdt uiteraard bij wat in andere landen gebeurt op het vakgebied, ter vergelijking, inspiratie, en ontwikkeling. Kennis van andere talen is derhalve een vereiste op dat niveau, en naast vakbladen zijn er ook internationale uitwisselingen.

Een recente kritiek die Sandew Hira uitte was gericht op een ander aspect dat als deel van institutioneel en cultureel racisme gezien kan worden: de Eurocentrische visie op de klassieke (Grieks/Romeinse) Oudheid binnen de "witte" wetenschap, en hoe deze Europa en zelfs de wereld beschaving zou hebben gebracht. De bijdrage en vergevorderde beschavingen van Egypte, die de Grieken beïnvloedden, wordt hierbij volgens Hira stelselmatig onderschat en ontkend. Hij en anderen pleiten voor een minder Eurocentrisch perspectief op ook deze geschiedenis.

Een andere historische periode, maar de discussie – nu ik dit schrijf net begonnen – heeft qua verloop wat raakvlakken met die eerdergenoemde over de slavernij en historici. Niet inhoudelijk, maar qua type argumenten. Een beetje zoals Oostindie in de genoemde aflevering van Z.O.Z., stellen “witte” wetenschappers dat er niets ontkend of weggelaten wordt, maar dat in dit geval de Egyptische invloed op de Grieken en Romeinen wel degelijk verweven is in hun studies naar de Oudheid. Vernieuwing in academische studies richting een minder Eurocentrisch alternatief (sommigen zeggen “Afrocentrisch” perspectief) achten zij niet nodig.

Enerzijds is de reactie jammerlijk bekrompen, anderzijds ook voorspelbaar. Deze blanke professoren en wetenschappers doen het niet als hobby in hun vrije tijd: hun hele carrière, aanzien/maatschappelijke positie, en identiteit is gebaseerd op hun hoge wetenschappelijke positie op dit specifieke terrein. Het zijn waarlijk machtsposities, hoog binnen instituties. De hele bestaansbasis van hun voorspoedige werkloopbaan, resulterend in hun toppositie, wordt dan in twijfel getrokken als zijnde iets van twijfelachtig en racistisch ideologisch allooi. Voorspelbaar dat ze daar niet aan willen. Ze hebben echter teveel macht om echt slachtoffer te zijn. Voorstellen voor veranderingen zijn ook afgewezen en dan gebeurt er ook niets.

Dat is ook het eigenlijke, onderliggende probleem van institutioneel racisme. Zulke machtsposities worden nog steeds niet of nauwelijks bekleed door donkere mensen of Afro-Nederlanders, zodat andere interpretaties en perspectieven niet eens de ruimte krijgen. Het beste zou zijn als iedereen in de wetenschap objectiviteit nastreeft, maar dat gebeurt (verhuld) niet altijd, en daarnaast is er een grijs gebied in de wetenschap waar objectiviteit en subjectiviteit in elkaar overlopen, via de individuele interpretatie. Als er verschillende perspectieven zouden zijn kom je hierbij tot veel meer waarachtige kennis. Het compenseert elkaar, zogezegd.

Dat er nog steeds geen Black Studies/Zwarte studies departementen/vakgroepen op Nederlandse universiteiten zijn, anders dan in andere landen (Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, VS), is een teken aan de wand. Dat terwijl het demografische percentage van mensen van Afrikaanse afkomst in Nederland vergelijkbaar is met dat van bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk. Ik kwam ook de term Africana studies department tegen, op sommige universiteiten in de VS en Canada: ook een goede term. Daarin kan zowel slavernij, de Afrikaanse diaspora, als het Afrikaanse continent de wetenschappelijke aandacht krijgen die het verdient, vanuit een ander perspectief, namelijk van mensen die er zelf uit voort komen. Objectiviteit en kwaliteit blijft daarbij de norm, maar dat zeggen de genoemde witte wetenschappers ook van zichzelf (deels ten onrechte). Wetenschap wordt dan veelzijdiger, vanuit verschillende perspectieven beschouwd, en dat leidt uiteindelijk weer tot betere, waarachtige over de geschiedenis van alle mensen en rassen op deze wereld, waar we met zijn allen (wit, zwart, Aziatisch e.a.) uit kunnen putten. Dat zou pas echt vooruitgang zijn. Institutioneel racisme, historische achterstand door onderontwikkeling en slavernij, en ook cultureel, impliciet, individueel, of “entitlement” racisme, of nog andere varianten ervan, vormen de obstakels op de weg daar naartoe.

Racisme als “onzichtbaar” filter is de laatste tijd wat zichtbaarder geworden, hoewel verre van geheel te doorzien, zoals alles wat met machtsposities en “taboes” te maken heeft. Je komt er nog steeds regelmatig te laat achter. Een “veelkoppig monster” – aanwezig op hoge en lage plekken, en alledaags en niet-alledaags – is het nog steeds. Dat “monster” is wellicht veranderd, of wellicht zien we sommige “koppen” nu pas, of zijn sommige koppen krachtiger geworden, maar het is er nog steeds..

dinsdag 2 december 2014

IDFA, Podemos, en (nogmaals) Zwarte Piet

Het voordeel van een internationale oriëntatie is dat het je meer vergelijkingsmateriaal biedt, en je horizon verbreedt. Toegegeven: talenkennis is hierbij vaak ook belangrijk. Met beheersing van het Engels kom je al een heel eind in deze geglobaliseerde wereld, maar ik spreek en versta ook goed Spaans, bijvoorbeeld.

Ik was laatst (november 2014) naar een aantal films gegaan in het kader van het IDFA: International Documentary Festival Amsterdam. In Amsterdam dus. Het was zo internationaal dat Engelstalige films, die ik zag, niet eens ondertiteld werden naar het Nederlands, en dat de Q & A na afloop ook als vanzelfsprekend in het Engels was. Ik beheers Engels goed, dus dat was op zich geen punt.

Spaans beheers ik ook goed genoeg om complexer nieuws te kunnen volgen. Ik vind dat goed om bij te houden (voor de taal), en daarnaast volg ik de ontwikkelingen in het land Spanje ook wel, vooral ook omdat ik half-Spaans ben (van mijn moeders kant).

PODEMOS

Gedurende de maand november van 2014 dat het IDFA in Amsterdam was, begon ik mij toevallig ook te verdiepen in een nieuwe Spaanse politieke partij die opkwam, genaamd ‘Podemos’, wat Spaans is voor “we kunnen (het)”. De woordvoerder ervan is de jonge Pablo Iglesias Turrión, een Madrileen die voorheen hoogleraar was aan de Complutense universiteit in Madrid, en aardig wat academische titels heeft. Interessant genoeg zijn deze titels in redelijk verschillende discipline’s, zowel politiek als de kunsten, bijvoorbeeld. Los daarvan, positioneert hij zich politiek aan de linkerkant.

De partij Podemos, waarvan Iglesias ook mede-oprichter was, heeft zeker wat aanhang gekregen in Spanje, en ook Pablo Iglesias, die als welbespraakt en charismatisch bekend staat, is bij veel mensen populair. Het is natuurlijk geen toeval dat de nieuwe partij op komt terwijl Spanje meer dan de meeste andere EU-landen last heeft van een economische crisis, en van armoede en werkeloosheid.

Recente cijfers wijzen erop dat thans ruim 20% van de Spaanse bevolking onder de armoedegrens leeft. Dit is veel voor Europese begrippen, en bijna twee keer zoveel als in Nederland (rond de 11%). Over de hoge jeugdwerkeloosheid in Spanje (meer dan 50%) is ook al vaker bericht. Recente algemene (jeugd en niet-jeugd dus) werkeloosheidscijfers van Spanje liggen al sinds 2013 boven de 25%, terwijl die in Nederland thans rond de 8% ligt. Dat (als deze cijfers kloppen) de armoede verhoudingsgewijs in Nederland ongeveer de helft van die in Spanje is, maar de werkeloosheid minder dan een derde, roept ook wat vragen op (meer “working poor”? of meer alleenstaanden?), maar het voert te ver om daarop nu in te gaan.

Hoe dan ook, op deze problemen in Spanje zal de nieuwe politieke partij Podemos een antwoord willen bieden. Ook bij sommige familieleden van mij was Pablo Iglesias populair. Me verdiept hebbend in de persoon, en hem opgezocht hebbende op YouTube – zijn speeches, zijn tv-optredens en deelnames aan debatten - , denk ik dat ik dat wel kan begrijpen. Hij heeft lange haren in een staart, draagt vaak “hippe” armbanden en vlotte kleren, en komt al met al wat jeugdiger en hipper over dan de oudere, vaak “grijze” politici in pakken die ook in Spanje de politiek domineren. Los van dit uiterlijk en imago kan hij – vind ik – ook goed praten. Hij brengt de boodschap goed over en lijkt analytisch en inhoudelijk goed onderlegd. Ook lijkt hij de werkelijke noden van Spanje goed te kennen. Iglesias is verder trouwens ook lid van het Europees parlement.

In de video hieronder een recente speech van hem (Engelse ondertitels op te roepen, via 2e button rechts-onderin):

Hij is jonger dan ik. Dit deed mij me een beetje oud voelen, eerlijk gezegd. Dat is vaker wanneer invloedrijke politici jonger dan of van dezelfde leeftijd als jezelf blijken. Sommigen hadden dat bij het concluderen dat Barack Obama dezelfde middelbare leeftijd als hen had, zoals Stephan Sanders eens schreef in zijn column in de Vrij Nederland. Pablo Iglesias is zelfs vier jaar jonger dan ik, nu dus ongeveer 36 jaar oud. Hij had een jonger broertje van me kunnen zijn.

Hij lijkt me een intelligente, welbespraakte jongeman, met standpunten waar ik het grotendeels wel mee eens ben, denk ik. Denk ik, want ik woon in Nederland, maar het grootste deel van mijn familie in Spanje is van de arbeidersklasse en zijn vaak teleurgesteld in de grote partijen. Ze herkennen de problemen van machtselites in Spanje (vaak met nog connecties teruggaand tot de Franco-dictatuur),en de sociale en economische problemen en ongelijkheid in Spanje, die Iglesias ook benoemt en wil aanpakken.

De tijd zal uiteraard leren of hij een positieve verandering teweeg zal brengen, maar voor de rest van dit bericht – dat ook internationaler dan alleen Spanje zal worden - wil ik vooral focussen op een interessante uitspraak van hem tijdens een speech die hij hield in Mérida, een stad in de regio Extremadura in West-Spanje. Mijn moeder is overigens ook geboren in de regio Extremadura (provincie Badajoz). Linkse organisaties hadden hem daar, samen met anderen, uitgenodigd voor een bijeenkomst. Ze hebben het leuk gemaakt, want ook een flamenco-muziekgroep uit het naburige Andalusië trad op.

Zijn speech aldaar is op YouTube te vinden en was uiteraard in het Spaans, wat ik dus gewoon kon volgen. Hij zei, vrij vertaald: “Patriottisme is niet alleen iets van “rood en geel” dragen (van de Spaanse vlag, bedoelt hij), of het nationale team met voetbal steunen, maar zorgen dat alle burgers in je land goed en menswaardig kunnen leven”. Daarmee vermoedelijk ook doelend op politici die enigszins populistisch steun aan dat voetbalteam gaven of de kleuren van de vlag droegen.

De huidige regerende partij in Spanje is de centrum-rechtse Partido Popular, en om een complex van historische maar ook deels onnavolgbare redenen heeft in de Spaanse politieke cultuur Spaans (nationaal) nationalisme een “rechts” imago. Regionalisme (Catalaans, Baskisch of anders) of regionaal separatisme heeft daarentegen een “links” imago. Hoewel “zelfbestuur” iets links lijkt te hebben, is dat eigenlijk weinig zinnig. Vooral als men bedenkt dat Vlaams nationalisme of Noord-Italiaans separatisme/regionalisme (Lega Nord) toch vooral rechts is. Dat Catalonië economisch een van de welvarendste delen van Spanje is (evenals Spaans Baskenland) doet doorredenerend twijfelen aan het werkelijk linkse karakter van gewenste afscheiding van Spanje, zoals een deel van de Catalanen lijkt te willen. Is het in de kern niet meer dan welvaart voor je zelf houden, om armere landsdelen niet te hoeven financieren? Maar dat terzijde..

Interessant uitgangspunt in ieder geval: echt patriottisme uit zich in goed zorgen voor de (alle!) burgers van je land. Welvaarts- en welzijnsverschillen verkleinen, met andere woorden. Het zal vermoedelijk wel eerder door ook anderen dan Pablo Iglesias zijn gezegd, vooral door linkse politici, uit en met betrekking tot andere landen. Hoe dan ook is het vanuit dat perspectief ook interessant naar andere landen te kijken, zoals Nederland, dat ik uit ervaring het beste ken. Ik ken de debatten die hier spelen, zoals de Zwarte Piet discussie, over asielzoekers, minderheden, moslims, homo’s en andere thema’s als de zorg, de welvaartsstaat etcetera.

IDFA

Ik ga eerst nog naar een ander land. Eén van de documentaires die ik zag op het IDFA heette: ‘Beats of the Antonov’ (2014) en ging over het land Soedan, in Afrika. De filmmaker - Hajooj Kuka - heeft ook een Soedanese achtergrond. Voor deze documentaire naar Amsterdam kwam had deze documentaire al een prijs gewonnen op een vergelijkbaar documentaire film festival in Canada (Toronto). Het thema van deze documentaire was dat het land Soedan vanuit de politiek een Arabische nationale identiteit propageert – lees: opdringt – en daardoor de meer Afrikaanse culturen en identiteit in delen van het land onderdrukt, zelfs met oorlogsgeweld. Dit gebeurt nog steeds.

Een brute onderdrukking en oorlogssituatie die sommigen deed vluchten naar het aangrenzende “nieuwe” land Zuid-Soedan. Zuid-Soedan is vooral Christelijk en animistisch, maar onder de vluchtelingen waren ook Soedanezen die nominaal Islamitisch waren, maar dit blijkbaar naar de smaak van Soedaneze machthebbers teveel combineerden met eigen, Afrikaanse culturele praktijken. In ieder geval (op zijn zachtst gezegd) een land dus dat “niet goed voor alle eigen burgers zorgt”. Dit vanuit een identiteit die, zoals wel vaker, een deels illusoire keuze is. Ook de zichzelf “Arabieren” noemende en Arabisch sprekende Noord-Soedanezen, inclusief de aan diverse oorlogsmisdaden en massamoorden (Darfur!) schuldige president Omar al-Bashir (zie hier op Wikipedia), zijn puur raciaal voor een groot deel een mengvolk van Arabieren met zwarte Afrikanen. Die zwarte Afrikaanse kant wordt zoveel mogelijk ontkend. Dit wellicht vanwege geloofsfanatisme, en een eenzijdige identificatie van de Islam met Arabieren. Islam = goed, Arabieren brachten de Islam = ook goed. Het andere is slechter. Dat is min of meer de redenering. Dat er Soedanezen zijn die hun eigen interpretatie van de Islam weten te combineren met een eigen Afrikaanse cultuur en erfenis, vaak via een mystieke “Soefi” achtige benadering (er zijn parallellen met het Maraboutisme in Senegambia, Guinee en andere delen van Afrika) is blijkbaar niet goed genoeg voor deze “Arabische” Soedanezen. Dat is dus het conflict.

Dat de dominantie van een Arabische Islam in Afrikaanse landen parallellen vertoont met het Europese kolonialisme, was mij al langer bekend. Het is niet bij iedereen bekend dat het bijvoorbeeld in Egypte bij veel mensen gangbaar was om de Arabische afkomst te benadrukken, en te ontkennen van (deels) zwart Afrikaanse afkomst te zijn, ook als je dat laatste bij iemand een beetje aan zijn trekken (wat donkerder huid, kroeshaar e.a.) kon zien, of bij iemand met “Nubische” trekken. De Arabieren brachten immers de heilige Islam. Zoals in door Europese landen gekoloniseerde landen ook wel gebeurde: de elite in de Dominicaanse Republiek minachtte lang de Afrikaanse kant van de nationale identiteit (de meeste Dominicanen mengen Europees/Spaans en Afrikaans bloed), of zoals in Britse kolonies je zo min mogelijk Afrikaans moest zijn en zo Brits mogelijk (raciaal en/of cultureel) om iets te kunnen bereiken. In de Britse Caraïben, maar ook in landen als Ghana of Nigeria was dat deels zo. Hetzelfde gold in Franse kolonies.

TAAL, NATIE, EN RAS

Dit loochenstraft tegelijkertijd een stelling van de (Baskisch) Spaanse filosoof Miguel de Unamuno. Een stelling die ik al lang ken, maar waar ik altijd een beetje twijfels bij had: “de taal is het ras”. Ik had twijfels, maar nu weet ik zeker dat ik het er niet mee eens ben, mede door de voorbeelden die ik hierboven aandroeg. Deze andere Miguel (ik: zo noemen ze me wel eens in Spanje..vertaling van Michel) zegt: “het ras is NIET de taal”. Wel kan taal een machtsmiddel zijn, ook ter vorming van een identiteit. Die is echter vaak illusoir. Dat Unamuno, van wie ik andere uitspraken wel zinnig vond, dit zei verbaast me ook. Het zou bijvoorbeeld betekenen dat alle Italianen, maar ook Spanjaarden, Fransen, Portugezen, Roemenen etcetera, van de Romeinen afstammen. Zowel historisch als genetisch is het allang aangetoond dat dit nauwelijks waar is: in Italië zelf mengden de Romeinen zich al met daar aanwezige volkeren, maar in een land als Spanje waren de Romeinen nog veel meer slechts een van de vele volkeren die aan het genetisch materiaal hebben bijgedragen. In Frankrijk worden de (Keltische) Galliërs als voorouders gezien, maar ook dat is slechts gedeeltelijk waar.

Het ras is ook niet de taal, als men denkt aan het kolonialisme. Neem de “Francophonie”: de meeste formeel Franstalige mensen, deel van deze francophonie, in deze wereld, leven in Afrika, waar Frankrijk veel kolonies had. Daarna volgt getalsmatig pas Frankrijk zelf en oostelijk Canada. Tegelijkertijd zijn veel zwarte mensen (van Afrikaanse afkomst dus) in deze wereld Engelstalig, en veel Spaanstalige mensen in Latijns Amerika van gemengde en soms zelfs geheel niet-blanke afkomst. Etcetera etcetera.

De film over Soedan op het IDFA ging over een raciale/culturele identiteit die een staat wilde opleggen aan de burgers. Nationale politici houden zich ook bezig met de staat, maar in een heleboel opzichten denken mensen toch graag in termen van de begrensde staat. Het land, de staat waar men vandaan komt wordt dan de kern van de identiteit. Daar zijn wel meer parallellen met de “taal”, hoewel dat ook niet altijd samen valt. Taal is wel een belangrijk symbool voor de eigen nationale identiteit – en voor delen die zich willen afscheiden (denk aan sommige Catalanen, Vlaanderen, of separatisme dat ook in Franstalig Canada bestaat), maar kan wel degelijk andere verschillen verhullen binnen de bevolking. Veel van die onderdrukte Soedanezen spraken net als die onderdrukkende machthebbers Arabisch. Zwarten in de VS spraken en spreken gewoon Engels, en zo zijn er wel meer voorbeelden te geven.

ZWART ALS ROET

Een andere film/documentaire die op het IDFA draaide (en 1 december 2014, jongstleden dus, ook op de Nederlandse televisie kwam) is van Sunny Bergman, en heette ‘Zwart als roet’ (2014). Het is in zijn geheel op Internet te bekijken, zoals hier, dan wel hier, of via 'uitzending gemist'. Het ging over de Zwarte Piet-discussie die nu enkele jaren wat prominenter in Nederland gevoerd wordt. Ik heb daar in een eerder blogbericht al mijn mening over gegeven. Inhoudelijk heb ik daar niet zoveel aan toe te voegen. Ik heb nog steeds dezelfde kritiek op het fenomeen Zwarte Piet, en ben in die zin (net als anderen) in grote lijnen een medestander van Bergman, die dit ook bekritiseert met deze documentaire.

Interessant is soms ook om tussen de regels te lezen. Uitgedost als zwarte pieten gingen de filmmakers naar Londen om te kijken hoe dat in Groot-Brittannië zou vallen. Aanwezige Britten in een park wezen erop dat dat in Engeland niet geaccepteerd werd. Goed, maar toch even die nationale trots binnengesmokkeld, dacht ik ergens ook. Ook niet-Engelsen hebben bezwaren tegen racisme, dacht ik toen. Sterker nog: onder Engelsen zijn er ook racisten: niet minder dan andere landen, dacht ik zo, mogelijk wat verhulder. Maar misschien zeiden ze dat alleen omdat Bergman er bij uitlegde dat deze “Black Face” deel was van een kinderfeest in Nederland.

Bergman’s documentaire wees er in ieder geval goed op hoe het “witte privilege” werkt in Nederland. Niet alles was nieuw voor me. Dat de omroepen, ook de “vrijzinnige” VPRO, voornamelijk blanke bestuurders en medewerkers heeft, bracht Bergman goed aan het licht, maar wist ik ergens ook wel (ik noem dat ook in dat eerdere essay van mijzelf). Andere gesprekken in de documentaire vond ik zeker inzichtelijk en interessant.

Het lijkt me ook boeiend om vanuit een ander perspectief naar deze documentaire te kijken, namelijk vanuit de stelling die ik eerder aanhaalde, in directe zin aan de nieuwe Spaanse politicus Pablo Iglesias ontleend: “echt patriottisme houdt in: goed zorgen voor mensen in je land”. Ook het genoemde “opgelegde nationale identiteit” perspectief (uit de documentaire over Soedan) is in dezen interessant.

SINTERKLAAS

Het kinderfeest Sinterklaas symboliseert voor veel Nederlandse mensen de eigen Nederlandse identiteit. Die indruk wordt in ieder geval gewekt. Dat snap ik een beetje, maar niet helemaal. Ik snap dat de kinderjaren vormend zijn voor een eigen identiteit, wellicht ook een connectie met je land via je ouders en je familie. Dat kan ook als je ouder bent en op eigen benen staat extra gewicht krijgen, als je terugkijkt en je positie bepaalt. Ik vind het alleen een wat beperkte visie op nationale identiteit. Er zal vast meer zijn waar Nederland trots op kan zijn: een land goed organiseren en welvarend houden, om maar iets te noemen. In zekere zin is het ook een ongelukkige keuze, want de figuur Zwarte Piet is niet alleen een karikatuur van zwarte mensen en in die zin racistisch in historische zin, maar ook in de hedendaagse praktijk: het stimuleert racisme nu, en het uitschelden of pesten van zwarte mensen (jong en oud) via het flauwe scheldwoord “zwarte piet”.

Nu is de Nederlandse cultuur naar verhouding hoe dan ook wat “sarcastisch”, naar mijn ervaring – vergeleken met andere culturen die ik ken (Nederlanders zelf prefereren zichzelf als “direct” te zien, maar ik zie dat anders) – maar mogelijk is dat het probleem juist. Nederland herken je als sarcastische cultuur vooral als niet-Nederlander, als “buitenstaander”. Dan gaan ze je makkelijker beledigen, simpel gezegd; je hoort er immers niet echt bij. Dat treft zwarte mensen die toch door veel (niet alle) Nederlanders als “mindere Nederlanders”worden gezien, ook als zijn ze in Nederland geboren uit ouders uit een voormalig Nederlandse kolonie. Ook in de behandeling van andere etnische minderheden (Marokkanen,Turken, Chinezen e.a.), of zelfs ten opzichte van een licht-verdwaalde toerist in Amsterdam tonen veel Nederlanders dikwijls hun meest sarcastische kant. Vaak alleen op uiterlijk gebaseerd. Dat wil zeggen: zogenaamde “grappen” die eigenlijk vooral beledigingen of zelfs vernederingen zijn, en je verbaal uitsluiten. Alledaagse pesterijtjes hebben eenzelfde functie. Andere (nonverbale) manieren om vooroordelen of etnische voorkeuren te uiten zijn specifiek/gericht negeren of oogcontactvermijding (puur op uiterlijk of vooroordelen gericht: ik heb het niet over het begrijpelijke negeren van een junkie die je coke probeert te verkopen, of iemand die van je wil profiteren), en ook die "uitsluitende communicatie" passen veel Nederlanders in het openbaar verkeer wel toe. Okee.. allemaal minder erg dan bommen gooien op woongebieden zoals al-Bashir in Soedan doet bij Afro-culturele Soedanezen, maar ergens toch in de kern voort komend uit een vergelijkbaar sentiment.

Patriottisme is goed voor de mensen in je land zorgen, maar wat als niet geldt “de taal = het ras” (zoals Unamuno stelde), maar “het land = het ras”. De verharde Zwarte Piet-discussie in Nederland, en vooral wat het reflecteert over het bredere en diepere racisme in Nederland, wijst erop dat een deel van de Nederlanders dat vindt: “het ras is het land”. Wie daarbuiten valt kan dan hoogstens een “tweederangsburger” in dit land zijn. Of “anders oprotten”, zoals ook weleens direct wordt gescholden tegen anti-Zwarte Piet-betogers.

OVEREENKOMSTEN IN RACISME

Mijn indruk is dat het racisme in Nederland veel raakvlakken heeft met dat in Groot-Brittannië. Beide landen hebben een “linksig” en democratisch, multicultureel nationaal imago gecreëerd, dat voor een groot deel meer imago is dan werkelijkheid. Er is een flinke dosis hypocrisie hieromtrent, alsmede “verhulling” bij een deel van de bevolking in beide landen. In beide landen zijn – misschien ironisch – “zwarte” cultuuruitingen relatief populair, ook bij een deel van de blanke autochtonen, die er zelfs dingen van overnemen. Er zijn in beide landen relatief veel raciaal gemengde relaties. Door dit alles wordt verhuld dat zwarte mensen ook in die landen relatief vaker geconfronteerd worden met discriminatie, sociaal-economische achterstelling , en met vooroordelen en stereotypen. Ook heeft Groot-Brittannië zelf ook flink wat, wat Russell Brand in de documentaire van Sunny Bergman noemde, “colonial hangovers”. De Britse premier Cameron heeft onder zijn voorouders eigenaren van Afrikaanse slaven in het Caraïbisch gebied, net als veel andere elitaire Britse (en Nederlandse) families. De Black Face of Minstrel traditie is dan wat eerder dan in Nederland verlaten en in de ban gedaan, andere problemen zijn er nog steeds. Hetzelfde geldt voor andere Europese landen, maar Bergman vergeleek in haar documentaire Nederland voor een deel met Engeland.

Een deel van de Nederlanders (en van de Britten) is ook echt multicultureel en open-minded, maar dat deel van de bevolking is kleiner of minder invloedrijk dan velen denken (of willen doen geloven). De Zwarte Piet discussie maakte dat ook deels duidelijker.

VERANDERING?

Echt “patriottisch” trots zijn op je eigen, zogenaamd multiculturele, tolerante land, kan wellicht beginnen met echt multicultureel en tolerant te zijn. Rekening houden met minderheden omtrent raciale stereotypen, al dan niet gepropageerd via een nationaal feest voor kinderen (kinderen die de vorm van het feest zelf niet zoveel interesseren), zou daarbij een goede eerste stap zijn .

Culturele en internationale verschillen die niet kwetsend zijn verrijken je wereld en referentiekader, zoals ik in het begin ook zei. Nederland heeft iets eigens en interessants, zoals elk land. Mijn ouders kwamen uit Italië (vader) en Spanje (moeder) en kwamen hier in de jaren 60; zij begrepen ook niet alles van de Nederlandse cultuur, of maakten er grappen over (andere feesten, afspraken voor bezoek, zuinigheid, het eten… de bekende beelden, die soms te generaliserend waren). Aan de andere kant waardeerden ze ook aspecten in de Nederlandse cultuur die ze in hun landen misten. Mijn moeder verliet het door de rechtse dictator Franco geregeerde Spanje, en ervoer in Nederland de aanwezigheid van iets als “arbeidersrechten” als een verademing. Ook de landelijk goede organisatie, het regelmatige onderhoud, en de financiële degelijkheid vonden ze in Nederland relatief beter. Toegegeven, niet echt “spannende” dingen om als Nederlander trots op te zijn (“ik ben cool want ik ben financieel degelijk”, hoor je weinig), maar ook waardeerden ze in Nederland – net als veel andere mensen van buitenlandse afkomst - de naar verhouding democratische samenleving, de relatief kleine sociaal-economische verschillen, formele participatiemogelijkheden, de uitgebreide ruimte voor educatie, de internationale gerichtheid en talenkennis, én.. de ruimte voor culturele variatie. Dat alles is wel degelijk iets om trots op te zijn als Nederland.

Een oude traditie met racistische stereotypen als Sinterklaas kan ofwel aangepast worden, of eventueel vervangen worden. Daarnaast: misschien is de echt Nederlandse folklore van de “klompendans” – of zijn andere Nederlandse tradities - wel cooler dan veel mensen denken, en kunnen dergelijke organisch ontstane, oude Nederlandse tradities afgestoft en wellicht bijgeschaafd worden en van ouders op kind worden overgebracht. Zoals je in een land als Cuba vaak ook van jongs af aan de salsa leert dansen, Ierse volksdansers hun vaardigheden ook vaak aan hun kinderen leren, en mensen in Spanje die met flamenco dansen bezig zijn dat vaak ook aan hun kinderen door geven.

In deze en veel andere landen in de wereld bestaan immers ook eigen, lokale dansen, culturele tradities, of desnoods carnaval-achtige festiviteiten, die soms iets van een eigen nationale culturele identiteit uitdrukken, en tegelijkertijd de band met je familie of (nationale/regionale) historische voorouders bevestigen. Zonder dat andere bevolkingsgroepen in het land daarvoor per se gekwetst, vernederd, of buitengesloten hoeven te worden. Een kwestie van keuze en instelling..

Ik eindig dan ook met de zin waarmee ik dit essay ook begon:

Het voordeel van een internationale oriëntatie is dat het je meer vergelijkingsmateriaal biedt, en je horizon verbreedt.

maandag 4 november 2013

Schijn

Het is al een tijd in het nieuws: een internationale economische crisis, deels voortkomend uit een financiële crisis, houdt meerdere landen in een soort paniek. De politiek verspreid het idee ervan, mede om gewenst beleid doorgang te doen vinden. Veel burgers gaan daarin mee.

Dit is al aan de gang sinds ongeveer 2005: begonnen in de VS, onder het presidentschap van George W. Bush. Toen werden onrealistische hypothecaire leningen verstrekt, die vele gezinnen in de VS in de schuld staken, en deze waren een belangrijke bron van de start van deze crisis. Dit werd vanaf 2005 – tot ook op het moment dat ik dit schrijf – een terugkerend thema en referentiekader en, in de praktijk, ook vaak een excuus, op macro- en microniveau. In de VS, en vroeg erna Europa, Azië, en de rest van de wereld.

Welbeschouwd is deze “crisis” discussie echter een schijndiscussie. De oorzaken en kenmerken ervan zullen wel aantoonbaar zijn, en sommige analyses, of delen ervan, zullen ook best correct zijn. Ik bedoel schijndiscussie echter in bredere en “diepere” zin. Zoals het voetbal een “schijnbeweging” kent, die afleidt van de eigenlijke beweging, zo leidt een schijndiscussie af van waar het eigenlijk over moet gaan, wat echt van belang is voor mensen.

De economische crisis is een crisis van de economie op grote schaal. Een crisis van het huidige, megalomane, Westerse economische systeem, met gevestigde machten en belangen. Gevestigde belangen die onder controle staan van een minderheid in de wereld. Zij bepalen dat het een crisis is: het is sowieso hún speeltje. Een speeltje waarvan wel veel mensen in de wereld – een meerderheid – afhankelijk zijn gemaakt. “Als mensen weten dat je afhankelijk van ze bent, dan maken ze misbruik van je”, zei mijn moeder eens tegen me.

Even interessant is de observatie die ik pas hoorde op een Rastafari-bijeenkomst, in Amsterdam: een dia-voorstelling over een landbouwproject in Ethiopië. Er werd toen gezegd: “de wereld is gekidnapt” - in economische zin - door Babylon. De Rasta-term “Babylon” is deels vertaalbaar met “’t Westerse systeem” (hoewel breder bedoeld). De wereld met mensen – en hun eigen economische initiatieven – wordt dus gekidnapt door grotere economische krachten (Babylon), uit op eigenbelang. Die willen dat je afhankelijk van hun bent, en blijft. Op dezelfde bijeenkomst werd treffend gezegd: “als je niet voor jezelf werkt, leef je andermans (en niet je eigen) droom”.

SCHAAL

Een belangrijk begrip hierbij is “schaal”. De grote schaal waarop de economie zich begeeft. Een grotendeels zelfvoorzienend dorpje met enkele boerderijen en wat land, dat handelt met omliggende gebieden, heeft niet die macht in deze wereld zoals de financiële markten in de VS, Europa, en Japan, en grote multinationals uit vooral die landen. Deze hebben de macht om hele economieën te sturen – wereldwijd -, het onderwijssysteem te beïnvloeden, het soort (geestdodende) werk voor de massa te verspreiden, en de politiek aan zich te verbinden. Ook hebben ze internationaal invloed op welvaartsverschillen (deze veelal vergrotend), en de natuur, inclusief negatieve gevolgen voor het milieu. Door die grote schaal zijn die negatieve invloeden ook massaal van omvang. Het probleem is dus de grote schaal van het Westerse systeem of, dit omvattend, “Babylon”.

Er zijn veel voorstanders in de wereld van dit Westerse systeem, veel mensen die ertegen zijn, en een nog grotere groep die eigenlijk geen van beide kanten heeft gekozen, maar er niet over na denken, omdat ze moeten overleven. Geld verdienen om te eten en voor het gezin te zorgen. Dan maar een saai lopende band-baantje bij die grote Amerikaanse, Britse, of Japanse fabriek. Geestdodend werk en zeker niet je persoonlijke kwaliteiten aansprekend, maar hé: je krijgt een maandelijks loon. Het voedsel wordt ook steeds minder natuurlijk en gemanipuleerd..maar goed: dat is wat er nu eenmaal te krijgen is omdat het massaal, goedkoop beschikbaar wordt gemaakt. En toch ook leuk en interessant al die technologie, speeltjes, nieuwe plastic dingen, verschillende typen auto’s, merkschoenen, en smaken. Misschien vinden mensen het ook leuk om zo deel uit te maken van iets groters, in dit geval de moderniteit.

DE MENSELIJKE MAAT

De interessante vraag nu, in mijn beleving, is in hoeverre die egocentrische economie van de grote schaal echt aan menselijke behoeften beantwoordt. Het is voorbij de menselijke maat: je weet niet wat je eet, waar het vandaan komt, of hoe het gemaakt is. Het komt ergens hogers vandaan en je slikt het maar. Daar is toch een onbalans. Een vervreemding, kun je zeggen. Ook de manipulatie en onnatuurlijke verwerking van producten die oorspronkelijk uit de natuur komen, kunnen nooit goed zijn voor het menselijk lichaam. Kan het menselijk lichaam onnatuurlijke dingen wel aan: onnatuurlijk verwerkt voedsel, luchtvervuiling? Nee, zou je zeggen. Dat lijkt ook logisch.

Evenzeer is het werk dat van veel mensen wereldwijd verlangd – eigenlijk vaak geëist – wordt, deel van een productieproces dat ook niet goed te overzien is. Beleidsprocessen in bedrijven en organisaties waar men werkt zijn ook zelden goed te overzien, en mede daardoor ondemocratisch. Men draait mee in een bedrijf, en op veel werkplekken, proberen sommigen de iets leukere, iets minder geestdodende (iets hogere) functies weg te kapen voor hun collega’s, waardoor een negatieve sfeer ontstaat van naar beneden trappen en naar boven likken. Bij de verdeeldheid van mensen aan de onderkant hebben mensen hoger in de hierarchie uiteraard belang.

De vervreemding kan geleidelijk zo toenemen en normaliseren dat mensen hun persoonlijke identiteit verbinden aan een bedrijf waar ze werken. Vooral als hen in zo’n bedrijf een hogere, invloedrijkere, of uitdagender positie gegund is - of tijdelijk lijkt - dan wordt het bedrijf deel van hun identiteit. Ook omdat er zoveel tijd van iemands leven aan besteed moet worden.

Ook deze gevolgen van dat systeem zijn bij veel mensen eigenlijk min of meer bekend. Het bewustzijn is her en der aanwezig, zelfs op dergelijke werkplekken. Zelfs bij hen die meedoen met het systeem: ze weten ervan om ervan te kunnen profiteren.

‘Gewenning aan de afhankelijkheid’ staat hier echter een rebels bewustzijn in de weg. Het bewustzijn is er vaak wel - al dan niet latent – maar daar worden geen rebelse, radicale conclusies aan verbonden. Te ingrijpend, te onzeker. Het komt voor veel mensen inmiddels neer op: alles opgeven wat je kent. Je weet wat je verliest maar niet wat je wint…dat type argumenten. Nogmaals: gewenning aan de afhankelijkheid. De schijnbare rust en zekerheid van de status-quo en van het burgerdom..

ERNST FRIEDRICH SCHUMACHER

Kritiek op dit economische, onmenselijke systeem is er dus ook, en was er al langer. In de jaren 70 waren er alternatieve denkers die anders naar de economie gingen kijken, zochten naar een menselijkere economie, meer in balans met de natuur. Ernst Friedrich Schumacher, geboren in Duitsland, later naar Engeland verhuist, schreef zijn essay-achtig boek ‘Small Is Beautiful’ in 1973 vanuit deze gedachte, en dit boek werd toen een bestseller. Een inspirator voor de “groene” sociale en politieke beweging (tot op de dag van vandaag!), alsmede andere werken van Schumacher. Schumacher streefde – kort gezegd - naar een kleinere, menselijke schaal voor de economie.

Interessant vind ik na te gaan welke argumenten hij daarvoor aan draagt. De kracht van zijn argumentatie.

Ik heb pas een boek van Schumacher gelezen, in het Nederlands vertaald als ‘Hoe kleiner, hoe beter’, wat destijds (1979) wat later verscheen dan ‘Small Is Beautiful’ (postuum: twee jaar na Schumacher’s overlijden in 1977), maar Schumacher behandelt erin hetzelfde thema en draagt erin dezelfde boodschap uit als in zijn eerdere werken: de wenselijkheid van een andere, kleinschalige economie. Het boek is een verzameling teksten en toespraken van Schumacher, die econoom was, gegeven op universiteiten en elders. Ik kreeg er een goed beeld door van Schumacher’s ideeën dienaangaande. En van zijn argumentatie.

HOE KLEINER, HOE BETER

Mij spreekt aan dat Schumacher ook aandacht geeft aan de dagelijkse werkdag van een gemiddeld persoon. Zijn pleidooi voor een kleinere schaal heeft zeker ook een milieu-component, maar “de menselijke geest” is er ook één. Mensen willen volgens hem echt zinvol werk, echt hun persoonlijke talenten kunnen ontplooien: aan iets werken dat bij hen past en waarbij men overziet wat tot stand komt. Waar men meer invloed heeft en echt meetelt. Dit alles verplaatsen naar de schaarse vrije tijd vindt Schumacher, terecht naar mijn idee, immoreel en absurd. Het komt erop neer dat de meeste mensen in de wereld een groot deel van hun tijd - voor sommigen de helft van hun “wakkere” tijd, voor de rest zelfs de meerderheid van die tijd - doen alsof ze robots zijn, en dan echte menselijke ontplooiing of vervulling voor de resterende, vermoeide tijd bewaren. Terecht klaagt Schumacher deze merkwaardige status-quo aan.

Daarnaast analyseert hij vind ik op goede wijze de oorzaken van dat grootschalige systeem, maar meer nog hoe dat in stand gehouden wordt. De historisch koloniale oorsprong van een grootschalige export-economie in ontwikkelingslanden (en eigenlijk wereldwijd) lijkt mij van belang om te beseffen.

Dit sluit verder aan bij het citaat wat ik eerder aanhaalde over deel zijn van andermans (en niet iemands eigen) droom. Sommigen denken hun “eigen droom” een beetje binnen dat grotere systeem “afgesnoept” te hebben – al was het soms ten koste van anderen -, maar dat blijft beperkt en marginaal. Dit “afsnoepen” kan verschillende vormen aannemen: carrière maken – hogerop komen - in een of ander bedrijf, ondernemen en dingen verkopen/bieden die mensen meestal niet eens echt willen, of de criminaliteit, parasiterend op dit systeem, en er dus deel van. Helder beschouwd “verdwaald” overlevingsgedrag, als antwoord op vervreemding.

Schumacher beschrijft verder ook in praktische termen hoe hij die kleinere schaal via een verband van kleine netwerken ook echt in praktijk trachtte te brengen. Dit was onder meer gericht op het maken en leveren van “intermediaire technologie” aan ontwikkelingslanden, en onderontwikkelde gebieden, die de gevorderde, modernste technologie gewoon niet konden betalen. Deze intermediaire technologie werkte echter wel in arme gebieden. Ook dit praktische en technische voorbeeld wist Schumacher inspirerend genoeg over te brengen, als reële mogelijkheid.

Schumacher lijkt nog enigszins gematigd, omdat hij niet pleit voor in een keer een radicale omverwerping van het systeem, maar geleidelijk een alternatieve weg er vandaan wil creëren, eerst met behulp van dat systeem. Dat kan evenwel ook vanuit strategische overwegingen zijn.

Toch pleit Schumacher - uiteindelijk - voor een Derde Weg van kleinschaligheid, niet het grootschalige kapitalisme, en evenmin de even grootschalige planeconomie van het communisme.

Interessant en boeiend opgeschreven, dit werk met de visie van Schumacher. Historisch ook wel leerzaam: echo’s van dit denken hoor ik bijvoorbeeld tegenwoordig terug komen bij een politieke partij als GroenLinks in Nederland, of bij de Duitse Grünen, soms ook met dezelfde terminologie als die Schumacher gebruikte.

Helemaal origineel en nieuw was het echter niet, ook niet in de vroege jaren 70 toen Schumacher zijn boeken begon te publiceren.

Het was niet “nieuw” in de zin dat - toen nog iets meer dan nu – veel mensen in delen van de wereld nog in een kleinschalige economie leefden, zonder doorontwikkeld te zijn naar die grote schaal. De menselijke maat en biologische landbouw waren er van oudsher nog in wat afgelegen, niet-centrale gebieden, hoewel steeds meer aangetast. Meer aangetast, want neokolonialisme, economische globalisering en multinationals rukten op.

Schumacher bouwde deels voort op bestaande - oude, beproefde - ideeën (hij gaf dit ook toe), maar wel aangepast aan de huidige tijd.

RASTAFARI

Zijn ideeën waren echter ook niet nieuw, omdat dezelfde kritiek al langer geuit werd, onder meer als deel van de Rastafari-beweging. De Rastafari-beweging ontstond in de jaren 30 van de 20ste eeuw op Jamaica, en internationaliseerde later, mede door de muziek. Inhoudelijk is het in feite een Afro-centrische Black Power-beweging. Al vroeg ontstond er evenwel onder de eerste Rastafari-groepen een focus op een kleinschalige economie, zelfvoorzienendheid, biologische landbouw, en natuurlijk eten. Al van de 1940s is dat gedocumenteerd op Jamaica: Rasta-gemeenschappen, zelfvoorzienend, in rurale delen. Dit was als antwoord op, of ontwijking van, het aanwezige onderdrukkende systeem (“Babylon”). Dus vóór Schumacher, en – belangrijk – ook als bewust antwoord op/tegenwicht tegen het systeem. Rasta’s waren hiermee dus ook eerder dan sommige hippies (ik bedoel hier die hippies die het om meer dan LSD en seks ging, en die in alternatieve, zelfvoorzienende commune’s gingen leven).

Interessant genoeg komen ook ideeën over het mensbeeld van Schumacher deels overeen met ideeën van Rastafari-aanhangers. In het laatste deel van ‘Hoe kleiner, hoe beter’ ontvouwt Schumacher zijn mensbeeld, dat in zijn geval evangelisch/Christelijk geïnspireerd is (hij beschouwt zichzelf als katholiek), maar breder is getrokken. Hij was ook beïnvloed door het boeddhisme, overigens. Hij ziet de mens als wezens met een goddelijke functie in deze wereld, als goddelijke wezens. Zonen en dochters van God, zegt hij letterlijk. Deze komen volgens hem het beste tot hun recht door zinvol werk, echte controle over het eigen leven, en zelfvoorziening (dus niet als robots). Ook dit zeiden de Rasta’s al eerder - tenminste iets van dezelfde strekking -, namelijk de bij de meeste Rasta’s heersende visie dat het goddelijke in de mens zit (niet apart, in de hemel of zo), wat een duidelijk emancipatoir gevolg heeft: je geeft daarmee zelf richting aan je leven.
Dat goddelijke zit in iedereen dus zorgt daarnaast ook voor connectie en gelijkheid.

Of Schumacher door deze ideeën geïnspireerd is (de Rastafari-beweging was in de jaren 70 ook al wat bekender in Engeland) is echter moeilijk te achterhalen. Het kan toeval zijn.

TERUG NAAR DE CRISIS

De economische crisis sinds 2005 leidde in de Westerse landen niet tot de tegenreactie in de vorm van massale aanhang voor een andere, “kleinschalige” economie. In Duitsland groeide de Grünen als politieke partij wel qua aanhang de laatste tijd, maar die pleiten ook niet voor een radicale omverwerping. In Nederland verkleinde GroenLinks als partij zelfs na de laatste verkiezingen. De meeste politieke leiders zochten manieren om diezelfde economie te behouden en te versterken, en veel burgers leken en lijken daarin mee te gaan.

Er bestaan overigens complottheorieën (van het soort dat nog geloofwaardig lijkt ook) dat die hele economische crisis een verzinsel is van de “powers that be” om hun gewenste “verharding” en “verscherping” – maar uiteindelijk versterking – van dat economische systeem te kunnen bewerkstelligen. De macht dus nog iets meer vergroten van de hogere en bezittende klassen ten opzichte van de massa armeren en van de lagere klassen. Laten zien wie de baas is: afgedwongen bezuinigingen voor sommige landen doen dan ook denken aan het zonder eten naar bed sturen van kinderen, wat sommige ouders als disciplinaire maatregel gebruiken.

NATIONALISME

Er is al langer een reactie op globalisering, de grote schaal – versterkt door de crisis - maar die is toch vooral kritisch over de grote schaal van de politiek. Denk aan de kritiek in Nederland en elders dat steeds meer dingen voor Nederland in Brussel, in EU-verband, beslist worden, de ridicule scepsis – want toch meedoen – in Groot-Brittannië ten opzichte van diezelfde EU, en meer algemeen de kritiek op de EU van (rechtse) nationalistische, populistische politieke partijen in Europa.

In dat licht is een artikel wat ik pas in ’t weekblad De Groene Amsterdammer las wel interessant. Het stond in De Groene van 5 september 2013 en was getiteld ‘Wel grommen, niet bijten : de opkomst van progressief nationalisme’, geschreven door Daniel Boomsma en Thijs Kleinpaste. Het behandelt de opkomst van een “nieuw” nationalisme in Europa, dat positiever zou zijn dan het oude nationalisme, besmet door het nazisme, fascisme, racisme, en massamoord, en dat nu, anno 2013, slechts een soort welbegrepen eigenbelang is geworden, om solidariteit en loyaliteit op nationale schaal overzichtelijker te houden. Als tegenwicht voor globalisering dus.

Als men in dit nieuwe Europese nationalisme ook iets van een menselijke zoektocht naar een kleinere schaal ziet, dan vergist men zich. In datzelfde artikel wordt immers een citaat van de Franse historicus en filosoof Ernest Renan aangehaald, die in zijn lezing ‘Wat is een natie?’, uit 1888, de natie en het bijbehorende nationale bewustzijn doopte tot “solidariteit op heel grote schaal” (letterlijk citaat). Zo begon eigenlijk het grootschalige systeem dus. Dat werd later versterkt, globaler, door het reeds genoemde kolonialisme.

Daarvoor had je stadstaten, en andere geografische eenheden, die zich dan weer samenvoegden tot grotere politieke eenheden. Zo zijn verschillende huidige landen in Europa ontstaan. Al deze politieke eenheden – zelfs bij kleinere landjes – hadden uiteindelijk weinig met de menselijke maat van doen. Er was ook in zulke staatjes duidelijk machtsongelijkheid met een politiek-economische elite die anderen de wil kon opleggen, ook economisch.

Het beschreven type nationalisme in het huidige Europa fungeert als schijnoplossing, als wederom een afleiding van het eigenlijke probleem.

In het artikel in De Groene Amsterdammer wordt terecht ook op de economische grondslag van nationalistische bewegingen gewezen. Vaak wordt nationalisme gepresenteerd als een rebels opkomen voor een eigen culturele identiteit, een eigen volkswil, bruut onderdrukt door een centrale macht. Het Noord-Italiaanse Lega Nord ageert tegen geldafdracht naar de rest van Italië, waaronder het armere zuiden. Beperkte solidariteit, zullen we maar zeggen. Ook het nationalisme in de Spaanse deelstaten Catalonië en Baskenland is grotendeels economisch: deze regio’s behoren tot de welvarendste van Spanje. Catalonië is – zoals het genoemde artikel ook stelt – “netto-betaler aan de rest van het Spaanse koninkrijk, net als de Vlamingen en de inwoners van de Po-delta in respectievelijk België en Italië”. Apelleren aan culturele eigenheid is daarbij deels ook een excuus – vrijwel alle regio’s in die landen hebben een culturele eigenheid - : het is egocentrisch nationalisme.

Het is eigenlijk rijkdom voor jezelf houden in een politiek kader. Hetzelfde egoïsme dat de grootschalige economie uiteindelijk historisch vorm gaf, met alle interne ongelijkheden erbij. Het is als carrière maken in een bedrijf (na “ellebogenwerk” ten koste van anderen), en dat bedrijf dan zelf niet beter maken, maar alleen om zelf comfortabeler te zijn. Dat dit nationalisme vaak mensen “van buiten” uitsluit en tot racisme vervalt (denk aan onder meer Vlaams Belang, en de Lega Nord) hoeft daarbij niet te verbazen. Het gaat immers niet om mensen maar om “belangen”, in een naar mengsel met culturele superioriteitswaan en blut und boden-denken. Dergelijk denken is ook in Nederland breder aanwezig dan sommigen willen geloven, ben ik bang. Ook hier is de menselijke maat zoek, want mensen worden geabstraheerd tot mensen die er wel of niet bij horen, die wel of niet in het grotere plaatje passen.

Een schijnoplossing is dit nationalisme dus, en tegenwoordig ook ingezet als antwoord op de schijndiscussie rond de economische crisis..

zaterdag 1 december 2012

Zwarte Piet

Je zou kunnen zeggen dat de discussie elke keer weer oplaait, maar dan heb je het wel over een bepaald perspectief. Vanuit het perspectief van blanke Nederlanders laait die discussie “weer elke keer” op. Negatiever: “dat gezeur weer” of “herhaling van zetten”. Ik heb het over de Zwarte Piet-discussie. Zwarte Nederlanders, van Surinaamse en andere afkomst, blijven bezwaar maken tegen de rol van Zwarte Piet als knecht van Sinterklaas bij het grote, jaarlijkse kinderfeest van 5 december. De stereotiepe, koloniale rol en even stereotiepe nabootsing van zwarte mensen lijken mij echter moeilijk te relativeren.

In zijn column in de Vrij Nederland van de week van 17 november 2012 relativeert (de zelf gekleurde) Stephan Sanders het op de enig mogelijke zinnige manier: namelijk historisch. Hij wijst op een historisch verloop. De Surinaamse accenten, kroeshaar, en andere verwijzingen naar reëel bestaande zwarte mensen waren niet deel van het oorspronkelijke feest maar ontstonden alzo sinds de jaren 70 en 80 (van de 20e eeuw). Oorspronkelijk werd een vage verwijzing naar verre, exotische “Moren” uitgebeeld, enigszins in verband staand met Spanje waar Sinterklaas vandaan zou komen (hoewel eigenlijk Turkije).

MOREN?

Moren waren vooral Noord-Afrikanen, dus, dacht men, zwarte, exotische mensen. Nog steeds waren deze mensen “knechten” van de blanke Sinterklaas, dus een deel van de stereotiepe, koloniale rol was er toen dus ook al: ook zonder nagebootst Surinaams accent. Los daarvan neemt de mythe het hier over van de feitelijke historische realiteit.

De Moren, Moslims die eeuwen lang grote delen van het huidige Spanje overheersten, waren ietwat gevarieerder dan sommigen vermoeden. Hoe mooi de gedachte ook is dat zwarte Afrikanen Middeleeuwse Europeanen beschaving leerden in dit inderdaad relatief ontwikkelde rijk, klopt het helaas maar ten dele. Althans volgens de meeste historische bronnen. Er was een hierarchie: bovenaan in het Moorse Rijk stonden de Arabieren, daaronder – in een middenpositie – bevond zich een grote groep Noord-Afrikanen, veelal Berbers, soms gemengd met Arabieren of zwarte Afrikanen en later “autochtone” Spanjaarden. Daaronder waren er de slaven, die helaas vaak zwarte Afrikanen waren. Helaas gold ook in Moors Spanje, net als in het latere Europese kolonialisme: hoe blanker hoe machtiger en hoger.

Daarbuiten was er een repressieve tolerantie voor andersgelovigen, maar nog steeds “Abrahamistisch” of “van het boek”. Joden (Spanje kende toen naar Europese begrippen relatief veel Joden) en Christenen. Flink wat van deze Christenen (autochtone Spanjaarden) bekeerden zich in de loop der tijd tot de Islam.

Er was wel aardig wat flexibiliteit binnen deze hierarchie. Het was niet onmogelijk voor een Berber, of een (deels) zwarte Afrikaan om hoger in de hierarchie te komen binnen rijken of deelrijken. Daar zijn meerdere voorbeelden van. Hetzelfde gold voor Spanjaarden en Joden. Er waren soms zelfs incidenteel invloedrijke Joden en Christenen die niet bekeerd waren. Het kwam voor dat geboren (Christelijke) Galiciërs, Noord-Castilianen, of Basken Islamitisch werden en leiding kregen over Moorse deelrijken in Zuid-Spanje met een gemengde bevolking. De tolerantie voor Joden in Moors Spanje is weleens overdreven en wisselde per rijk en vorst/leider. Er waren, naast perioden van vreedzame coexistentie (zij het met discriminerende wetgeving), wel degelijk ook pogrom-achtige acties tegen Joden - door Moslims - in Islamitisch Spanje geweest.

In het licht van dit alles is het wat simplistisch en deels incorrect om de Moren als zwarte mensen af te schilderen.

Historisch incorrect, maar goed: het is een theatraal, carnavalesk en folkloristisch kinderfeest, dus dat hoef je niet zo nauw te nemen, zou je kunnen zeggen. Ze bedoelden gewoon donkere “exotische typen”. Theater en folklore zijn echter weerslagen van de realiteit: het staat er niet los van. Een eventuele speelse draai (zoals in carnaval-tradities) kan er in latere instantie aan gegeven worden: ná een correcte weergave van de realiteit. Eerst de realiteit dán de draai: niet de draai in plaats van de realiteit. Een denkfout die naar mijn idee wel vaker wordt gemaakt.

Dat is rationeel gesteld één van de problemen van het Sinterklaas-feest: Moren waren niet echt (of slechts deels) “zwart” (hoewel donkerder dan de gemiddelde Europeaan), en Sinterklaas was niet Spaans. Maar deze geschiedkundige incorrectheden vormen uiteraard verre van het enige probleem omtrent het fenomeen Zwarte Piet.

Ik ben het regelmatig eens met wat Stephan Sanders in zijn columns en essays stelt, met name als hij hypocrisie, paternalisme en zelf-felicitatie bloot legt bij (schijn-) linkse mensen. Toch vind ik in de eerdergenoemde column van 17 november iets waar ik het mee oneens was, namelijk zijn wijzen op de “onschuld” van het feest voordat de eerste zwart geschminkte witte Nederlanders (vermoedelijk in de jaren 70 van de 20e eeuw) Creools-Surinaamse accenten gingen imiteren. Ook vóór dat imiteren was er echter een duidelijke koloniale, raciaal stereotiepe rolverdeling.

Een kritiek van Sanders luidt dat zwarte tegenstanders, zoals Quinsy Gario - die de Zwarte Piet Is Racisme-actie leidt -, Zwarte Piet te letterlijk nemen (ondanks dat Sanders de hardhandige arrestatie - zie hieronder - van Quinsy Gario in Dordrecht voor diens anti-Zwarte Piet demonstratie betreurde als ondemocratisch). Dit snijdt geen hout, want niet-letterlijk nemen lijkt mij moeilijk omdat Zwarte Piet kroeshaar heeft, in de meeste gevallen met een Surinaams accent praat, en doorgaans ook via schmink extra grote lippen krijgt.

Wel klopt denk ik Sanders’ analyse dat de connectie met reëel in Nederland bestaande zwarte mensen – met name Creoolse Surinamers - pas later, vanaf de 1970s, gemaakt werd.

In de Vrij Nederland van 24 november 2012, de week na deze column dus, schreef Stephan Sanders zijn column wederom over Sinterklaas en Zwarte Piet. De pre-Sinterklaas-periode was immers begonnen (al eind november dus). Dit maal geen relativeringen, maar een goede neutraal lijkende beschouwing van de essentie van het feest. Ook wijst hij op hoe het in de toekomst dan zou kunnen. Sanders stelt dat áls Zwarte Piet racisme is, dat dan de tegenstanders, zoals Quinsy Gario, moeten ijveren voor het wettelijk verbieden van Zwarte Piet. Daar zit in de kern wat in. Het feest kan dan een andere vorm krijgen.

(Toevallig zat ikzelf niet ver achter Quinsy Gario in oktober van 2011, zoals te zien op de foto hieronder. Deze foto is genomen in bioscoop Ketelhuis in Amsterdam, tijdens het Africa In The Picture festival. Quinsy droeg toen ook een Zwarte Piet Is Racisme t-shirt. Dit was een maand voor de eerdergenoemde arrestatie in Dordrecht (in november, 2011).

BELEDIGEND EN HYPOCRIET

Het fenomeen Zwarte Piet is, welbeschouwd, racistisch, beledigend, en ook nog eens hypocriet.

Racistisch/beledigend omdat Zwarte Piet een knecht is van een witte man (zogenaamd een “bisschop” of zelfs “goedheiligman” ook nog), wat een ongevoelige verwijzing is naar de slavernij. Zwarte Piet wordt ook vaak als dom uitgebeeld. Dom en angstwekkend: kinderen die “stout” zijn worden volgens de verhalen meegenomen in een zak naar Spanje door deze Zwarte Piet.

Stel je een voornamelijk blank dorpje in Nederland voor: waarschijnlijk de eerste verwijzingen naar “zwarte” mensen die kinderen er vernemen: een dom, raar bewegend, geforceerd pratend, maar ook eng en gevaarlijk, straffend iemand. Ik neem aan dat de lezers van mijn blog intelligent genoeg zijn om in te zien waarom dat racistisch en mogelijk schadelijk is. Voor het geval de connectie met die enkele Surinaamse mensen in dat dorp nog niet is gelegd, praten de Zwarte Pieten ook nog eens met een Surinaams accent. Mochten er Antilianen of Afrikanen in het dorp wonen in plaats van Surinamers dan kan het accent aangepast worden. Dat is wel eens gebeurd, heb ik begrepen. En dan verbaasd zijn als kinderen in zo’n plaats donkere mensen, al dan niet plagerig, “zwarte piet” gaan noemen.

De verwijzing naar de slavernij heeft een connectie met Spanje. Daarmee – en dat is wellicht iets minder evident – is er denk ik ook sprake van hypocrisie van de kant van Nederlanders.

Inderdaad had Spanje een koloniaal verleden dat hardvochtig en bloedig, onderdrukkend was. Sinds de Genueze Italiaan Columbus in Spaanse dienst Amerika “ontdekte” gingen de Spaanse veroveraars ruig en moordend te werk in de Amerika’s. Gebieden raakten zelfs deels ontvolkt van de oorspronkelijke Amerindianen. Deels onbewust door meegenomen ziekten, maar voor een flink deel ook door hardvochtig beleid en overwerken. De Spanjaarden voerden daarna Afrikaanse slaven in.

Het Sinterklaas-feest als speelse, folkloristische verwijzing naar die geschiedenis (en niet alleen naar Moors Spanje dus)? Nee. Ook dat is niet goed te praten. Simpelweg vanwege het feit dat Nederland zelf ook Afrikaanse slaven invoerde (onder meer in Suriname, Guyana, Brazilië, en de Nederlandse Antillen), en deze te werk stelden onder onmenselijke omstandigheden in de Amerika’s. Dit geschiedde zonder hulp van Spanje: dit was zelfs een concurrerende natie toen. Sterker nog: Nederland was destijds een drijvende kracht achter de modernisering en intensivering van het op slavernij gebaseerde plantage-systeem en de overgang ervan van Brazilië naar het Caraïbisch gebied.

BLACKFACE

Het fenomeen Zwarte Piet heeft een nauwelijks te vermijden connotatie met wat in de Verenigde Staten Blackface of the Minstrel traditie wordt genoemd: het karikaturaal en stereotiep afbeelden van zwarte mensen: inclusief karikaturen van accent, (vermeende) cultuur, en gedragingen. Dat was historisch niet alleen te vinden in de Verenigde Staten, maar ook in andere landen met een slavernijverleden zoals Cuba en elders in Latijns Amerika.

Interessant is om die Blackface traditie nader te beschouwen. In welke historische context ontstond het? Waarom zo? Door wie?

Het boek ‘Blackface Cuba, 1840-1895’ (2005), door Jill Lane, is wat dat betreft leerzaam. Karikaturen van Afro-Cubanen werden gangbaar in Cubaans theater, in wat Teatro Bufo werd genoemd. Net als in de Minstrel traditie in de Verenigde Staten werd het accent nagebootst, hadden als zwarten uitgebeelde acteurs domme gedragingen die soms kinderlijk “ondeugend” waren.

Opvallend genoeg kreeg deze Teatro Bufo juist een impuls ná 1840, toen de onafhankelijkheidsstrijd in Cuba tegen de Spaanse overheersers begon. Blanke Cubanen wilden wel van die Spaanse koloniale macht af, maar wilden ook de raciale hierachie in stand houden: men wilde de voormalige slaven, de Afro-Cubanen, geen illusies geven dat ze echt gelijkwaardige partners in zo’n komende, onafhankelijke natie zouden worden. Derhalve werden Afro-Cubanen als kinderlijk en dom – minder dan menselijk - uitgebeeld. Ook al zijn die Spanjaarden weg: de blanken blijven de baas: dat je dat maar weet.

Een vergelijkbaar verhuld politiek motief was er te vinden in de Minstrel/Blackface traditie in de Verenigde Staten, ook na de afschaffing van de slavernij aldaar. En overigens niet alleen in de zuidelijke staten (“Dixie”). Zwarten werden verbeeld, waarbij ze als dom en infantiel, en dus afhankelijk werden gepresenteerd. Net als in Cuba om de angst te bezweren dat ze echt gelijke rechten en mogelijkheden zouden krijgen.

Ik zag pas een zeer interessante film op YouTube, geregisseerd door Spike Lee, bekend om zijn kritische weergave van de rassenverhoudingen in de VS. De film heet Bamboozled (volledig op: http://youtu.be/KhnsaMLtQM8), en komt uit 2000. Het was een interessante - en wat merkwaardige – satirische film. Hier en daar was het ook “over the top” zou je kunnen zeggen. Hoe dan ook kan ik het aanraden aan mensen die het nog niet hebben gezien.

Een zwarte televisiemaker met een middenklasse-identificatie werkt bij een tv-station, maar kan zijn ideëen voor programma’s moeilijk slijten bij de top in het bedrijf. Te middenklasse en Cosby Show-achtig luidt het verwijt ongeveer: te weinig rauw en “echt zwart”, krijgt hij van zijn baas te horen, die ridicuul genoeg zelf blank is. Zijn reactie op deze koers van zijn baas is wat merkwaardig maar wel symbolisch. Daarin zit het “over the top” van de film ook, en het feit dat Spike Lee maatschappelijke kritiek deels vermengt met absurde humor.

Iedereen kan de film zelf zien, maar het komt hierop neer: de stereotiepe, oude Minstrel traditie wordt door deze zwarte televisiemaker van stal gehaald en alle stereotiepe rollen uit het verleden in het kwadraat bevestigd: Aunt Jemima-kleding, simpele, onverantwoordelijke en kinderlijke zwarte mensen, een band met de naam ‘Alabama Porch Monkeys’. Domme, racistische karikaturen dus. Dat is blijkbaar wat ze willen.

Kort en goed: deze show wordt wel een groot succes en zelfs een trend. Ik kan niet voor Spike Lee spreken, maar ik vermoed dat één van de boodschappen die hij met Bamboozled wilde uitdragen was dat zwarte mensen niet als volwaardig en gelijkwaardig worden gezien door in ieder geval de media (en de maatschappij), en afhankelijk blijven van blanke, stereotiepe oordelen.

PARALLEL?

Ik wil geen parallel trekken met Zwarte Piet. Alhoewel, ik wil dat eigenlijk wel. Dat de Zwarte Piet-discussie als vervelend wordt ervaren door “gewone” blanke Nederlanders wijst op onbegrip of gebrek aan kennis onder deze groep. Het bewuste negeren ervan door blanke Nederlanders met meer macht dan die “gewone” Nederlanders is echter nog erger.

Het betekent dat men in Nederland niet klaar is voor de gelijkwaardigheid van zwarte mensen in Nederland. Die horen hier óf niet te zijn, óf afhankelijk te zijn van “ons”, blanke Nederlanders. Als (verhulde) tweederangsburgers. Dat is wat de Zwarte Piet-traditie uitdraagt. Vooral het stevig vasthouden eraan.

Maak ik het wellicht te zwaar? Blaas ik een wellicht verwijtbare maar marginale folkloristische traditie teveel op? Dat kan zijn, ware het niet dat ik het toch symptomatisch acht voor de schijn-tolerantie ten opzichte van “de exotische ander” in de Nederlandse samenleving. Hoewel er veel mogelijkheden zijn voor zwarte mensen in Nederland, en op papier (grotendeels) gelijke rechten, zijn er toch nare, terugkerende signalen.

Ik kan het boek en de film 'Alleen Maar Nette Mensen' noemen, waarop naar mijn inzicht terechte kritiek gegeven is op de (soms ronduit racistische) stereotiepen over Surinaamse vrouwen (en mannen) in Amsterdam-Zuidoost, maar die kritiek wordt op dezelfde manier afgedaan als de Zwarte Piet-discussie (“dat gezeur weer”, het is maar een film/fictie). Het gebrek aan een goed articulerende, middenklasse, en (“cultureel Nederlands”:) nuchter en rustig pratende “woordvoerder” - a la Henk Krol of Ronnie Naftaniel - om kritiek op de film te geven, was er daarbij niet. Of werd niet (genoeg) aan het woord gelaten in de media.

Dat laatste is niet al te verwonderlijk wanneer men beseft dat in de Nederlandse media “niet-westerse allochtonen” nogal ondervertegenwoordigd zijn. Ulbe Bosma geeft aan in zijn artikel ‘Why Is There No Postcolonial Debate In The Netherlands?’, verschenen in de bundel ‘Post-colonial immigrants and identity formations in the Netherlands’ (Amsterdam University Press, 2012), dat halverwege de jaren 90 van de 20ste eeuw van de werknemers de Nederlandse media zo’n 1% van de werknemers in de media “niet-Westers allochtoon” was tegenover 10% van de gehele bevolking. (Wat betreft universiteiten, en de hogere regionen in het bedrijfsleven en politiek, had Bosma geen cijfers voor handen, maar vermoedt eenzelfde ondervertegenwoordiging). Bosma wijst op enkele successen van het multiculturele beleid in Nederland sinds de jaren 80, zoals wat betreft politieke participatie en burgerschap. Hij stelt echter ook:

but in terms of allowing cultural diversity into how the nation presents and perceives itself, the performance of the Netherlands is rather bleak”…

Folklore, kinderfeest, cultuur/film, media.. maar ook de wetenschap. Het wetenschappelijk instituut ‘t NINSEE (Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden En Erfenis) was ooit in 2002 begonnen door zwarte Nederlanders om het Nederlandse slavernijverleden vanuit een ander, zwart perspectief meer aandacht te geven. Terecht, kun je betogen, en zelfs als men dat niet vindt blijft het een democratisch recht. Het NINSEE is kort geleden (augustus 2012) alweer opgeheven, of grotendeels ontmandeld. Dit nadat de rijksoverheid - vanaf het begin een opmerkelijk intimiderend blok aan het been van dit instituut - de subsidie introk. Het zou zogenaamd niets toevoegen aan bestaande wetenschap over slavernij en had zogenaamd niet het vereiste niveau. Het NINSEE heeft een kort en liefdeloos leven gehad. Zo pijnlijk is het.

Het vasthouden aan de Zwarte Piet traditie is derhalve symptomatisch voor een breder probleem in de Nederlandse samenleving: namelijk dat zwarte mensen - nog steeds - niets te zeggen hebben in Nederland, zelfs niet als ze zelf het onderwerp zijn. Ik kan dat geen volwaardig burgerschap noemen..

zondag 4 september 2011

Anil Badal

‘Badal’ is een roman door Anil Ramdas, de Hindoestaans-Surinaamse schrijver, programmamaker, journalist en, wel, intellectueel.

Ik vernam in het verleden her en der van Anil Ramdas, zijn manier van spreken en schrijven, en daardoor zijn interesses en meningen. Hij presenteerde samen met Stephan Sanders het boeiende tv-programma Het Blauwe Licht, dat de VPRO zo’n 12 jaar geleden uitzond, over de diepere betekenis van tv-beelden. Ramdas’ open blik en neiging tot diepgang kwamen mij sympathiek voor. Mogelijk omdat het gepaard leek te gaan met een luchtige relativering. Ook zijn beeldende verhalen over en vanuit India in kranten en weekbladen, en over Suriname, las ik doorgaans met plezier. Verder vernam ik van zijn meningen over maatschappelijke thema’s in discussieprogramma’s of stukken. Zoals over de multiculturele samenleving, het culturele leven, en de politiek. Ik kende hem eigenlijk vooral als presentator, of enigszins afstandelijke commentator, zonder overal al te direct zijn mening openlijk te uiten. Daarin verschilt hij wellicht van zijn vriend, schrijver en columnist Stephan Sanders, wier hoogstpersoonlijke, intieme en toch doordachte meningen minder verhuld tot het publiek komen.

Aan de andere kant maakt dat meer persoonlijker werk, zoals romans, biografische uitwijdingen, of bepaalde essays, juist van Anil Ramdas, des te interessanter. Jezelf mysterieus genoeg houden om duurzaam interessant te blijven is op zich een prestatie. Wel een prestatie die meer bewondering dan warme gevoelens oproept, maar Ramdas toont zichzelf redelijk open, waardoor hij wel warm over komt. Het heeft het effect dat je het gevoel krijgt dat hij iets verhult van zichzelf, maar niet iets onprettigs. Uit verlegenheid, ongemak, eerder dan hypocrisie en/of kwader trouw.

In de roman ‘Badal’ wordt weinig verhuld, maar het is ook formeel fictief. Aan de andere kant is het overduidelijk autobiografisch. De hoofdpersoon Badal is een Hindoestaanse Surinamer in Nederland, werkend als journalist, correspondent, maatschappelijk commentator, schrijver, en televisiemaker. Dat zijn wel heel veel overeenkomsten met Anil zelf. Hij was correspondent in India in het boek, net als Ramdas in het echt was. Badal is gewoon Anil, zou je geneigd zijn te denken. Badal’s vriendenkring in het boek omvat ene Henry, die wel heel erg aan Stephan Sanders doet denken, met diens diepgaande, individualistische analyses, en diens homoseksualiteit. Veel overeenkomsten met de schrijver zelf dus.

Het is duidelijk een meningen-/ideeënroman. Anil’s, eh sorry.. Badal’s meningen en visie op de Nederlandse maatschappij en diens ontwikkeling zou je elitair kunnen noemen. Zo heeft Badal het over "white trash", blanke, volgens hem onderontwikkelde mensen, als teken van gebrekkige maatschappelijke beschaving. Cultuurbarbaren in zijn beleving: anti-intellectuelen die streven naar oppervlakkig vermaak, diepgang vermijden, en die hun rancune en haat makkelijk botvieren of in ieder geval niet relativeren. Wat dat laatste betreft doelt hij met name op het stemmen op populistische partijen als van Geert Wilders. Badal wil in de roman een analytisch/filosofisch stuk schrijven over white trash mensen, en gaat daarom in Zandvoort wonen, waar relatief veel vertegenwoordigers van die groep zouden wonen. Dat is één lijn van de roman. Er is weinig echt contact met white trash mensen overigens: het gaat vooral om de denkwereld van Badal en relaties en gesprekken met zijn vrienden, vriendinnen en familie. Vaak, maar niet altijd, ook Hindoestanen, en verder wat elitaire vrienden.

Dan is er de andere verhaallijn: Badal’s problematische huwelijk en band met kinderen, welke voornamelijk een afstandelijke band is. Dit hangt samen met een derde, significante lijn: Badal drinkt nogal veel en is in feite alcoholist. De hele roman door worden er flessen wijn, whiskey en andere drank genuttigd door Badal, met diens dronkenschap als terugkerende staat.

De verhaallijn van de drankzucht en hoe dat zijn (familie)relaties beïnvloedt wordt vaardig verteld, maar is niet erg origineel. Het thema komt vaker terug in de Nederlandse en internationale literatuur. Origineler wordt de roman door de combinatie met andere karaktertrekken en interesses van de hoofdpersoon Badal. Deze drinkt veel, en kan gerust een alcoholist genoemd worden. Maar wel een met een diepe maatschappelijke en politieke interesse, originele meningen, en in het algemeen in het bezit van een sterke persoonlijkheid. Dat laatste vond ik wel bijzonder, omdat ik om de een of andere reden alcoholist-zijn meer associeer met een zwakke persoonlijkheid.

Die maatschappelijke meningen van Badal zijn eigenlijk geen bijzaak in de roman, maar in zekere zin de hoofdmoot. Deze uiten zich onder meer in gesprekken van Badal met anderen. Daarom is dit naar mijn idee een ideeënroman. De ideeën betreffen dus die white trash populatie, maar ook de opkomst van Geert Wilders’ PVV, het klimaat van haat in Nederland dat volgens Badal daarmee samen hangt, en ook het koloniale verleden van Europa. “Beschaving” is hierbij een rode draad in Badal’s meningen. White trash zijn onbeschaafde mensen, het kolonialisme had volgens hem tenminste nog de ambitie om te “beschaven”, ondanks negatieve aspecten.

Aan de andere kant uit hij ook kritiek op het Westen en diens superioriteitswaan. Dat is wat inconsequent. Toch kan die inconsequentie ook door andere dingen komen: gespletenheid door het opgroeien in een voormalige kolonie, Suriname in dit geval. Dominante waarden zijn in (voormalige) kolonies de Europese, maar die zijn toch extern aan je eigen achtergrond, waarvan andere waarden voortleven. Cultuurcontact is dan onvermijdelijk, zelfs voor een cultuur die liever gesloten blijft (zoals relatief sterk voor de Hindoestaanse gold/geldt).

Die gespletenheid komt interessant naar voren in deze roman. Badal lijkt zich zeer thuis te voelen in de Indiase en Hindoestaanse cultuur. Hij weet veel over India, de Indiase cultuur, Hindoestaanse Surinamers, maar beperkt zich daar niet toe. Hij beschouwt ook andere bevolkingsgroepen, zoals zwarten, verschillende Nederlanders, en Britse kolonisatoren in India. Nu en in het verleden. Zijn wat elitaire visie op beschaving doet hem af en toe apologistische meningen hanteren, zoals over ook de goede dingen die het Britse kolonialisme naar India gebracht zou hebben. Zelfs voor Columbus heeft hij positieve kwalificaties, omdat hij tenminste bredere ambities voor de wereld gehad zou hebben, tegelijkertijd erkennend dat Columbus ook een racist was. Er zijn hier dus overeenkomsten met de eveneens(koloniaal) ”apologisme” verweten Indo-Trinidadiaanse schrijver V.S. Naipaul. Inderdaad min of meer vereerd door Badal in de roman.

Verder heeft hij kritiek op Wilders en diens aanhangers en stemmers. Volgens hem wachten deze mensen slechts op een aanleiding om hun haat te kunnen uiten tegen bepaalde mensen. Ook bekritiseert hij echter bepaalde “gekleurde” intellectuelen, met name diegenen onder hen zonder ironie: “quasi-intellectuelen” noemt hij deze. Echte intellectuelen hebben ironie, meent hij dus. Ik kan het daar wel mee eens zijn.

Gespletenheid is er ook in Badal’s gedrag. Hij zondert zich de ene keer graag af, de andere keer is hij weer een aanhankelijk sociaal dier. Dan praat hij met mede-intellectuelen en goede vrienden, dan weer met “gewone” mensen, zoals in de kroeg.

Het is denk ik het thema van gespletenheid dat de verschillende lijnen in het verhaal verbindt, inclusief het alcoholisme. De overgangen tussen nuchter en dronken zijn van Badal vormen op zichzelf ook een gespletenheid, die de diepere gespletenheid weerspiegelt.

De roman is meer innerlijk dan zinnelijk. Er zijn weinig zintuiglijke beschrijvingen – ook niet echt van de terugkerende staat van dronkenschap - maar juist veel verhalen, analyses, en afstandelijkere, innerlijke gedachten die betekenis geven. Dat is op zich geen bezwaar. Wel toont dat, denk ik, nog meer die gespletenheid. Iemand die enigszins met zichzelf in de knoop zit is meer met zijn innerlijk bezig en kan minder genieten van het zintuiglijke. Eenvoudig genieten van eten, sex, een film, een kunstwerk, wat dan ook, wordt moeilijker. Het geduld en de leegte ontbreken daarvoor te veel. De white trash daarentegen kunnen zelfs van Frans Bauer’s muziek ongecompliceerd genieten, en van simpele films, of wat de commerciële zenders ook op tv uitzenden. Van groffe sex of junk food eveneens.

Badal in de roman geniet echter ook, maar dan van andere muziek (met verhalen erachter en/of complexer), intellectuele gesprekken, van veelzijdige verhalen, sociale geschiedenis, wat chaotisch en improviserend reizen, schrijvers en schrijven, maar ook van dronkenschap. Er zijn simpele en ingewikkelde genoegens.

Ik vond ‘Badal’ een lezenswaardige roman, boeiend en goed geschreven, en daarnaast met een interessante en originele combinatie van zowel maatschappelijke als menselijke diepgang. Vooral die combinatie – resulterend in een ideeënroman - vind ik goed. Zoals Confucius immers ooit zei (vrij vertaald): grote mensen (lees: geesten) praten over ideeën, middelmatige mensen over gebeurtenissen, en kleine mensen over andere mensen.

Dat wil niet zeggen dat ik het met alle meningen en ideeën van Badal eens was. Badal ging met zijn meningen soms voorbij aan de basale ontwrichting door kolonialisme – hoezeer ook gepresenteerd als beschavingsprojecten. Ook de (elitaire) suggestie - vooral impliciet – in de roman dat mensen die veel intellectuele boeken lezen, zogenaamde “hogere” kunst waarderen, en hoger opgeleid zijn als vanzelf betere, menslievende mensen zullen zijn, lijkt mij al te hoopvol. Om niet te zeggen onrealistisch. Daarnaast verschilde ik ook van mening met Badal over kleinere zaken.

Hoe dan ook zijn het voor een groot deel, vind ik, die maatschappelijke beschouwingen en analyses in ‘Badal’ die de roman tegelijkertijd bijzonder en boeiend maken, samen met de boeiend weergegeven menselijke gespletenheid. Een aanrader.

Boekgegevens:

Badal: roman: Anil Ramdas. - 411 p. - Amsterdam : De Bezige Bij, 2011. ISBN: 9789023459040