Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen

zaterdag 4 juli 2026

Marcuse, de Eendimensionale Mens, en deze tijd : een perspectief

Het boek 'De Eendimensionale Mens' is een filosofisch werk uit 1964 door Herbert Marcuse, lid van de (blijkbaar) roemruchte Frankfurter Schule, binnen de filosofie. Marcuse was Joods-Duits (vandaar Frankfurt), die later in de VS ging wonen. Diens boek was historisch invloedrijk en had zelfs een “cult status” bij onder meer Flower Power adepten/aanhangers – die later in de 1960s opgang maakten -, begreep ik, waardoor ik het ook wilde lezen.

Het boek had ook een “linkse”, anti-kapitalische teneur vernam ik her en der, wat mij ook niet afstootte. Ik had geen vooringenomen ideologie die dat niet toe liet, zeg maar.

Ik trof een debat op YouTube, ooit gehouden in de Balie – debatcentrum te Amsterdam -, in 2023, dat ging over dat werk, met interpretaties van andere Nederlandse filosofen van Marcuse’s werk, met name het boek de Eendimensionale Mens, dat ik enkele jaren terug al las, en inmiddels deels “herlees”. Dat debat was naar aanleiding van een “nieuwe vertaling” – volgens panelleden een toegankelijker vertaling (naar het Nederlands) – dan die veel eerdere Nederlandse vertaling welke ik nog lees (uit 1968). Het gaat echter uiteindelijk om de inhoud.

Terwijl ik dit schrijf, vindt het WK voetbal van 2026 in VS-Mexico-Canada plaats, dat ik eigenlijk ook wil volgen. Ik heb toch iets met voetbal – als sport - , wat ik nog steeds kan combineren met mijn intellectueel zelfbeeld, ondanks de loze commercie en het primaire tribalisme wat er ook bij voetbal op dat niveau is. In mijn leven volgde het historisch op elkaar. Ik was als kind best een fanatiek voetballertje, volgde competities, las de Voetbal International (deels), en verdiepte me zelfs in speltactieken.

Trainen vond ik wat saaier, en toen ik brildragend werd (rond mijn 12e) werd het voetballen zelf lastiger, en ging ik eigenlijk heel organisch en terloops meer lezen, en werd lid van de openbare bibliotheek. Vreemd genoeg legde ik sindsdien een vergelijkbaare mate van passie voor lezen, over met name landen en culturen, voor de dag, als daarvoor met voetbal. Zo fascineerde mij rond mijn 11e al het land Tsjaad in Afrika: deels in de Sahara, culturele en etnische verschillen tussen noord en zuid. Ik werd hoe dan ook een boekenwurm, direct nadat ik een tijd een “voetballer” was.

Met technische – of “beta” - onderwerpen had ik minder, dus vrijwillig ging ik vooral menselijke geschiedenis, samenleving, en cultuur, bestuderen, en dat wereldwijd, soms gespecialiseerd.

Bij dit alles bleef ik voetbal als sport een leuk vermaak vinden, en mogelijk meer dan dat. Mogelijk dient het psychologisch als “tegenwicht” voor lezen, denken, studie en diepzinnig, abstract doen, naar het echt tastbare, fysieke, en concrete – directe actie en reactie – van het voetbal. Van theorie naar praktijk.., zoiets.. Als een rare, soms ongemakkelijke variant van “yin en yang” uit het Chinese Taoïsme.

TAAIE KOST

Op dit moment loopt dat voor mij wat ongemakkelijk door elkaar heen, tijdens dit WK voetbal van 2026. Herbert Marcuse’s boek de Eendimensionale Mens is interessant en – vind ik – treffend over de Westerse samenleving (al in 1964!), maar is qua schrijfstijl – taalkundig ook – “taaie kost”. Lange zinnen, met veel bijzinnen en verwijzingen. Het vocabulaire vond ik niet ingewikkeld, met mijn woordenschat (laten we zeggen HBO en hoger). Herlezen voor goed begrip bleek echter wel vaak nodig, vooral door de lange zinsbouw. Ik herlees het boek nu na jaren, en moet nog steeds zinnen soms herlezen bij het herlezen.

Ook tijdens dat debat in de Balie in 2023, welke ik noemde, erkende men dat het boek “taaie kost” was. Het is diep filosofisch en vol met lange, gecondenseerde, betekenisrijke zinnen.

Wel wat diepgaander en veeleisender, dus, dan voetbal kijken op het scherm, in essentie naar 20 mannen die achter een bal aan rennen, en een land vertegenwoordigen.

“Taai” of ingewikkeld om te lezen, Marcuse’s boek, maar uiteindelijk vervullend en leerzaam, ervoer ik. Marcuse’s punten worden uiteindelijk duidelijk, nadat hij eigenlijk – via aanvullende voorbeelden – in herhaling valt over een aantal thema’s.. met heel wat complexe zinnen. Het punt is op een gegeven moment wel duidelijk, al blijft het interessant omdat hij verschillende maatschappelijke aspecten en ontwikkelingen van toen (1964) bespreekt, die zeker vandaag de dag nog relevant zijn: zowel economische als culturele aspecten.

De ondertitel “Studies over de ideologie van de hoog-industriële samenleving” geeft helder de focus en context aan van Marcuse’s essay, namelijk van een steeds meer geïndustrialiseerde samenleving, inclusief automatisering, en een belangrijke rol voor technologie.

Zijn boek/essay De Eendimensionale Mens bekritiseert eigenlijk het toen (door technologie) moderne kapitalisme, vooral waar het zich totalitair uitbreidt naar “cultuur” en de “vrije tijd”, terwijl Karl Marx het nog vooral over arbeiders en productieverhoudingen had.

INKAPSELING

Marcuse heeft het er eigenlijk over hoe gewone burgers, en die arbeiders, betrokken worden bij dat exploiterende kapitalisme via consumentisme: dingen kunnen kopen, en de schijn-vrijheid van in je behoeften voorzien door te kopen producten, of diensten. Je zo ook als individu zogenaamd te laten gelden, een identiteit te vormen. Met technologische vooruitgang, en via taal, wordt dat consumentisme zo vanzelfsprekend gemaakt, totdat mensen het systeem niet meer bevragen omdat ze “ingekapseld” zijn, ook in hun vrije tijd. Aldus het betoog van Marcuse.

Inderdaad valt het woord “ingekapseld” veel tijdens het genoemde debat in De Balie over Marcuse’s boek. Ontwapening door inkapseling via consumentisme.

Me dunkt nog steeds actueel, in 2026, stel ik. Die voetbalwedstrijden van het WK (nu van 2026) worden onderbroken en omgeven door reclames, waardoor het voetbal een bijzaak lijkt. Hetzelfde is gebeurd met ander “vermaak”, namelijk het Internet en YouTube, als je gewoon even zonder speciaal (te betalen!) abonnement wat liedjes wil luisteren, of clips wil bekijken.

Denkelijk is “top” voetbal nog veel commerciëler dan “pop” muziek: ergens kun je nog wel op YouTube bijvoorbeeld fijne historische muziekconcerten vinden van, bijvoorbeeld, Bob Marley, Stevie Wonder, of Nirvana. Historische voetbalwedstrijden die voetballiefhebbers begrijpelijkerwijs nog wel zouden willen zien (finale WK 1970: Brazilië – met Pelé! – tegen Italië) kun je daarentegen wel vergeten: afgeschermd vanwege commerciële belangen.

Al deze steeds hinderlijkere commerciële afbakeningen en reclame’s bij bij de massa relatief populaire (passieve) cultuurbeleving anno 2026, illustreren goed dat Marcuse’s De Eendimensionale Mens uit 1964 nog steeds actueel is, en waarachtige tendensen aanwees, die zelfs toenamen. De inkapseling door het systeem, “the powers that be”, van het gewone volk, inclusief de arbeiders, van het hele leven, en niet alleen “werk”.

Panelleden in het voornoemde De Balie debat uit 2023 – Marian Donner en (min of meer) “Marcuse kenner” filosoof Thijs Lijster – vonden het inderdaad ook nog in deze tijd actueel.

Zo las ik dat boek ook. Vanuit mijn persoonlijke levenservaring, en mijn perspectief. Ideologische vooringenomenheid verstart – en beperkt – het vrije denken. Zo schijnt Marcuse – evenals anderen van de Frankfurter Schule – zowel door Karl Marx als Sigmund Freud beïnvloed te zijn, en inderdaad noemt Marcuse ze ook in De Een-dimensionale mens, evenwel zeker niet als dogmatische richtlijn: hij blijft als individu zelf redeneren, wat het ook leesbaarder maakt voor mij als individu.

SEKSUALITEIT

Behalve over arbeidsverhoudingen, technologische vooruitgang, taal als manipulatiemiddel, en vrije tijd, bespreekt Marcuse ook een specifiek onderwerp als seksualiteit. Voorspelbaar komt daar Freud om de hoek kijken, maar ook wat dat betreft denkt Marcuse echt zelf, en praat niemand na. De passages over seksualiteit vond ik tot de interessantste behoren, want “raak”, maar ook zelfs mijn “ogen openend”, of in ieder geval helder beschrijvend wat ik ergens al vermoedde.

Zijn beschrijving van hoe het “libido” door laten we zeggen “de elite” ingekapseld is in het systeem van technologische, economische vooruitgang vond ik interessant en herkenbaar. Taboes vielen weg in de 1960s, men mocht vrijer de seksualiteit beleven, maar dat bracht volgens Marcuse ook een “desublimatie”, een “onttovering” ervan teweeg. Via onder meer de porno-industrie werd seks derhalve genormaliseerd als deel van het systeem, en elke “vlucht” of geestelijke rebellie via “eros” of seks, tegen de bestaande verhoudingen of machten, zo handig door machthebbers onschadelijk gemaakt.

Om uit het boek te citeren (vertaling 1968):

“De technische vooruitgang en het comfortabeler leven maken het mogelijk, dat er in het geheel van produktie en ruil systematische libidineuse componenten worden opgenomen. Hoezeer het opwekken van de instinct-energie ook onder controle gebeurt (soms zelfs in die mate dat het een wetenschappelijk management van de libido wordt); hoezeer het ook dienst doet als stut voor de status quo – het blijft bevredigend voor de gemanipuleerde individuen, net zoals het leuk is met een buitenboordmotor te spelen, de gemotoriseerde grasmaaier te besturen en hard te rijden in een auto”..

Ware woorden, lijkt mij, al heb ik zelf met de laatste activiteiten te weinig ervaring om die met seks te kunnen vergelijken, haha.

Ook een voorbeeld van de vaak wat complexe, gelaagde zinsbouw in het boek, maar zeker een zinnige analyse.

TAAL

Veel van het boek gaat over hoe “taal” ook manipulerend gebruikt wordt, bij die “inkapseling” van het volk (of: de arbeiders): voormalige tegenstellingen worden opgeheven en verwarrend gemengd, ook voor militaire, politieke, of bedrijfsdoelen, waardoor alternatieve denkwijzen als het ware door de taal onzichtbaar worden, en de ware aard verduisterd. Dit dient het “operationalisme”, zoals Marcuse het noemt, van die machthebbers. Nog een citaat uit het boek, wellicht nog wat ingewikkelder dan die eerdere die ik gaf:

“..Hier brengt het functionaliseren van de taal een verkorting van betekenis tot uiting, die ook politiek gezien van belang is. De namen van dingen zijn niet alleen ‘een aanwijzing voor hun wijze van functioneren’, maar hun (feitelijke) wijze van functioneren bepaalt en ‘omsluit’ ook de betekenis van het ding, door andere wijzen van functioneren uit te sluiten. Het zelfstandig naamwoord beheerst op een autoritaire en totalitaire manier de zin, en de zin wordt een verklaring die aanvaard moet worden; het verzet zich tegen een bewijs, voorbehoud, ontkenning van zijn gecodificeerde en uitdrukkelijke betekenis..”

Een hele mond vol, inderdaad. Met flink wat even complexe zinnen herhaalt Marcuse ditzelfde punt in dit boek – mogelijk wat te vaak - , maar dat maakt het nog niet onwaar.

Marcuse heeft daarmee naar mijn mening zeker een punt, en een die vandaag de dag nog zeker actueel is. Manipulatie via taal is zo oud als de mensheid, en manipulatie via het geschreven woord zo oud als het schrift en de boekdrukkunst.

Ik betoog zelfs (zong ik zo in songteksten van mij) dat taal vooral gereedschap om te liegen biedt, voor een groot deel althans.

Dit slaat los van meer pragmatische, direct-praktische woorden of termen in de taal die geen ontplooiing van hun betekenis nodig hebben, zoals Marcuse zelf ook erkent, maar daarbuiten biedt “gangbare taal” genoeg manipulatie en “propaganda” mogelijkheden, voor de commercie, politiek, macht, voor verhulling van onrecht, voor verhulling van machtsverschil, etcetera.

Deze inkapseling via taal en consumentisme – inspelend op menselijke behoeften – leidt dan tot een “gelukkig” maar “vals" bewustzijn, volgens Marcuse, bij burgers, als enig overblijvende dimensie van de moderne technologische rationaliteit. Die ene dimensie.

TRANSCENDENTIE EN SUBLIMATIE

In die technologische rationaliteit is dan zogenaamd het “obscurantisme” overwonnen, maar ook de “transcendentie” uit de werkelijkheid gehaald, waardoor de eendimensionale samenleving is bereikt.

Impliciet stelt Marcuse dus dat de wereld – of de mensheid – daarentegen die transcendentie nodig heeft, alsmede “sublimatie”.

Sigmund Freud zag in “kunst” een sublimatie van meer primaire driften (seks willen, met name), maar als die primaire driften dus (economisch, commercieel) ingekapseld zijn, zoals Marcuse stelt, wordt die kunst ook minder rebels en transcenderend.

Ook dat is anno 2026 nog relevant, en naar mijn inschatting bewaarheid in de steeds commerciëlere pop-cultuur en populaire muziek, met steeds minder en gemarginaliseerde maatschappijkritiek of “inhoud”, behalve in sommige genres die erom bekend staan (Reggae, “conscious” hip hop), maar die meestal ook niet commercieel succesvol zijn, en in niches blijven. Hetzelfde geldt voor literatuur, waarbij voorspelbaarheid, bevestiging, en goedkope en veelal verkeerd gerichte “identiteitspolitiek” beter verkoopt dan wezenlijke systeem- of maatschappijkritiek. Hetzelfde geldt voor andere kunstvormen.

Transcendentie is te vertalen als “overstijging”. Behalve maatschappij- of systeemkritiek kan dat ook een “bird’s view” of “uitzoomen” betekenen in een meer spirituele zin: buiten de dingen staan om ze te beschouwen, echt erbuiten staan. Ook dat is er steeds minder in de kunsten, maar ook in zogenaamd “linkse” kringen, of andere naar eigen zeggen kritische bewegingen.

De Balie had als debatcentrum ooit een “links”, vrijdenkend imago, totdat bleek dat bepaalde thema’s die vanuit de gevestigde politiek aangezwengeld en gepromoot werden – veelal op dubieuze, gebrekkige gronden – niet betwijfeld werden, en men “meelulde” om het op zijn Hollands te zeggen: het coronabeleid, het klimaatbeleid, LGBTI problematiek, en zelfs de NAVO (en het militair-industrieel complex) – toch ooit een populaire kop van jut voor “Links” – werden en worden gespaard, mogelijk vanwege financiering door die NAVO van De Balie, zoals een gedurfd interviewende Linkse podcaster (Left Laser) aantoonde. Corruptie, eigenlijk dus, en wat men eerder “Rechts” zou noemen..

Illustratief had men het bij het debat over Marcuse’s boek dat plaats vond in 2023 (na al die corona onzin dus) en diens huidige relevantie, alleen over het “klimaat” als probleem, en een vage maar lekker links-lijkende actiegroep als Extinction Rebellion.

Er was niet alleen onzin: ook het neoliberalisme werd meer terecht ook bekritiseerd tijdens dat debat, dat ik al met al wel okee vond. Marian Donner heeft leuke denkbeelden, en zij en Thijs Lijster vatten de kern van het boek grotendeels goed samen.

Het is daarnaast aan iedereen om Marcuse’s bevindingen toe te passen hoe men wil. Als je echt in klimaatopwarming wilt blijven geloven, dan pas je Marcuse’s stellingen daarop toe, bijvoorbeeld; nogmaals het verstarde en beperkte van ideologie. Mensen kunnen helaas maar al te makkelijk alles naar hun ideologie en vooroordelen toe redeneren.

Ik geloof wel in het bestaan van milieuvervuiling, maar niet zozeer in klimaatopwarming, omdat er eenvoudigweg geen wetenschappelijk bewijs voor is (hoeveel ik ook zocht), en het klimaatbeleid “the powers that be” wel heel goed uit komen: zo hoeven ze niet echt iets aan milieuproblemen door grote bedrijven te doen, en die machten kunnen ze zo ontzien. Mogelijk is dat ook de reden waarom de multinational Shell al vanaf het begin dus bij die klimaatdiscussie betrokken is.. Dubieus..

Dat idee van “inkapseling” is dus een centraal thema van het boek, waarvoor Marcuse ook andere, min of meer synonieme begrippen als “assimilerend” gebruikt.

ONONTGONNEN TERREINEN

Volgens Karl Marx zou het kapitalisme ten onder gaan aan zijn eigen contradicties, Rosa Luxemburg vulde echter aan dat het kapitalisme iets onontgonnens buiten zichzelf nodig heeft om toch (parasitair) te overleven, zijnde bijvoorbeeld koloniën in de tropen en hun grondstoffen, terwijl Marcuse dat “onontgonnen terrein” in de privé-sfeer, de “vrije tijd” van de arbeiders (“het volk”), ook in het Westen, zag. Dat hele leven van arbeiders en burgers zou dus ook geassimileerd worden in het kapitalistisch systeem, middels consumptie, ideologie, en taal/propaganda.

We kunnen echter nog verder gaan, en die “inkapseling” gaat in mijn analyse historisch – thans (sinds de 1980s) - door naar andere onontgonnen terreinen. De Trias Politica werd ontheiligd, met name sinds de opkomst van het neoliberalisme, sinds ongeveer 1980: staatsgesteund kapitalisme door grote bedrijven. Dit was na Marcuse’s tijd, maar zette de lijn van “inkapseling” voort richting politiek (door economische machtsverhoudingen). Politiek werd steeds meer ingekapseld door “big business” en multinationals.

In lijn daarmee is een nieuwere inkapseling gaande, die met name tijdens de Covid periode pijnlijk zichtbaar werd. Wederom na Marcuse’s tijd, maar dezelfde tendens. Zelfs zogenaamd anti-systeem “links”, en activistische in naam anti-overheids en anti-big business organisaties bleken opvallend trouwe volgers van overheidsbeleid, zelfs als met zoveel losse eindjes en ongerijmdheden als dat wereldwijde Covid-beleid vanaf 2020, of als het verhaal – hoe onbewezen ook – dramatisch en “links-activistisch” klinkt, zoals de grotendeels verzonnen klimaatalarmisme hype.

Het etnische, gender, queer, en andere “identiteit” denken werd volgens meerdere auteurs (waaronder Ewald Engelen) gestimuleerd door het neoliberalisme sinds 1980, om af te leiden van klasse en machtsverschil. Ook duidelijk een voorbeeld van inkapseling binnen het systeem waarbij een identiteit nog steeds binnen de bestaande machtsverhoudingen van het moderne kapitalisme operereert, vaak met dezelfde terminologie, en dus onschadelijk, ongevaarlijk blijft.

Subsidiestromen van de overheid spelen hierbij een rol, maar net zo goed meer onbewust een totalitaire ideologie, waarbuiten het leven moeilijk wordt gemaakt. Dezelfde “ideologie” waar Marcuse over sprak, maar dat als monster ook steeds meer opslokte, inclusief dus nu zelfs kapitalisme-kritische organisaties.

Debatcentrum De Balie zelf illustreert die inkapseling, onder meer met dwaze afdwalingen richting “klimaat” en “extinction rebellion” zoals tijdens dat 2023 debat, gecombineerd met de bevinding dat de NAVO De Balie financierde, ter pacificatie van eventuele kritiek. Debatten – hoe wellicht divers qua standpunten ook - blijven dan binnen het systeem en de bestaande machtsverhoudingen. Het is feitelijk een subtiele censuur.

Het komt mij voor dat Marcuse zeker nog relevant is in deze tijd, maar dan met name gezien de inkapseling van politiek en activistische tegenspraak in de laatste decennia, chronologisch volgend op eerst het inpassen van de arbeiders – en hun privé-leven – binnen de ideologie van de op consumptie gerichte hoog-industriële kapitalistiche samenleving.

Daarop - met name sinds het neoliberalisme - volgde dus die inkapseling van “tegen-geluiden” en anti-systeem activisten, waardoor het nog totalitairder werd dan het al was. Daarbij kwam ook censuur, in verschillende vormen. Bij propaganda hoort immers ook censuur.

Het Covid en “klimaat” beleid zoals dat in Nederland gevoerd werd liet een geslaagde “ inkapseling” van activistische organisaties, zelfs de wat radicaal-linksere milieu-organisaties, of wat linksere politieke partijen die eerder kritisch waren op het systeem (SP, GroenLinks, Dierenpartij).

Met geld kun je veel kopen en “inkapselen”, een toenemende tendens waar Marcuse dus terecht op wees.

UITWEG?

Hoe komen we hier uit, uit die totalitaire “inkapseling”?, zoals Marcuse die beschreef, was een interessante vraag aan het einde van het debat in De Balie. Ook een moeilijke vraag.

Een pasklaar antwoord anders dan als een radicalinski “dit systeem moet vallen” zeggen (wel een nieuw begin, maar mogelijk ook onrust en chaos met oorlog), heb ik uiteraard ook niet. Groeiend bewustzijn is in ieder geval een goed begin.

Een bezwaar wat ik nog wel maken kan tegen Marcuse’s redenering is dat hij wat te simplistisch veronderstelt dat ieder mens als 'n passieve robot mee gaat in die “inkapseling” door machthebbers in het systeem via taal trucjes, onderwijs, (politieke) manipulatie, consumentisme, inspelen op je behoeften, propaganda en censuur, en dergelijke.

Veel mensen, ook laagopgeleide mensen, hebben toch nog een bepaald gezond verstand, een oer-intuïtie, of bewustzijn, dat er iets niet klopt: dat bedrijven producten aan je willen verkopen, je geld willen, dat politici liegen, machthebbers die macht willen houden. Dat wordt soms als “populisme” weg gezet, maar als het zich niet richt op verkeerde zondebokken (migranten, bijvoorbeeld) – of verblind is door ideologie – zit daar wel degelijk een volkse wijsheid in, die men ook wel “wisdom of the crowds” noemt. Mensen aan de onderkant staan toch iets losser in het systeem dan hoger opgeleide ambtenaren, of goed verdienende “account managers” in commerciële bedrijven, met voorspoedige carrières.

Zeker, velen van “het gewone volk” doen mee met die “passieve consumptie”, of laten zich ook in de maling nemen door politici of het hele systeem, maar hun belangen zijn minder verbonden aan dat systeem. Dat geeft hoop voor een groeiend bewustzijn en een “grotere weigering” waar men het ook in ’t debat van De Balie over had, en ook de naam van een werk van panellid Marian Donner ( ‘De Grote Weigering’).

Mensen proberen in zo’n totalitair systeem altijd hun eigen, semi-vrije draai te vinden, iets van vrije wil te behouden, als het moet verhuld. Dat kent men ook van totalitaire samenlevingen/dictaturen, waarin men zich weinig aantrekt van een alomtegenwoordige en opdringerige overheid, hoe dwingend aanwezig ook.

Ik merkte dat bij mijn Spaanse familie onder de Franco dictatuur in Spanje (1939-1975), waarvan de meesten geen “politieke dieren” waren, maar zichzelf veelal wel links of democratisch vonden.. en die Franco en zijn regime maar probeerden te negeren.

Hetzelfde is bekend van andere dictaturen of totalitaire samenlevingen, soms zelfs met een sterk gepropageerde ideologie. Als de ideologie een grote groep aanspreekt, veelal omdat het ”slim” appeleert aan basale, aanwezige driften (tribaal, competitie, overleving, oorlog, raciaal), zal het meer draagvlak onder een volk vinden, maar toch ook niet helemaal.

Via inspelen op behoeften en dat “prettig verdovende” “gelukkig” of “vals” bewustijn via welvaart en consumptie – zoals Marcuse betoogt - is dat passieve draagvlak er ook, net zo als “raciale superioriteit” aansprak bij een deel van de Duitsers onder de Nazi’s (en eerder bij Britten en andere Europeanen in de koloniale tijd), of Italiaanse trots bij Italianen onder Mussolini, goed georganisserde staatsverzorging in communistische landen (ook verdovend, wellicht), of religieuze superioriteitswaan en tribalisme bij radicaal-Islamitische regimes.

Toenemend bewustzijn is de manier om een dergelijk pervers draagvlak – gebaseerd op illusies en propaganda – te ondermijnen of af te laten kalven, vooral als duidelijk wordt hoeveel slachtoffers dat totalitarianisme heeft, hoeveel mensenrechten het schendt, hoezeer het vrijheid en geluk – en gelijkwaardigheid – voor de meeste mensen als individu beperkt, als men maar voorbij particuliere deelbelangetjes kijkt: als man heb je het wat makkelijker onder de Taliban of in Soedan, Saoedi Arabië, of Iran, als rijke kapitalist in dit systeem, als partijlid in dictaturen, etcetera. Degenen die de klappen opvangen, die lijden, zijn “de anderen”, de zwakkeren. Jammerlijk ontbreekt solidariteit daarmee nog teveel.

Een ander kritiekpunt(je) op Marcuse’s stelling is dat hij de “passiviteit” van die inkapseling ook overdrijft in de zin dat hij lijkt te vergeten dat er ook “welbegrepen eigenbelang” bestaat, met gevestigde belangen.

Mensen uit welvarende families in big business, of met politieke macht – de “elite” -, weten heel goed dat de taal manipulerend werkt en van die gelaagde inkapseling van arbeiders door economie en technologie in het moderne kapitalisme (nu: neoliberalisme), en steunen dat omdat ze weten dat zij er goed uit komen, uit die ongelijkheid. Heel wat mensen steunen daarom bewust die “ideologie” , waar Marcuse het over heeft. Ze doen er eerder bewust dan passief aan mee. De passief-meedoende massa is voor dat systeem echter nog steeds nodig, en daar zit mogelijk een kiem van verandering, verzet, weigering.. met andere woorden: een uitweg uit die totalitaire “inkapseling” in die eendimensionale samenleving.

Een systeem gebaseerd op exploitatie van een meerderheid kan immers niet voor eeuwig stand houden, en die andere “dimensies” zullen er toch bij komen. De mens is immers – betoog ik - van nature ook niet “een-dimensionaal”.

Marcuse wees op het belang van transcendentie, ofwel “overstijging”, dus het herwinnen van echt vrij levensgeluk, eigen genot, via vrijheid, van individuele mensen. Ook betreurde hij – in zekere zin – de desublimatie (“onttovering”) van kunst, en andere menselijke gedragingen, door die technologische vooruitgang. Mogelijk biedt de “kunst” - of breder: cultuur - die nog niet ingekapseld is, via maatschappijkritiek of meer “spiritueel”, een uitlaatklep, maar ook wie weet een vehikel voor dat toenemende bewustzijn en geestelijke en daarna fysieke bevrijding van de onderdrukte mensen in deze wereld. Een internationale, en multiculturele dimensie lijken mij daarbij onontbeerlijk.

SAMENVATTEND

Mijn perspectief op en mening over Herbert Marcuse’s boek/essay De Eendimensionale Mens staat geenszins diametraal tegenover wat panelleden in dat filosofisch De Balie debat erover zeiden, zijnde Marian Donner en Thijs Lijster. Met hen was ik het regelmatig eens. Wel kon ik het meende ik aanvullen vanuit mijn perspectief en ervaring. Dat in De Balie, gecorrumpeerd door NAVO inmenging als we Left Laser mogen geloven, de door mij geconstateerde nieuwste “inkapselingen” van de politieke en linkse activistische tegenkrachten slechts mondjesmaat genoemd worden, maar grotendeels vermeden als thema, was te verwachten vanuit schuld- en/of schaamtegevoelens. Dan moet ik er maar mee komen.

Het blijft echter mijn persoonlijke mening, maar wel een “gedocumenteerde” mening gebaseerd op degelijke informatiebronnen en historische kennis, zeg ik er ter mijn verdediging bij.

Anderen, in Nederland en daarbuiten, filosofen of niet, zelfverklaard “links” of zelfverklaard “rechts”, hebben weer een ander perspectief op Marcuse’s werk en de huidige relevantie ervan. Dat betekent dat het wel invloed had, volgens sommigen goed, volgens anderen slecht, maar aantoonbaar in niet alleen het publieke debat, maar ook op universiteiten (zegt men), en op Flower Power en andere sociale bewegingen sinds de 1960s en 1970s, in meerdere Westerse landen. Rechtse (zelfverklaard “rechts” bedoel ik daarmee) ideologen bekritiseren het “cultuur marxisme” waar Marcuse en de Frankfurter Schule voor zouden staan, en dat universiteiten “links” gemaakt zou hebben, maar waarom dat zo slecht is wordt voor mij niet altijd duidelijk. Het lijkt mij ook onwaar of minstens overdreven.

Bovendien.. waarom zou de klassenstrijd geen invloed kunnen hebben op de cultuur? Dat lijkt mij zelfs realistisch als analyse. Het is geenszins een oproep tot “marxistisch geplande cultuur”, wat Marcuse nergens doet of betoogt: hij geeft slechts zijn analyse. “Denkrichtingen”, zo je wilt.

Deze, bovenstaande, post was weer mijn analyse van Marcuse’s analyse, waarbij ik “sturende” ideologie en vooringenomenheden er buiten probeerde te houden, maar wat meeging met Marcuse’s “denkrichting”. Ik observeer hierbij naar mijn idee slechts wat machthebbers in deze tijd doen ten opzichte van arbeiders/het volk, in nominale democratische landen als Nederland, en hoe totalitair dat eigenlijk is, en steeds meer wordt.

Marcuse's boek bood mij daarvoor een handvat, een "denkrichting" inderdaad, die ik wel zelf verder doordacht.

woensdag 4 maart 2026

Anne Frank's dagboek

Voor veel mensen in Nederland, en zelfs de wereld, is het Dagboek van Anne Frank een “bekend” boek. Velen zullen erover gehoord hebben, meer dan het zelf gelezen hebben, of “ze” gelezen hebben, want het gaat eigenlijk om dagboekbrieven. Meervoud dus. Het boek is overigens in 70 talen vertaald.

Ik ben zelf nu boven de 50 – vanaf een bepaalde leeftijd vier ik geen verjaardagen meer of in ieder geval "minder", zoals mijn moeder ook zei - , maar dit moet ik wel even vermelden om de tijdspanne aan te geven van mijn leven.

Ik ben geboren in Nederland, en de laatste ruim 20 jaar woonachtig in Amsterdam. Daarvoor woonde ik ook niet ver van Amsterdam (Nieuw Vennep, NH: rustig, maar saai dorp), dus kwam er weleens, en vaker toen ik in Amsterdam ging studeren, in 1996. Ik was toen inmiddels al de 20 gepasseerd, en woonde naar (denk ik) goed Zuid-Europees gebruik nog wat jaren bij mijn ouders (Italiaanse vader, Spaanse moeder).

Anne Frank’s dagboek was al sinds kind bekend bij mij, het dagboek, de connectie met de Holocaust, het bijbehorende gebouw en museum in Amsterdam. Ik deed in 2000 een afstudeerscriptie bij Greenpeace International, gelegen naast waar Anne Frank schuilde (het Achterhuis), met nog – zei men mij - daarvoor dezelfde kastanjeboom die zij zag. Die afstudeerscriptie was voor de voormalige bibliotheek academie (HBO), nu in naam opleidend tot “informatiespecialist”.

Ik hoorde er ook veel over (school, tv), maar ik moet helaas – wellicht tot mijn schande – erkennen dat ik me niet bewust kan herinneren het dagboek zelf gelezen te hebben, in al die tijd.

BOEKENWURM

Het kan zijn dat ik het ergens in een fanatieke boekenwurmen tijd die ik had na mijn “voetbal tijd” (tot ong. mijn 14e), zo’n decennium had (tot in mijn “20s”), ook “verorberd” had – dan wel deels – maar te midden van veel andere boeken en werken. Ik las toen veel over Afrika en cultuur, wist ik nog, maar ook wereldgeschiedenis. Ik vond “geografie” om een of andere reden intrigerend, en niet zo boeken waar je al zoveel over hoort, zoals enkele romans.

Dit ging allemaal veel verder dan wat van school moest, en thuis waren de meesten niet echt lezers. Het was vooral mijn eigen weg, nadat ik doordat ik een bril moest dragen (vanaf ongeveer mijn 13e) maar stopte met al dat voetballen: niet zonder spijt: de sport vind ik leuk. Ik vond gelukkig lezen en leren ook leuk en werd zelfs lid van de bibliotheek.

Mijn smaak was voorts eigenzinnig, maar wel breed en diep. Ik zocht meestal kennis die wat minder “mainstream” gepromoot werd. Harry Mulisch’s De Aanslag - een relatief bekende en ook verfilmde roman - las ik dan wel, en met plezier, maar dat was dan een van de uitzonderingen die de regel bevestigen, zeg maar. Op TV kwam Mulisch op mij grappig en interessant over, mogelijk daarom. Maar een “groot ego” boek als ‘Ik, Jan Cremer’.. daar kon ik mij niet toe zetten. Mogelijk vonden anderen het goed, maar ieder zijn ding.

Non-fictie begon me gaandeweg meer te trekken – met name over geschiedenis - , en de boekenwurm in mij bleek een intellectueel. Toen las ik wel werken van “bekende namen”, vanwege het historische belang, maar ook selectief, en, wel, op leesbaarheid. Het Communistisch Manifest van Marx en Engels las ik wel – leerzaam op zich -, filosofische werken van Herbert Marcuse, Miguel de Unamuno, en anderen.

Verder vooral ook van zwarte, antikoloniale auteurs als Walter Rodney. Diens onvolprezen werk over Europees kolonialisme in Afrika: How Europe Underdeveloped Africa, is een aanrader voor iedereen. Zeker voor diegenen die zich als Rasta of “Afrika-vriendelijk” beschouwen. Daarnaast andere interessante boeken over deelgebieden (Rastafari, Cuba, Ethiopië), en leerzame biografieën van mensen met persoonlijkheden als Marcus Garvey, maar ook van muzikanten James Brown, Lee Perry, Peter Tosh, e.a.), veelal deels samenhangend met mijn sinds mijn “early teens” ontstane persoonlijke interesses (Rastafari, Reggae).

Maar mijn maatschappelijke belangstelling bleef breed. Een ander – toch – non-fictie werk als Anne Frank’s dagboekbrieven wilde ik eigenlijk ook lezen, vooral vanwege het historische belang. Ik had er veel over gehoord, maar dat hoeft niets te betekenen.

Als er teveel egotripperij om een boek hangt - een “hype” -, stoot het me af, maar rondom Anne Frank’s dagboeken hing dat niet zo, al werd het veel besproken in de media, soms met grappen, over wat voor iemand Anne Frank was. “Een vervelend kind, maar dat hoort ook zo op die leeftijd..”, herinner ik mij dat Jeroen Krabbé in een praatprogramma zei, toen het dagboek weer eens in het nieuws kwam. Wat flauwe grappen door matige comedians daar gelaten, hadden de meeste gesprekken rond Anne Frank’s Dagboek wel wat niveau en nuance.

Controverse – vooral als van een zeker intellectueel niveau - om een boek heen maakt me wel wat nieuwsgieriger, en ik ben het dan ook gaan lezen. In het Nederlands. Als een spreekwoordelijke “elephant in the room”, maar een leuke, lieve olifant, zeg maar. Het lezen was "long overdue”..

SCHUILEN

De premisse is al indrukwekkend. Een groep Joden, waaronder Anne met haar ouders en wat anderen, moest schuilen voor de Nazi’s die Nederland hadden bezet en met steeds meer maatregelen tegen Joden kwamen. Anne was 13 toen ze begon onder te duiken (voor nog een paar jaar).

Ik kan dat relateren aan wat ik elders vernam over die Nazi-bezetting en het Nazi-regime, zoals op school, via documentaire’s, of in tentoonstellingen als het Verzetsmuseum. Er zijn critici van de weergave van die geschiedenis, maar de grote lijnen leken mij wel waarachtig. In ieder geval veelzeggend.

De wreedheid van het Duitse Nazi-regime zat hem in de militaire kracht, zeker, maar vooral het gebruik ervan. Eigenlijk gingen ze heel leugenachtig te werk, nogal sadistisch, en in zekere zin “geniepig”, zeker aangaande de Jodenvervolging.

In Nederland hadden de Nazi’s het eerst nog over een vage “strijd tegen het bolshevisme”, later toegespitst op groepen, maar geleidelijk en martelend sadistisch. Ook de afvoer naar concentratiekampen werd niet openlijk gepresenteerd als “bestemming: dood”, maar als werkkampen en tewerkstelling, waarbij velen in die kampen in het ongewisse bleven over hun gaskamer dood, terwijl ze gedwongen werkten.

Dit diabolische geheel - concreter: een Duitse oproep tot tewerkstelling aan Anne’s oudere zus - deed ook Anne Frank en de anderen schuilen in het Achterhuis, letterlijk achter een bedrijf/magazijn (van vader Otto Frank), uit het zicht, aan de Prinsengracht in Amsterdam, vlakbij de Westerkerk. Vóór die tijd, woonde het gezin Frank aan het Merwedeplein in Amsterdam-Zuid.

De dagboekbrieven betreffen het samenleven daar van Anne met haar ouders, oudere zus, en bevriende Joden (waaronder echtparen en zoon, en een tandarts), en helpende niet-Joodse Nederlanders uit het verzet, trouwe werknemers van Otto’s bedrijf, die af en toe langs kwamen ter steun, en dus wel gewoon over straat konden lopen, zonder ster, en daardoor dingen en voedsel konden brengen, etcetera..

Dit hele naargeestige gegeven moet haast wel interessant leesvoer opleveren, wie het ook schrijft, en Anne was weliswaar wat jong, rond de 13 jaar oud, doch – ook noodgedwongen – vroegrijp.

SCHRIJFTALENT

Het prettigste bij het beginnen te lezen vond ik dat ik merkte dat Anne Frank plezierig schreef in haar toch persoonlijke dagboek: het las lekker weg, een aantrekkelijke, beeldende schrijfstijl, en niet zonder droge, relativerende humor. Ze had ook een goed observatievermogen. Zeker, er waren wat kinderlijke herhalingen en fixaties bij haar schrijven, maar dat is niet meer dan natuurlijk, evenals het “pubergedrag” af en toe. Ze had zonder meer schrijftalent.

Ik merkte vooral dat Anne toch een relatief intelligent kind was voor die leeftijd, en begon mezelf af te vragen of dat ook voor mij gold op diezelfde leeftijd (13-15 jaar). Ik was goed in taal (leerde snel Engels), maar herinner mij toch ook dat ik zelfs wat “diepe beschouwingen” rond die leeftijd had – zelfs met een voetbal onder mijn arm – die iets intellectueels hadden, over de maatschappij. Al pratende met mensen, tussen het praktisch, spelend, me vermakend, bezig zijn.

Anne Frank zat echter noodgedwongen binnen ondergedoken, en moest wel veel nadenken en reflecteren, met weinig tijd voor spel en sport, of ander “vrij buitenleven”. Ze schreef ook letterlijk dat ze vroeger (nog “thuis”, niet schuilend) veel minder nadacht dan in het Achterhuis. Daar zit een wat verhulde, maar aanwezige tragiek.

De Frank familie waren Duitse Joden afkomstig uit Frankfurt am Main, en spraken deels soms nog Duits, begreep ik, naast Nederlands, en Anne had in Amsterdam jaren onderwijs gevolgd.

Ze schrijft goed Nederlands, zelfs wat formeel en vormelijk – met nuance – wat ik wel sympathiek vond, om een of andere reden. Ik vraag mij af: had dat te maken met een ouderwetsere tijd in Nederland – praatte men toen in Nederland gewoon netter en formeler – of met hun Duitse achtergrond, als taal toch formeler dan het Nederlands (ondanks de gedeelde Germaanse taalkundige oorsprong)?

Die “gedeelde Germaanse oorsprong” van Duitsers en Nederlanders maakte de Duitse inval in Nederland – zo vertelde een geschiedenislerares mij ooit – wat gematigder, want Nederlanders waren volgens de Nazi rassenleer “een Germaans broedervolk” (letterlijk zo genoemd in de propaganda), mede-Ariërs, aan de goede kant van de raciale streep. De Joden en zigeuners in Nederland toen echter niet.

De eerste jaren waren nog wel gematigd, maar wat meer verzet, zoals de Februaristaking, leidde tot wat meer disciplinaire maatregelen, duidelijk van een bezetter, in heel Nederland, maar met extra strenge regels tegen Joden (langere “avondklok”, steeds meer plekken verboden), en uiteindelijk hun vervolging en afvoering. Anne’s dagboekbrieven waren van juni 1942 tot augustus 1944, dus spelen in die tijd.

In deze context, te midden van een oorlog met de geallieerden die opmars maakten, schrijft Anne Frank in haar dagboek, zogenaamd aan een fictieve vriendin die ze “Kitty” noemt.

RELATIES EN KARAKTER

Anne bespreekt in haar dagboekbrieven aldus haar relaties en irritaties met de huisgenoten (met andere namen gegeven), het soort gesprekken en ruzies, diners, hoe ze met haar ouders is, werktaken e.a.. Ze heeft een “moeilijke” band met haar moeder, maar lijkt meer affectie voor haar vader te hebben. Er is ook de wat oudere tandarts die in huis kwam “Dussel” (ook een Duitse Jood, eigenlijk Frits Pfeffer geheten) die ze vaak maar een raar, en soms vervelend iemand vond. Vooral toch het speelse gezeur van jonge meiden, en die Dussel vond hetzelfde over Anne. Speelse irritaties - soms wat naarder – maar normaal bij elk samenwonen, vooral als zo dicht op elkaar als in dat Achterhuis.

Kwam Anne als “naar” of “vals” kind over, wat sommige lezers later stelden? Nee, in mijn beleving niet. Ze praatte nogal genuanceerd, vaak zelfkritisch, ook erkennend als ze mogelijk te hard was of overreageerde (zoals op haar snauwende, over-opvoedende moeder), en ze was positief over sommige mensen (helpende Bep), zich vooral beklagend als ze zichzelf naar haar beleving te streng of te kritisch behandeld vond worden. Alleszins menselijk en redelijk. Ik vond haar zelfs té zelfkritisch over haar zelf, te onterecht onzeker.

Dat bescheidene en openlijk “onzekere” en twijfel over zichzelf toegeven, heb ik overigens vaker bij vrouwen dan bij mannen aangetroffen in mijn leven, en is sympathieker dan hoe mannen vaak met hun onzekerheden om gaan: eerder deze overschreeuwen door het af te reageren op anderen, anderen vernederen, de pestkop uithangen, valse agressie, loze competitiviteit, e.a.

Anne was ook “zacht” voor zwakheden van sommigen. Peter, de even jonge zoon van een schuilend echtpaar Van Daan, probeerde ze soms van zijn minderwaardigheidscomplex af te praten over bepaalde schoolvakken die hem minder lagen, bijvoorbeeld, door hem te zeggen waar hij wél goed in is. Dat heeft iets “liefs”. Anders dan wat ze tegenwoordig onder jongeren wel “(player) haters” noemen: mensen die je als een soort politieman alleen aanspreken om je te bekritiseren om wat je fout zou doen, mogelijk ter heimelijke demotivatie.

Wat ik ook leuk aan haar, Anne, vond was de typisch vrouwelijke relativeringen, een soort “bird’s view” die het ridicule van situaties goed weergeeft, wanneer nodig. Mijn moeder kon dat in mijn herinnering ook goed.

UITDAGINGEN

Ook haar “uitdagingen” waren typisch vrouwelijk, en ergens ook wel grappig. Een van mijn broers vond dat de taak van vrouwen in deze wereld is mannen te irriteren en ze (positief) uit te dagen. Eigenlijk als aanmoediging dus. Vrouwen plegen communicatief wat sterker dan mannen te zijn – wel mijn ervaring, althans -, en directer qua gevoelens, dus dat werkt dan ook zo. Zeker bij mannen die zich opsluiten in hun egoïsme, en dat zijn er nogal wat, in elke situatie en cultuur. Vrouwen en meisjes “halen soms toch dingen” uit dit soort mannen, meende dus onder meer een van mijn broers.

Anne Frank was al een paar keer ongesteld geweest – schreef ze -, zich dus ontwikkelend tot jonge vrouw. Ze noemde zichzelf een “bakvis”, en had ook kalverliefdes, terugdenkend aan een jongen met wie ze een tijd “ging”, toen ze nog vrij was, voordat ze moest onderduiken. Ze herinnerde zich zijn “mooie bruine ogen”. Later verplaatste haar genegenheid naar leeftijdgenootje, en mede-onderduiker in het Achterhuis, Peter.

Dit is veelzeggend op meerdere manieren, denk ik. Ook psychologisch. De verhulde tragiek toont zich hier in de “afgesloten” normale ontwikkeling voor vrouwen in vrijheid. Ze had nog hoop dat ze uiteindelijk vrij zou komen, hierbij de oorlogsontwikkelingen – opmars van de geallieerden – hoopvol volgend, samen met mede-onderduikers in het Achterhuis, zoals via de BBC radio. Volwassen Achterhuis-bewoners debatteerden ook over het nieuws.

Tijdens de oorlog nam onrust, maar ook diefstal, in Amsterdam toe en er waren inbrekers in het magazijn (voorhuis), met angst voor ook vinden van de onderduikers in het achterhuis. Momenten van angst, terwijl Anne’s verliefdheid op Peter haar afleiding van al die spanningen leek te geven.

De “verering” die meisjes en vrouwen bij dit soort verliefdheden soms hebben, was er ook bij Anne. Hoewel het niet-autoritair is, voel ik altijd wel wat scepsis bij zoiets. Mannelijke jaloezie van mijn kant: “wat heeft hij wat ik niet heb?”. Dat sluit ik niet helemaal uit, ware het niet dat het eerder realiteitszin dan jaloezie is. Goed en slecht zit in iedereen, en sympathie en aantrekking zijn subjectief.

MAN-VROUW

Ik denk daarbij ook dat die “verering” van een jongen niet echt van binnen komt, maar dat zo’n meisje het slechts zichzelf aanpraat, of doet alsof. Ik kan mij echter vergissen. Hoef je iemand echter echt te “vereren” om je in diegene (verliefd) te kunnen verliezen? Is dat het? Het heeft ook iets ongeëmancipeerds, lijkt het, voor zo’n intelligente, “vrij denkende” meid als Anne

Toch, Anne schrijft er dan soms wel “bakvis”-achtig over, maar toch relatief intelligent en reflecterend, gewoon eerlijk zeggend wat ze voelt.

Later in het dagboek bleek ze trouwens wel degelijk geëmancipeerd te denken, en betreurde ze dat mannen teveel de baas over vrouwen spelen, domineren over vouwen, in meerdere culturen. Toch iets anders dan wat we van sommige Islamieten vernemen. Het gezin Frank was Liberaal-Joods en andere Joden in het Achterhuis zelfs sceptisch over “religie”, wat dergelijke progressieve gedachten denkelijk ook de ruimte gaf. Er zijn anno 2026 nog steeds landen op de wereld waar vrouwen zelfs wettelijk tweederangsburgers zijn, dus Anne’s boodschap is niet achterhaald, en nog relevant.

Ik bleef haar bij het lezen eigenlijk wel sympathiek en grappig vinden, die Anne. Ze beschrijft – in haar dagboek – hoe ze een vagina moet uitleggen aan Peter, die daar volgens haar nog niets van wist. Vroegrijp, haha.

Dat doet ze duidelijk, ‘t vrouwelijke geslachtsdeel beschrijven, zij het wat plastisch. Dat doet mij denken aan hoe het was geweest als ik dit boek wel al las rond mijn 13e jaar, toen ik toch al naar de jeugdbibliotheek ging. Mogelijk het “o, zit dat zo”-effect bij mij, want ik had geen zus of nichtjes dichtbij. Zou niet eens zo slecht zijn, want zoals het hoort: via een meisje en leeftijdsgenootje, al past zoiets niet in alle culturen.

Mijn ouders gaven me in ieder geval weinig seksuele voorlichting, slechts vage waarschuwingen. Dat zal ook wel een cultureel ding zijn: Nederlandse vriendjes van me hoorde ik daar wél over.

Zuid-Europeanen waren daar te preuts voor. Of leken dat, want op Italiaanse en Spaanse feesten vond ik de sfeer vaak “flirteriger” dan op Nederlandse “feestjes”. Anne’s heldere beschrijving van de baarmoeder en vagina had geholpen, haha.

LEERGIERIG

Mogelijk omdat ze uit een bepaalde klasse kwamen (haar grootvader Michael Frank had zich in Frankfurt opgewerkt tot rijk ondernemer), en door andere sociaal-culturele factoren, werd studeren en lezen belangrijk gevonden in het Achterhuis, zelfs met een onzekere toekomst. Anne was zeker ook leergierig, maar ze beschreef ook hoe verschillende mensen in het Achterhuis verschillende interesses hadden. Zijzelf vond talen en geschiedenis het interessants, maar vond algebra niets. Ze wilde ook over andere geloven, en bijvoobeeld het Nieuwe Testament, leren. Een “Alfa” dus, zoals ikzelf ook, trouwens.

Anne bleef ook aantrekkelijk schrijven, over toch een beperkte leefruimte, met wel meerdere mensen. Soms een beetje van een “roddel”-gehalte wat je later ook wel in soap opera’s of sitcoms op TV zag (The Bold and the Beautiful, Friends), maar vaak toch ook dieper, met psychologisch en filosofisch inzicht.

HET JOODSE

Interessant vond ik ook hoe Anne “het Joodse” zag, haar volk. In de huidige tijd van “identiteit” – waar ook wel misbruik van gemaakt wordt – is dat ook wel leerzaam.

Volgens een criticus van het neoliberalisme (wat ikzelf ook ben, maar dat terzijde), zoals (in Nederland) Ewald Engelen, dient de overdreven aandacht voor identiteit sinds ongeveer 1990 om sociaal-economische ongelijkheid te overschreeuwen, die toenam door Neoliberaal (pro-kapitaal) economisch beleid in Europa en VS. Een politieke afleidingstactiek dus via gender, ras, etniciteit, geloof, cultuur, zelfs seksuele voorkeur, etcetera. Als het maar niet over “klasse” en machtsverschil gaat, redeneert Ewald Engelen.

Ik kan deels met Engelen’s analyse mee gaan (gewenste afleiding van klasse), maar de “Joodse identiteit” heeft wat eigen kenmerken. Slachtoffers, maar toch in deze tijd een machtige lobby en invloed op sommige terreinen, zeker in de grootmacht (for better or worse) de VS. Christenen, Moslims, en anderen heb ik weleens horen zeggen over Joden: “ze vinden zichzelf uitverkoren door God, boven anderen, dus ze zijn zelf racistisch..”.

ZIONISME

Ook de vermeende invloed van “Zionisten”, - cynisch Israël ondersteunend via invloed op VS politiek - wordt in de huidige tijd als bovenmatig gezien in alternatieve kringen, niet eens alleen door crypto-antisemieten. Mensen als Kees van der Pijl hebben het over internationale machtslijntjes van “zionisten”, soms gretig gesimplificeerd door gefrustreerde moslims (Palestina), of andere Israël-critici.

In het begin van haar dagboek zegt Anne iets over “Zionisten” die zij kende en waar ze over las, maar wat ze als een wat radicale club afdeed, niet de Joodse mainstream. Van der Pijl stelde zelfs dat Zionisten niet per se Joden hoeven te zijn, wat het wel weer wat “vaag” maakt.

Misschien dat Joden voor hun aantal relatief veel invloed hebben in de wereld, maar ikzelf twijfel over die vergaande invloed van Zionisten in de Westerse wereld. Mijn intuïtie en (inmiddels vergaarde, ook professioneel) historische kennis zegt mij dat “zionistische” macht vooral een rookgordijn vormt voor grotere machten of complotten, meer Angelsaksisch van aard, in deze tijd.

Bankenstelsel, NAVO, Pentagon (etcetera, etcetera). Belangen van die partijen (veelal voortvloeiend uit historische wereldmacht/kolonialisme) zijn veel groter – en aantoonbaarder - dan dat van het relatief kleine land Israël, zelfs als in vijandig gebied (Midden Oosten), en wat rijke Joden die wel invloed hebben, maar slechts meeliftend op die Angelsaksische macht. Dat is mijn analyse.

UITVERKOREN

Elk land komt immers op voor het eigen nationale belang – sommige wat verbetener of met meer middelen, weliswaar. Ik ga nog een stap verder.. Ik denk dat stiekem elk volk zichzelf superieur en “uitverkoren” vindt, niet alleen Joden.

Terugkijkend en –denkend van wat ik allemaal gehoord heb: van mijn ouders, van familie in Italië en Spanje, van Nederlanders hier.. Ik kwam professioneel en sociaal ook veel mensen van andere nationaliteiten tegen, ben naar het Caraïbisch gebied geweest, de taal sprekend (Cuba, Jamaica), en woon ook in het internationale Amsterdam.

Wat ik hiervan leerde?: elk volk vindt zichzelf “uitverkoren”, zij het soms anders verwoord (superieur, “beschaafd”, nuchter, Herrenvolk, o.a.). Spanjaarden tegenwoordig met wat meer relativering (zo ook mijn moeder, die zich toch “gewoon” Spaans voelde, maar met humor en zelfspot).

Historisch “nieuwere” landen als Italië hebben die doorgeslagen trots vaak wat verbetener en humorlozer, merkte ik ook als verschil tussen mijn ouders, die elkaars landen ook bekritiseerden. Ook superioriteitswaan die (nog) steeds politiek-economisch bevestigd wordt (Angelsaksische, bijv, Engeland, VS) verliest helaas wat van die zelfrelativering, merk ik. Denk aan de culturele dominantie van de VS (Hollywood, etc.).

Anne Frank zei daar in haar dagboek iets moois en gevat over, in verband met een gesprek met Peter. Peter fantaseerde over “na de oorlog”, en dat hij dan liever als niet-Joods of Christen bekend stond in Europa, maar toch niet hetzelfde kon zijn want (wij) Joden waren toch het “uitverkoren” volk. Anne reageerde hierop met: ik hoop echter ook dat wij Joden ook voor iets goed “uitverkoren” zijn. Met andere woorden, niet slechts voor vervolging, discriminatie, e.d.

Anne voelt zich ook gewoon Joods, en zeker verbonden met het lang lijdende Joodse volk, dat sterk moet zijn, blijkt uit haar schrijfsels, maar stelt daarin ook het menselijke voorop, verlangend naar een tijd waarin ze gewoon mens en niet ”alleen Joods” was. Dit relativeert toch dat “identiteit als wapen” principe dat sommigen hanteren.

Naar mijn eigen overtuiging is het zo dat je eerst een individu bent, een mens, en daarna gevormd door je cultuur en opvoeding. Wat je daarvan mee krijgt en hoe je daarmee om gaat – plus met andere invloeden - , maakt jou als individu uniek. Niet allesbepalend, maar je kan ook niet zonder (cultuur). Dat is dan jouw identiteit, die echter individueel is. Sommige Afro-Amerikanen beschrijven dit type zelfverzekerdheid treffend met "knowing who you are", dus niet slechts "what" you are. Roots and routes.

Ik heb dat geleerd gedurende mijn leven van nu al zo’n 50 jaar, maar Anne leek dat inzicht reeds al wat te tonen rond haar 14e levensjaar, door moeilijke omstandigheden. Ook daarin toonde ze intelligentie, en ergens ook een “zachte” aard.

VERRADEN EN OPGEPAKT

Ik had eerder via de media al vernomen over de afloop van de Achterhuis ondergedokenen: verraden en in Augustus 1944 door de Gestapo opgepakt en vervoerd naar concentratiekampen – Anne overleed zo’n half jaar later aan tyfus in concentratiekamp Bergen-Belsen, net als haar zus.

Ze zaten zo’n 25 maanden ondergedoken in dat Achterhuis aan de Prinsengracht, te Amsterdam, en werden toch opgepakt.

Dit wist ik al en daardoor kregen de laatste pagina’s van haar dagboek wat extra lading, een extra dramatiek. De Duitsers/de Gestapo haalden ze op op 4 Augustus 1944, Anne schreef haar laatste dagboekbrief op 1 Augustus, dus enkele dagen daarvoor. Over haar innerlijke tweestrijd, aansluitend op haar eerdere zelfreflectie en omgang met haar vader, Peter en anderen. Gewoon, zoals Anne schreef. Nietsvermoedend, en blijkbaar kwam de Gestapo – zoals alle kwaadaardige krachten – bij verrassing, onverwachts voor betrokkenen. Het verrassingseffect geeft immorele, onzekere macht psychologisch extra glans, wat het geweten sust, en voor sadisten prettige zelfbevestiging van hun macht geeft.

Wie Anne Frank en de anderen in het Achterhuis verraadden, is nog steeds niet echt bekend, hoewel onderzocht.

ALGEHELE CONCLUSIE

Niet eens om “politiek-correcte” redenen, maar gemeend, kwam Anne Frank op mij als een sympathiek meisje/jonge vrouw over. Ik zou wel zo’n zusje gehad willen hebben.

Dit in verband met een discussie die ik ooit zag op TV, bij de NPO – ik geloof dat Jeroen Pauw presenteerde – over dat Anne eigenlijk een vervelend kind was – maar “gewoon puberde”.

Dat is te relativeren. Naar mijn indruk en ervaringen was ze relatief leergierig en intelligent en – niet onbelangrijk – zelfkritisch, met zelfrelativering. Een fijne combinatie, die je niet vaak treft. Veel mensen vinden zichzelf relatief intelligent, en in deze “neoliberale” tijden - om met Ewald Engelen te spreken – is leergierigheid maar al te vaak gericht op eigenbelang en economisch gewin. Niet bij iedereen, zeker nog niet bij kinderen van 13-15 jaar oud, maar dat zit in dit systeem.

In dat leergierige herken ik mijzelf van die leeftijd, ook wel in andere zieleroerselen van Anne. Ook begon ik rond mijn 13e jaar met schrijven (verhalen, songteksten, gedichten), zijnde toch een zogeheten “creatief type” (evenals Anne). Ook ben ik meer een Alfa (talen, geschiedenis, kunst) dan bijv. een Beta (technische jongens), zoals ook Anne, die volgens haar dagboek het vak algebra vermeed of uitstelde. Ik had daarentegen klasgenootjes (uiteraard jongens) die wiskunde juist het leukste vak vonden en “kickten” op algebra, wat ik dus niet begreep..

Ook wat verschillen, toch: ik was een jongen (meisjes zijn vroeger “seksueel rijp”), en ik was als tiener ook nogal met voetbal en daarna “coole” muziek bezig (andere jongens: met “techniek”), maar had wel relatief meer die intellectuele, “lees” en “bestudeer” neigingen, ook vergeleken met leeftijdgenootjes, die meer passief gangbare massacultuur beleefden (Mainstream media en amusement, TV, Hollywood).

Een ander belangrijk verschil zat hem juist in dat schuilen, het ondergedoken zitten van Anne, met een aantal mensen, in een beperkte ruimte: het Achterhuis aan de Prinsengracht. De buitenwereld figureert indirect, als herinnering en hoop. Zo’n opgesloten context, met onduidelijke uitkomst, doet dan als vanzelf de nadruk leggen op onderlinge relaties, stelt familierelaties op de proef, voor langere tijd. Tijdelijk maakt iedereen dat mee (krap op elkaar in vakantiehuisje, ruzies die eerder niet ontstonden, samenwonen na LAT-relatie), maar in dat Achterhuis dus uitvergroot en langer.

Alle gesprekken, eigenaardigheden, karaktertrekken, dagrituelen van de mede-onderduikers komen dan dichtbij. Dat maakt dit dagboek uniek, ook omdat Anne Frank goed schrijft, het goed duidelijk maakt: de beklemming, de sleur, naast spanning en hoop.

Je wordt op jezelf terug geworpen, wil het cliché dan, wat ook wel waar is. Ook leer je sommige mensen pas beter kennen bij intensieve omgang, al dan niet noodgedwongen, en ook jezelf. Anne dacht dus noodgedwongen meer na; in de vrije wereld kunnen we meer doen om niet te hoeven denken. Ook een verschil met mij, al woonde ik in een saai dorp: er waren mogelijkheden. Ik kon de deur uit, naar de buitenwereld.

Ongetwijfeld zullen opgesloten criminelen ook wel hun verhaal hebben verteld, maar in een andere context, en vanuit een ander perspectief. Adolf Hitler schreef Mein Kampf ook in (zij het tijdelijke) gevangenschap.

Ikzelf weiger het te lezen, maar ik ken mensen (niet eens neo-Nazi’s, maar wetenschappers) die Hitler’s Mein Kampf hebben gelezen, indirect dus Anne’s moordenaar (en van vele anderen, zoals haar).

Omdat het dus geen Neo-Nazi’s waren praatte ik gewoon met deze lezers van Mein Kampf, en zij vertelden over een “drammerige” toon, vol met ideologie, niets persoonlijks of kwetsbaars “eerlijk” van de auteur als individu, maar zich verschuilend in/achter een rancuneuze ideologie en “strijd”. Duitse, Germaanse superioriteit, (internationale) machten die het Duitse volk tegen werken, etcetera.

Waarschijnlijk om te provoceren zei boekenrecensent Rypke Zeilmaker op het alternatieve internet-kanaal Café Weltschmerz dat Mein Kampf hem qua teneur aan de Quran/Koran deed denken, of andersom, maar omdat hij wilde aangeven dat de Bijbel beter geschreven was.

Niet leuk voor mijn Islamitische vrienden, en mogelijk wilde Zeilmaker de Islam hiermee bashen, maar het onpersoonlijke en anti-individualistische – en een agressieve (en autoritaire!) heilsleer – deelde het heel oppervlakkig nog wel. Zowel de Quran – en eigenlijk ook de Bijbel – en ook Mein Kampf, zijn alle ook nadrukkelijk “mannelijke” boeken. Anne Frank’s dagboek duidelijk meisjesachtig/vrouwelijk.

Illustratief legt Hitler in Mein Kampf de schuld van al het slechte bij “anderen”, maar doet Anne Frank in haar dagboek aan zelfreflectie, en heeft het genuanceerd over goed en kwaad in ieder mens.

Wat de een teveel had, had de ander te weinig, kan een cynische conclusie zijn.

Jamaicaanse Rastafari denker/artiest Mutabaruka betoogde dat heilige boeken als de Bijbel en Koran/Quran door “onzekere” mannen (ook qua vrouwen) zijn geschreven, die dat echter goed verhullen. Dat stond hem tegen, ook al was de Rastafari beweging oorspronkelijk ook deels Bijbels gebaseerd (maar met een “Afro-centrische”/zwarte interpretatie).

Overigens is de wat poëtische Quran iets minder destructief/negatief dan de Hadith overleveringen rond Mohammed (oorlogszuchtiger, nog meer haat.. ook mannelijk dus) die fanatieke moslims helaas ook als richtlijn hanteren.

Hoe het ook zij, loze vergelijking of niet: in ieder geval is Anne Franks’ dagboek een eerlijk, menselijk boek, met een gezonde, individuele, zelftwijfelende insteek van een persoon. Eigenlijk gewoon van een open-minded, lief, intelligent meisje – met vaak goede, menslievende standpunten. Je leert haar plezierig kennen in dit dagboek, ook omdat ze “speels” schrijft.

Daarnaast heeft het dagboek aspecten die het uniek maken: de context (opgesloten in onzekere omstandigheden, in Amsterdam, schuilend, oorlogstijd/tijdsbeeld, Holocaust, etc.). Het woord “beklemming”, kwam in mij op.

Uiteraard had ik Anne een langer leven gegund. Ze wilde, zo schreef ze, schrijfster en journaliste worden, en ze was vast een goede geworden. Ze was het eigenlijk al..

woensdag 2 augustus 2023

Stereotypen

Zijn stereotypen per definitie beledigend? Of kunnen ze “goedaardig” zijn, “onschuldig”, dan wel een “kern van waarheid” bevatten, zoals men over cliché’s zegt?

Het bezwaarlijke van stereotypen is uiteraard de generalisatie. Dat blijft mijns inziens bezwaarlijk, omdat het in zekere zin het indidividu als mens ontkent, en derhalve “dehumaniseert” tot groepslid. Grote woorden, maar in gradaties kun je dat wel zo stellen. Als vooroordelen kunnen ze ook tot discriminatie in de praktijk leiden.

“Alle Nederlanders zijn zuinig”, bijvoorbeeld, bevalt mogelijk niet elke gulle, niet-materialistische Nederland als stereotype, maar is relatief onschuldig. Het is een van die stereotypen die, denk ik, Nederlanders zelf ooit de wereld in hebben gegooid. Het heeft immers iets nuchters en bedachtzaams, evenals het andere stereotype dat Nederlanders “nuchter” zouden zijn.

Minder onschuldig zijn generaliserende stereotypen als “Marokkanen zijn agressief”, of “Surinamers zijn lui”. De inzet is namelijk al negatief. Een opgefokte Marokkaan die dat bevestigt kun je zo sneller dehumaniseren, en een uitkeringstrekker die het wel prima vindt zo en liever niet werkt, en toevallig Surinaams is, krijgt wat meer kritiek dan een autochtone Nederlander die nog luier leeft: omdat hij niet “van buiten” komt, natuurlijk.

TOESLAGEN-AFFAIRE

Dat laatste bleek des te minder onschuldig, omdat tijdens de Toeslagen-affaire in Nederland bleek, dat de Nederlandse overheid (eventuele) uitkerings-/bijstands-fraude specifiek meer bij bepaalde etnische (minderheids)groepen ging controleren. Dit is net zo racistisch als het klinkt, maar ging zelfs uit van de premier Mark Rutte, als eindverantwoordelijke. Het betrof onder meer Somaliërs, die extra controle kregen op fraude. Later volgde daar een juridische reprimande op – zij het halfhartig -, en werd Mark Rutte zelfs formeel veroordeeld voor racisme. Rutte’s populariteit bleek echter onverminderd: vele verarmingen van volksdelen, leugens, lockdowns en avondklokken later. Vraag me niet waarom..

Je trof zelfs de nodige gecorrumpeerde – of op zijn minst: verwarde - dwazen aan – vooral ter “nep” linkerzijde - die quasi- of selectief verontwaardigd deden over de toeslagenaffaire (al dan niet terecht), maar Rutte en het kabinet in alle andere (inmiddels aantoonbare) onzin bleven steunen, inclusief de loze, op totaliarisme gerichte corona-hype/pLandemie, de verhulde Navo/militair-industriële belangen bij oorlog in Oekraïne, en de door Shell bedachte klimaat-milieu wisseltruc. Maar dat terzijde..

Het stereotype van de feestende Somaliër (of Antilliaan, of andere etnische minderheden) van “ons” belastinggeld, opgebracht door hard werkende nette Nederlanders, speelde bij deze toeslagenaffaire in ieder geval een rol.

“POSITIEF”

Stereotypering is generalisatie en derhalve versimpeling, en misschien ook al te menselijk, kun je redeneren. Zoals mensen (wereldwijd) wel meer – ook racistische en seksistische - onzin denken en praten, gebaseerd op frustratie en te weinig kennis. Zijn ze echter, nogmaals, altijd beledigend of verkeerd? Je hebt weliswaar ook positieve stereotypen, of die dat lijken, over volkeren, waar een zeker wantrouwen op zijn plaats is: “Joden zijn slim”, om maar wat te noemen, of “Latinos’s feesten graag”, “zwarte mensen kunnen goed dansen”, “Indiërs zijn goed met computers”, etcetera..

Sommigen zullen denken: deze hebben een kern van (zij het versimpelde) waarheid, maar ze zijn alleen quasi-onschuldig.. Ik denk namelijk niet dat de mensen uit die etnische groepen zelf deze stereotypen bedacht hebben, wat ik bij (vaak Europese) mensen wel denk: Nederlanders zien zichzelf graag als zuinig en nuchter, Engelsen als koel en flegmatisch, Italianen zichzelf als gepassioneerd.. Ze vinden het ook ego-strelend om dat van anderen te horen. Zelf-beelden zijn per definitie “coole beelden”, zeg maar.

Stereotypering heeft derhalve, betoog ik, nare en dubieuze, zelfs discriminatoire kanten. “Reducerend” , en het woord “ontmenselijkend”, schuw ik zelfs niet. Het reflecteert onvermijdelijk de ongelijke machtsverhoudingen in deze wereld. Aan de andere kant heeft het – althans: de aandacht voor stereotypen -, betoog ik tegelijkertijd, menselijke en leerzame kanten. Soms ook grappige kanten.

BINNEN EUROPA

Stereotypes binnen Europa kunnen ook als onterecht ervaren worden, maar zijn soms grappig. Grappig, puur door de menselijke behoefte aan bevestiging bij twijfel en onzekerheid, aan simpele, overzichtelijke categorieën. Een zwakke behoefte, toegegeven, maar de mens is nu eenmaal zwak. Dit bleek immers ook bij allerlei politieke manipulaties van “het volk” door de geschiedenis heen. Dat “zwakke” hoeft echter niet altijd (bedoeld) “slecht” te zijn: en eigenlijk net zo flexibel als de menselijke geest.

CASE STUDY

Ik zal al deze aspecten nu nader bestuderen aan de hand van een case study van persoonlijke aard. Als halve Spanjaard (Spaanse moeder) en Spanje als land goed kennende (en de taal sprekend), en opgegroeid in Nederland, met ook nog een Italiaanse vader, kwam ik onvermijdelijk stereotypes over Spanje tegen, en reacties van Spanjaarden erop, die ook weer hun stereotypes hadden.

DAT ZIJN NOU TYPISCH SPANJAARDEN

Ik heb daar pas wat over gelezen, zoals het grappig bedoelde, informatieve boek: ‘Dat zijn nou typisch Spanjaarden: gids voor xenofoben’, uit 1994, vertaald uit het Engels, maar ik las het in het Nederlands. Drew Launay, een Engelsman met Franse ouders, schreef het. Het is met zo'n 63 pagina's niet al te omvangrijk.

De titel verraadt al de zelfspot en –relativering, wat ik wel waardeer. Hier geen mensen aan het woord die pretenderen de wijsheid over Spanjaarden in pacht te hebben: ze willen gewoon grappig, luchtig generaliserend over de Spaanse cultuur schrijven, in een niet al te serieus “informatief” boekje. Humoristisch bedoeld ook.

In dezelfde serie verscheen ‘Dat zijn nou typisch Grieken’ of ‘Dat zijn nou typisch Fransen’. In het vervolg kort ik het boek over Spanje in ieder geval af tot DZNTS.

Wat betreft Spanje, voel ik minder afstand en kan me dus ook in theorie “beledigd” voelen door zo’n flauw boekje. Ik kan ook dingen “herkennen” of (rationeel) als juist of onjuist zien.

ASTERIX

Erg oppervlakkig ben ik niet, en ben o.m. historisch onderlegd, dus zal de stereotypes ook breder kunnen duiden. Dit deed ik zelfs met een ander, evenmin erg serieus, maar wel “informatief” boek met stereotypes over Spanje voor het grote publiek: ‘Asterix in Hispania’, ouder, uit 1967. Ook hier: gelukkig speels, humoristisch, en relativerend, en als kind was ik eigenlijk een fan van Asterix de Galliër. Leuke verhalen, zonder dat ik me onderworpen voelden aan racistische propaganda. Bij Kuifje en Suske & Wiske had ik dat idee wel, zelfs als kind, voelde ik bezwaren (Afrikanen met dikke lippen en kookpotten). Het Belgische geweten en de verhulde schaamte rond de koloniale misdaden in Congo, werden hier vals duidelijk.

De geschiedenis toegankelijk gemaakt, zo zag ik Asterix stripverhalen eigenlijk. Belgen, Goten (Scandinaviërs) en Britten (of hun voorouders in de Romeinse tijd) dronken toen al veel bier. Bier drinken heeft ook een lange geschiedenis in Noord-Europa (want het bestanddeel hop groeit daar, niet in Zuid-Europa), dus historisch feitelijk.

Galliërs, belangrijke, Keltische voorouders van de huidige Fransen, hielden toen al van lang tafelen, met een wijntje erbij, Romeinen praatten met hun handen (samengebalde vingers) als huidige Italianen, etcetera. Stereotypes, maar ook grappig.

BELEDIGEND OF GRAPPIG?

Vond ik dat ook gelden voor Asterix in Hispania? Kon ik er om lachen, als halve Spanjaard?

En om dat andere boekje DZNTS ook?

Het antwoord is ja. Om weinig was ik persoonlijk beledigd in relatie tot mijn waarden. De beschreven “stereotypen” in beide boeken waren toevallig in mijn beleving ook niet negatief, dat scheelt. Als er een negatieve trek als “gewelddadig” of “ongemanierd” gegeneraliseerd zou worden, zou ik wel wat bezwaren hebben. Ik vind Spanjaarden in het openbaar iets beleefder dan dat deel van Nederland dat ik goed ken (Randstad), dus zou ik ook een onterechte karakterisering vinden.

Zelfs het hardnekkige stereotype van het grotere “racisme” van Spanjaarden – meerdere mensen spraken erover dat Spanje lang “de rednecks” van Europa waren, omdat een term als “negro” (letterlijk: “zwarte”) voor een voetballer openlijk en direct geuit wordt – klopt denk ik niet.

De multiculturele, stedelijke samenleving die we kennen van Amsterdam, Londen, of Parijs, kwam evenwel wat later (en beperkter) naar Madrid en Barcelona. Dat verklaart het verschil. Landen als Nederland en Engeland hadden derhalve meer tijd om een “subtiel” indirect racisme te ontwikkelen ten opzichte van mensen die er nu eenmaal zijn (maar wel hun plaats moeten weten). Grotere groepen van “je eigen mensen” maken ook dat je in een “bubbel” met je eigen mensen kunt blijven, dus ook minder last hebt van negativiteit van de autochtonen: je hoeft minder contact met ze te hebben. Zo simpel is het. Spanje had dat eerst minder, dus iets meer (openlijk) ongemak.

Het boekje DZNTS (uit de jaren 90), stelt dat het moderne Spanje (na de dictatuur van Franco) inmiddels op zich niet xenofober is dan andere Europese landen, ook omdat het open naar de wereld ging, mede door toerisme, en migratie wat normaler is geworden.

STEREOTYPEN OVER SPANJE

Welke stereotypen onderscheiden Spanjaarden dan wel van andere Europeanen, volgens datzelfde boekje (en Asterix In Hispania, dat in 1967 verscheen)?

Dan werd het grappig: ik moest soms ook echt lachen om de droge toon. “Alles moet leuk zijn” voor een Spanjaard, en werk is een "noodzakelijk kwaad", is de rode draad in het boekje DZNTS. Nogal wat anders dan het ernstige, protestantse arbeidsethos dat andere delen van Europa (waaronder Nederland) beïnvloedde.

Het woord “negocio” voor “zaken” (business) in het Spaans komt, veelzeggend genoeg, van “neg” (niet/afwezig) en “ocio” (vrije tijd): “niet vrije tijd” (negocio) dus tegenover het Engelse “drukheid” (business). Cultuurverschil.

Spanjaarden praten veel en lang, stelt het boekje voorts bewust overdrijvend. Daarnaast, ook overdreven stellig: Spanjaarden “plannen” niet graag, en als er een afspraak is, wordt die makkelijk vergeten of vervangen door iets dat “leuker” is op dat moment (een gesprek, bijv.). Zo’n overdreven stereotype met een (kleine) kern van waarheid, denk ik.

Albert Helman (Lou Lichtveld), een Surinaamse Nederlander die verslag deed van de Spaanse Burgeroorlog in 1936, beschreef die neiging als “nonchalance met betrekking tot organisatie” en als inderdaad terugkerend, ook in een situatie waar dat ongunstig uit kan pakken, en organisatie vereist is, zoals in de strijd tegen de veel beter getrainde en geëquipeerde troepen van de couppleger Generaal Franco: een modern, professioneel leger, zogezegd, bijna on-Spaans. Dat anarchistische vertaalde zich in Spanje in bepaalde episoden ook in politieke bewegingen, ook tijdens die Burgeroorlog aan “Linkse”, Republikeinse kant. Dit kwam helaas de effectiviteit niet ten goede, en de gedisciplineerde, getrainde militair Franco maakte daar uiteraard misbruik van, om de oorlog door zijn coup te winnen (wat hem lukte in 1939).

Dat vrijheidslievende/anarchistische, ongeplande, heeft historische voorlopers in de Spaanse geschiedenis, met geconcentreerde Romeinse troepen in steden, maar anarchie erbuiten, en de lang durende (met tussenpozen) strijd tegen de Moorse, Islamitische overheersing, met langzame “herovering” van Christenen vanuit het noorden, maar met veel “niemandslanden” en bovendien veel interne verdeeldheid binnen het Moorse deel, dat vaak ook een “strakke regie” miste. De eerste eeuwen van Moorse overheersing werd de Islam ook weinig dwingend opgelegd.

VOLKSAARD

Dit alles droeg bij aan wat je een Spaanse “volksaard” kan noemen. Een bekend begrip, maar bestaat dat wel: een “volksaard”. Is het niet een verzameling stereotypen, dus te generaliserend?

Ik denk wel dat culturele patronen zich geografisch kunnen concentreren of beperken vanwege een bepaalde geschiedenis, in combinatie met natuurlijke omstandigheden. Spanje is een van de bergachtigste (na Zwitserland en Oostenrijk), en droogste landen van Europa, deels onherbergzaam, met een centrale hoogvlakte rond bergketens.

Lijkt toch iets moeilijker te organiseren en tot welvaart te brengen dan de groene polders met sloten, zoals in Holland, of zelfs de vruchtbare Po-vlakte in het welvarende deel van Italië.

“Plannen” gaat in zo’n ruig landschap wat moeilijker, en gecombineerd met chaotische episoden met autoritaire regimes, afgewisseld met weinig strakke, centrale regie en planning, in de Spaanse geschiedenis, ontstaat dan vanzelf een wat anarchistische, niet-plannende, ongeorganiseerde levenshouding.

ZEDEN

Ook het Franco regime (1939-1975), hoewel een dictatuur, was niet zo totalitair zoals hardliners rond Franco eerst wilden. Het botste op de Spaanse en Latino cultuur. Hoewel moordpartijen in de vroege dictatuur, wat extra wetten, en simpelweg veel politie en militairen op straat, het Spaanse volk wel degelijk intimideerde. Er was een katholieke invloed in de Rechtse dictatuur (verder gemengd met fascistische elementen), dus die nieuwe wetten waren deels zedelijke wetten, die een beetje zoals in Iran vooral “vrije” vrouwen en seksualiteit/genotzucht moesten inperken (vrouwen mochten niet fietsen, geen strakke kleding dragen, lang geen broeken voor vrouwen), naast bijvoorbeeld niet zoenen in de openbare ruimte, of al te vrije feesten/samenkomsten op straat.

De belangrijke avenues en pleinen in steden als Madrid en Barcelona die alle toeristen wel kennen (Plaza de España, Plaza Mayor, Puerta del Sol, Callao, las Ramblas, Plaza de Cataluña), waren tijdens de dictatuur gevuld met politie en militairen (of guardias civiles).. ter controle. Dit nam aan het einde van de dictatuur (vanaf ongeveer 1968) wat af.

Anekdotisch bewijs, ook binnen mijn eigen familie, toonde echter aan dat de wetten niet overal even strikt werden aangehouden, tenzij er een politie-agent in de buurt stond, en zelfs dan (als bevriend) was er flexibiliteit (oogje toe, deze x geen boete of arrestatie), kon je geluk hebben: op zijn Latijns dus, en Spaans “informeel” dus. Zoenen op straat bleef wel verboden, zoals mijn Spaanse peettante (vriendin van mijn moeder, al in Spanje) in Madrid onder Franco ondervond, toen ze zoende op straat met haar nieuwe, Nederlandse vriend, en een politie-agent haar vermaande. Mijn moeder stond hierbij.

Hoe dan ook, na Franco’s dood in 1975, kregen alle typisch Spaanse neigingen tot vrij, ongeorganiseerd leven weer alle ruimte, zo geeft het boekje DZNTS ook aan. Ook de seksuele moraal in het dagelijkse leven in het moderne Spanje, wordt er gekarakteriseerd als “los”, en seksuele lust als normaal en geaccepteerd, voor mannen en vrouwen. De auteur(s?) relateren dat interessant genoeg aan het relatief wat minder voorkomen van zware zedenmisdrijven, dan in samenlevingen met meer religieuze repressie. Juist tegenovergesteld dan preutse autoriteiten beweren, dus.

In een ander boek dat ik las, over een ander deel van de wereld (niet-Islamitisch, Sub-Saharaans Afrika) werd vreemd genoeg hetzelfde gezegd: minder zedenmisdrijven dan elders door lossere seksuele moraal, dus minder frustratie. De in de media nogal uitvergrote verkrachtingen tijdens oorlogsgeweld in Congo – die overigens ook plaatsvonden tijdens de Tweede Wereldoorlog, en de recente Joegoslavië-oorlog – spraken dit echter tegen, en bevorderden helaas weer een ander hardnekkig (eigenlijk ook onjuist) stereotype over Afrikaanse mensen.

Om een cultuur echt te kennen, moet je erin zitten, blijkt hier maar eens uit. Anders krijg je, inderdaad, stereotypen, generalisaties, en vooroordelen.

Het boekje ‘ Dit zijn nou typisch Spanjaarden’/DZNTS noemt voorts een relativering van geld en carrière als middelen en niet doelen op zich: het moet vooral “leuke” doelen hebben (feesten, familie, opscheppen) en dient geen arbeidsethos op zichzelf. De natuurlijke omgeving – de familie - wordt meer als geluksbron gezien in Spanje dan rijkdom door werk, wat zelfs nog iets “verlichts” lijkt te hebben ook. Dit lijkt dan een “positief” stereotype.

NEOLIBERALISME

Wel verfrissend in dit neoliberale tijdsgewricht, en tegelijkertijd aantonend hoe “angelsaksisch/protestants” dat neoliberalisme (moderne VS kapitalisme) in feite is. Dit verklaart ook de financiële (begrotingsdiscipline) conflicten in de EU tussen Noord- en Zuid-Europa. Spanjaarden hebben zich een beetje aan dat neoliberalisme aangepast, is mijn indruk, maar niet heel sterk. Het informele en ongeorganiseerde, en de voorkeur voor plezier en “natuurlijke relaties” boven werk, is wat beperkt, soms even gaan slapen, maar zeker niet dood.

Veel armere mensen “moeten” in Spanje zo’n 40 uur werken, zoals overal, om rond te komen, maar een cultureel aspect wat in Spanje wat sterker is dan in, zeg, Duitsland of Nederland, is dat het ook als “moeten werken” wordt ervaren. Als het even kan dus “vermeden”, evenals (strakke) “planning”, want “niet leuk”. De siësta – lange middag-pauze – waar Spanjaarden koppig aan vast blijven houden, maar ook past bij het warme klimaat, dient naar mijn idee ook als tegenwicht tegen “moeten werken”.

Ook de vele patroonsfeesten op de Spaanse kalender, en vele dorpsfeesten, geven die voorkeur voor “feesten” aan, inclusief dansen en zingen.

De latere en gebrekkige industrialisatie, en de gebleven connectie met “het (platte)land”, deelt Spanje met Ierland, inclusief de neiging tot feesten en plezier (naast werk). In de westelijke helft van Europa, zijn dat om die redenen ook de landen met de relatief rijkste “volksmuziek” (Ierland en Spanje). Helaas deelt het ook de conservatieve katholieke traditie, inclusief reactionaire perioden.

Volgens het boekje ‘Dat zijn nou typisch Spanjaarden’ is ook de rol van de katholieke kerk in het dagelijkse leven van moderne Spanjaarden inmiddels sterk verminderd. Nu niet veel anders schat ik in, dan pakweg het huidige Frankrijk of Zuid-Nederland. Tenzij het een aanleiding voor patroons- of andere feesten zijn, want dat vinden Spanjaarden – daar is het weer – “leuk”.

Over de Franco-tijd zegt dit boekje het volgende: “toen Franco nog leefde deed hij erg zijn best om de Spaanse bevolking onder controle te houden, maar hij slaagde er niet in het Spaanse vermogen tot plezier maken aan banden te leggen. Hij kon de Spanjaarden alleen maar een aantal jaren iets minder gelukkig maken”.

Leuk verwoord, en tegelijkertijd verwijzend naar de verborgen werkelijkheid achter het “achterlijke”, conservatieve imago Spanje had, elders in Europa in de jaren 60 en 70 (1960-1975), en wel daarna.

Mensen als mijn moeder en andere Spaanse migranten naar bijv. Nederland in de jaren 60, “vluchtten” veelal, minstens economisch, maar vaak ook politiek. Spanje bleef economisch achter, kreeg geen Marshall-hulp na de Tweede Wereldoorlog, en Franco werd door sommige landen geboycot, hoewel deels alleen in naam. Er vonden wat pogingen van “nationale zelfvoorziening” plaats, die veelal mislukten door zelfoverschatting, en eigenlijk ook de lage industrialiseringsgraad en technologische achterstand.

Wat mijn moeder het meest waardeerde toen ze in Nederland kwam rond 1966, zo vertelde ze mij, was niet de welvaart, de betere economie met beter betalende banen (ook voor haar), nee.. dat benaderde ze meer met de houding van “a woman’s gotta do what a woman’s gotta do” (ze stuurde, zoals andere migranten uit arme families, ook geld van haar loon naar Spanje, naar haar moeder). Ze sprak vooral de waardering uit voor het respect dat ze ontving als werknemer (bloemen op de eerste dag als “chamber maid” in een hotel in Zandvoort, bezit van de rijke Amsterdamse Caransa familie).

In het harde fascistische Spanje van toen, werd ze als werkzoekende, voor slechtere banen, als zeurende zwerver behandeld, dan wel als sloof, dus meer botte, cynische afhankelijkheid zonder respect.

Behalve dat, waardeerde ze ook de formele beleefdheid en behulpzaamheid op meer plekken in Nederland, en de vrijere samenleving en bijeenkomsten, ook voor jongeren.

Dit lijkt los te staan van het begrip “volksaard”. Hier heeft de politieke situatie invloed, autoritair regime of democratie.

Iedereen, ieder mens, wil vrijheid en plezier maken. Hoe die vrijheid en dat plezier ingevuld worden kun je “cultuur” noemen. Een mooi, vaak complex iets, maar vaak versimpeld in “stereotypen”. Soms is dat denigrerend (of afgunstig?), soms humoristisch bedoeld, zoals in het boekje DZNTS dat ik hier bespreek.

Dit boekje bevat verder grappige one-liners over die “volksaard” als:

“Van systemen verwacht men in Spanje meestal niet dat ze functioneren”, of:

“De Spanjaarden drinken niet om hun remmingen los te laten, want die hebben ze niet”,

“Stilte werkt Spanjaarden op de zenuwen. Dat is ook de reden dat het Spaans niet gewoon gesproken, maar naar elkaar geschreeuwd wordt”, en deze:

“Spanjaarden laten zich weinig gelegen aan regels – want regels zijn niet leuk”.

Dit laatste citaat herhaalt nogmaals het “niet willen plannen” of “niet aan tijd willen denken” en het vermaak-zoekende als stereotypen. Een soort rode draad door dit boekje, DZNTS.

Nogmaals, niet echt negatieve stereotyperingen, en als overdreven of onjuist, dan toch te grappig verwoord om echt beledigend te zijn. Ze worden zo gerelativeerd.

ASTERIX

Ook in de Nederlandse Wikipedia-pagina over het begrip ‘stereotypes’ worden de stripverhalen Asterix de Galliër genoemd als milde, amusante hanteringen van stereotypen. Ook visueel, heel goed en treffend getekend, door de soms geniale illustrator Uderzo.

De tekeningen zijn zo leuk, de verhalen en humor erin zo speels, dat je vergeet dat veel van het verbeelde stereotypen zijn. Wederom: meer grappig dan beledigend.

In Asterix in Hispania (1967), komen alle cliché’s langs: het hete klimaat, Don Quichot, de vele feesten, stierenvechten, Flamenco en zigeuners, olijfolie, alsmede slechte organisatie en traagheid. Daarnaast ook aspecten als “trots” en “eer”, en het bekende vurige temperament. In de chaotische organisatie en in het vele feesten en dansen in het Asterix in Hispania verhaal worden de stereotypen uit het boekje DZNTS nogmaals bevestigd: vermaak-gericht, en niet willen plannen, traag- of luiheid.

Met mijn kennis van geschiedenis kan ik natuurlijk wat bezwaren aantekenen en correcties plaatsen: de Hispaniaanse mensen in het Asterix boek over de Romeinse tijd, zeggen voortdurend, cliché-matig “Olé”, terwijl die term uit het Arabisch komt (Moorse overheersing), zo’n 6 eeuwen later dus. Net als het Castiliaanse woord Ojalá (betekent: “laten we het hopen”, “hopelijk”) verwijst het naar God (Arabisch: Allah), bij God’s wil, prijs God, dat idee. Een van de vele Arabische leenwoorden in het Spaans (Castiliaans) om historische redenen. “Olé” als term gebruiken huidige Spanjaarden als uitroep wel veel: een beetje in de betekenis zoals zwarte Amerikanen “right on!” gebruiken – positieve bevestiging, dus, dus dat stereotype heeft wel iets van waarheid.

Om diezelfde historische redenen is de opmerking van iemand in het Asterix boek dat “we” (Spanjaarden) “van Grieken afstammen”, simplistische onzin. In de loop der eeuwen is het DNA van Spaanse mensen nogal vermengd, en bovendien verschillend per regio. Romeinen en Moren (Berbers, Arabieren) droegen eraan bij, maar ook eerder Kelten, Feniciërs (een proto-semitische taal sprekend), Carthagers (dat verhaal van Hannibal speelde deels in Spanje), Basken en hun voorouders, Iberiërs, Westgoten, Vandalen, Joden, en weinig Grieken. Daarnaast ook mensen die er al woonden toen de Feniciërs zo’n 1200 vóór Christus de eerste stad in Spanje stichtten (het huidige Cádiz, in Andalusië), van onduidelijke etnische origine.

DNA

Hoe dan ook, serieuze, wetenschappelijke DNA-studies sinds de jaren 1950s (toen DNA-studies eerst opkwamen), laten niet overtuigend één belangrijkste etnische voorouders van de huidige Spanjaarden zien, alleen een beetje bij de Basken. Andere landen in de wereld hebben dat wat meer (een dominante groep - nooit enige - voorouders), maar Spanje is veel gemengder. Zelfs de inquisitie bleek niet al te succesvol (te "Spaans" gepland?) en aardig wat in naam bekeerde Joden bleven uiteindelijk toch in Spanje (toch ruim 40% van hen). "Keltisch" DNA in Spanje wordt geschat op zo'n 30% (Portugal iets meer), geconcentreerd in het Noordwesten, maar "Germaans" DNA maar op zo'n 5%, "Berbers" DNA al met al op minstens 10%, maar dit alles is soms moeilijk te meten, onderzoekstechnisch gezien: Westgoten spraken een Germaanse taal, maar waren gemengd met Slaven, en Semitisch DNA kan ook van eerdere Feniciërs komen en niet alleen van Joden of Arabieren, Romeinen stuurden soms soldaten van Gallische of Griekse afkomst. Etcetera, etcetera.

Verder vind ik DNA-studies vanuit historisch perspectief wel een interessant studieterrein, overigens pas historisch ontwikkeld na de dwaze rassentheoriën van de Nazi's. Het had die Nazi-onzin mogelijk wat gerelativeerd, hoewel voorspelbaar de landen met Germaanse talen inderdaad wat meer Germaans DNA hebben.

Misschien neem ik het allemaal te serieus, kun je betogen, want het is grappig bedoeld. Asterix – gericht op kinderen – heeft echter ook wel een educatieve functie.

Wat ik inderdaad niet te serieus moet nemen, in dit geval, zijn de stereotypen in Asterix in Hispania, en evenmin die in het eerdergenoemde boek DZNTS. De auteurs relativeren zichzelf al, en daarmee hun stereotypen. Dat maakt het minder denigrerend of kwetsend.

STAND-UP COMEDY

Hetzelfde zie je bij veel stand-up comedy, zowel in Nederland als daarbuiten. Vooroordelen en stereotypen bespreken – en er grappen over maken – is in dat genre erg gangbaar, soms zelfs de norm. Richard Pryor en Eddy Murphy deden dat al goed en grappig, niet zonder zelfspot. Je hebt verschillende soorten humor, uiteraard, en ik schreef daar een eerder blog artikel over. Humor kan ook verschillende functies hebben, deels ook nare en ideologische: stereotypen bevestigen, volkeren denigreren en uitsluiten. De “blackface” traditie in de VS en deels in Europa bijvoorbeeld, humor tegen Joden (cartoons in Islamitische landen), en andere racistische grappen, zonder enige zelfspot en relativering. Dit is meestal “sarcastisch” van aard, waardoor ik niet zo positief ben over “sarcastische” humor, zoals anderen.

Nederlanders vinden zichzelf sarcastisch, en Amsterdammers helemaal. Tenzij ze het woord verkeerd gebruiken en “ironisch” bedoelen (een gangbare fout), zou ik iets anders zoeken. Humor kan situaties en wereldlijke onzin leuk relativeren en in een ander perspectief plaatsen, zonder dat je mensen persoonlijk, laag-bij-de gronds, per se hoeft te vernederen. Iets van zelfspot en zelfrelativering (als karaktertrek niet zo sterk ontwikkeld bij Amsterdammers) zou al helpen. Als er iets is wat ik bij Spanjaarden iets sympathieker vind dan bij Nederlanders (ik ben het allebei, in feite) is dat Spanjaarden meer zelfspot hebben.

Veel stand-up comedy, ook in de VS en Groot-Brittannië, en zelfs in het sarcasme-rijke Nederland, is goed en grappig omdat het die zelfrelativering, die zelfspot wel heeft. De eigen mening wordt niet zo bloedserieus genomen, en bescheiden genoeg wordt niet verhuld dat het vanuit een eigen, beperkt perspectief is. Niet al te serieus te nemen, en daardoor prettig. Geen “bully-achtige” metaforische “hand tegen de keel” waardoor je niet kunt ademen en in een hoek gedwongen wordt, zoals een keiharde racistische grap die je op straat in Amsterdam soms keihard kan overvallen.

Zelfs de meest met stereotiepen spelende delen van deze comedy van mensen als Eddy Murphy, Richard Pryor, en latere goede, succesvolle comedians als Lenny Henry, Dave Chappelle, Katt Williams, Russell Peters, Sarah Silverman, waren niet zo denigrerend als ze leken (over blanken die niet kunnen dansen bijvoorbeeld). Het zijn meer begrijpelijke observaties over cultuurverschillen. Geen wetten van Meden en Perzen.

Ze hoeven niet in alle gevallen waar te zijn, zoals de Nederlandse zuinigheid, en in Spanje noemen ze Catalanen “zuinig”, mijn moeder noemde Italianen “jaloers”, etcetera, maar de manier waarop het gebracht wordt – met “zachte” humor - , maakt dat relatieve, betwistbare eigenlijk al duidelijk.

HOLLYWOOD

Stereotiepen en het verwante cliché’s vind ik wel negatiever uitpakken in Hollywood-films. Deze zijn nog veel invloedrijker dan stand-up comedy, met name de laatste decennia. Ze zijn wereldwijd populair, gericht op vermaak en spektakel, maar drijven toch vaak op cliché’s en een (soms verhulde) pro-VS bias. Zelf-beelden zijn altijd “coole” beelden, zei ik eerder, dus ook hoe de VS gepresenteerd wordt in Hollywood films uit de VS. Orde, rationaliteit, en democratie in de VS, gekken en chaos daarbuiten, al te beginnen in Mexico.

Dat is soms subtiel, omdat politiek-correcte stromingen direct racisme in een kwaad daglicht stelden, sinds de 1970s met name, maar het is er nog steeds. Heel toevallig – of eigenlijk niet – sloten en sluiten ze ook heel goed aan bij het buitenlands militair/politiek beleid van de VS, met invallen in Iraq en Libië en zo, veelal gericht op eigenbelang. Britse films en series hadden lang datzelfde pro-imperialistische euvel.

Ook de African Americans lijken dan wel een plaats te hebben in vele Hollywood-films, net zoals sommige “token” Latino’s, maar in veel films worden toch negatieve stereotiepen over zwarten en Latino’s eigenlijk bevestigd. Ook in populaire, invloedrijke films die vanuit het zwarte perspectief lijken uit te gaan, zoals in Boyz In The Hood.. Er zullen ook wel wat mooie, menselijke, universele aspecten in zulke films zitten, maar ook veel “vieringen” van een minderwaardigheidscomplex en een laag zelfbeeld. Jezelf reduceren tot een groepslid, een stereotype.

Met name kwetsbare jongeren, met een beperkt referentiekader, worden daardoor beïnvloedt, ook in Europese steden, denk ik. “Gangstertje spelen”, zeg maar, als de enige “zwarte” film die je keek Boys In The Hood was. Hadden ze beter Spike Lee-films kunnen kijken.

Stereotiepen kunnen dus op verschillende manieren gevaarlijk zijn. Zowel bij minderheidsgroepen zelf in het gedrag, maar uiteraard ook in verband met machtsverschillen, als een witte werkgever mensen onterecht discrimineert voor een baan (niet aannemen/uitnodigen) vanwege niet een individu maar alleen een (in potentie irritant) groepslid ziet, of als een overheid in een Europees land raciale, etnische minderheden strenger gaat controleren op bijstands-/uitkeringsfraude dan de eigen mensen, en dat nog geaccepteerd wordt ook (de Toeslagen-affaire).

Onschuldig is alleen de relativering, en daarmee betwijfelen van die stereotiepen, soms juist door ze te benoemen en uit te vergroten. Met goede, positieve humor, zeg maar.

In gradaties zit dat in zowel dat boekje, Dat Zijn Nou Typisch Spanjaarden, waar ik het over had, de Asterix-strips, en in de betere (stand-up) comedy. Het gaat toch om de intentie. Lachen om cultuurverschillen maakt de wereld denk ik ook leuker en interessanter. Mijn ouders deden niets anders, zelfs die van de eigen echtgeno(o)t(e).

Het is daarnaast historisch leerzaam om te onderzoeken hoe die stereotypen zijn ontstaan..

CONCLUSIE

Tja, welke conclusies kan ik hier verder nu uit trekken? Kloppen de grappig weergegeven stereotypen over Spanje in de genoemde werken, naar mijn ervaring, ook met familie?

Laat ik zeggen dat ik deels meen te herkennen wat ze bedoelen te zeggen. Qua gebrek aan planning en aversie tegen kloktijd zijn er ook volkeren “in de tropen”, zoals Latijns-Amerika waarvan dat nog veel meer gezegd wordt, als stereotiep, maar in ieder geval in vergelijking met andere Europese landen geldt dat vaker te laat komen en mindere planning van Spaanse mensen wel. In Cuba bijvoorbeeld, evenals in Jamaica, was een kloktijd-afspraak veelal een “vage indicatie”, ervoer ik op beide eilanden. Het gericht zijn op feesten en liever niet willen werken, ben ik inderdaad bij veel Spaanse mensen min of meer schaamteloos tegen gekomen.

Echter: ook wel (in mindere mate) bij bijvoorbeeld Nederlanders of Italianen, met name levenslustige vrouwen, wat ik leuk vond. “Girls just wanna have fun”. Niet iedereen is een robot. In meerdere mate trof ik die feest-neiging boven werklust zelfs bij Cubanen en Jamaicanen. Spanjaarden zijn er misschien iets schaamtelozer in om dat toe te geven, en dat beantwoordt aan een ander stereotype in het boek ‘Dat Zijn Nou Typisch Spanjaarden’/DZNTS: dat Spanjaarden nogal “informeel” zijn in omgangsvormen.. lees: direct, ongefilterd.

Sociologisch en historisch wijt ik dat aan de gebrekkigere industrialisatie (slechts rond grote steden en Baskenland) en de gebleven verbinding met het platteland, het agrarische. De omgangsvormen zijn daarmee ook wat “boerser”, vergeleken met bijvoorbeeld Duitsland of Nederland. Niets mis met zulke plattelands-principes, zeg ik altijd maar.

Ook het terugkerende stereotype van "sterke familiebanden" die Spanjaarden zouden hebben herken ik wel, maar is niet anders in veel andere culturen, met name ook armere landen buiten Europa, en betreft vooral de "extended family", niet vooral het kerngezin zoals elders in Europa. Wat breder dus, en de vader-zoon of vader-dochter verhouding op zich is soms daarom zelfs sterker in Noord-Europa of Noord-Amerika. Mijn moeder maakte altijd grapjes over de vond ze overdreven verering van "daddy!" in Amerikaanse films, dus dat is ook relativeerbaar.

Die verschillen in “volksaard” tussen Europese volkeren zijn inmiddels overdreven (de wereld is internationaal, men imiteert elkaar, reist meer, wil verandering), maar met nog steeds een grond, een aanwezige kern.

Spanje moet zich aanpassen aan het neoliberalisme, terwijl steeds meer Noord-Europeanen fanatieker zijn gaan feesten - de klok vergetend -, alsof ze altijd al zo waren.

Het meest interessante vindt ik hierbij zelf de connectie met de moderne variant van het kapitalisme, het neoliberalisme, die wereldwijd veel invloed heeft, zeker sinds 1980, en een duidelijk VS/Angelsaksisch stempel heeft. Derhalve ook Protestants qua arbeidsethos, en gevormd door andere “angelsaksische” filosofische stromingen als utilitarisme, en materialisme, welke in “Latijnse “ landen toch minder aansloegen.

Het “kapitalisme” komt historisch uit het Protestantisme voort, weet niet iedereen, maar het voert te ver dat nu uit te leggen. Wel verklaart dit alles - samen met ruige natuurlijke condities - de “cultuurverschillen” van Spanje met, zeg Duitsland of de VS, die te versimpelen zijn tot de eerdergenoemde stereotypen.

Die verschillen zijn bovenal menselijk en eigenlijk ook grappig. In ieder geval zeker warmer en liefdevoller dan de koude cijfers van geld en materialisme.

Cultuur is wat je krijgt als je mensen met rust laat, zeg ik altijd.

Mijn hoop is dat deze natuurlijke neiging tot vrijheid van gewone mensen, van een eigen gevormde cultuur zonder inmenging van bovenaf of machtige partijen, van plezier en inspiratie, en van echte muziek en (levens)kunst en levenslust, altijd sterker zullen blijven dan welke economisch/politieke, elitaire - en totalitaire - machtsgreep en onderdrukking ook..