Posts tonen met het label economie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label economie. Alle posts tonen

maandag 5 april 2021

De gesel van het neoliberalisme: Ewald Engelen's 'Ontwaak! Kom uit uw neoliberale sluimer' (2021)

Zowel “neoliberalisme” als “technocratie” zijn termen waarvan ik eigenlijk alleen - tot voor kort - "ongeveer" wist wat ermee bedoeld wordt. Ik ben hoger opgeleid en heb jarenlang in een bibliotheek van een wetenschappelijke instituut gewerkt, maar toch kwam er tot voor kort geen sluitende definitie in mijn hoofd op van deze termen. “Neoliberalisme” associeerde ik met “kapitalisme”, het belang van grote bedrijven en banken, en verder, wel, de VVD. Wat het “neo” (nieuw) maakte wist ik niet precies.

“Technocratie” vond ik nog lastiger om goed te definiëren. Ik vermoedde iets van beleid gebaseerd op kille apparatuur en (reken)modellen.

Welnu, het pas (2021) verschenen en goed leesbare boek ‘Ontwaak! Kom uit uw neoliberale sluimer’ van Ewald Engelen hielp me uit de metaforische brand: het besprak beide thema’s, in relatie tot met name de recente Nederlandse geschiedenis.

Ik kwam het boek tegen in de sociale media, en had weleens eerder wat gelezen van Engelen. Ik was het over het algemeen wel met hem eens. Ook beschreef hij leuk sociaal-economische ontwikkelingen, niet zonder humor, alhoewel wel met soms complexe zinnen. Dat laatste zie ik ook als uitdaging.

Ook tijdens wat nu speelt, en dat ook mij meer raakte dan me lief was, namelijk de coronacrisis, bleken Engelen en ik het grotendeels eens. Laten we zeggen dat we beiden tot de linkervleugel behoren van mensen die kritisch zijn over de coronamaatregelen/het lockdownbeleid.

DUIDING

In dit boek uit 2021 was ik dus ook geïnteresseerd, omdat ik de thematiek interessant vond – mijn interesse is echter breed – maar ik vooral ook duiding zocht. Dit zeker ook in de corona tijd van pandemie, die Engelen ook in dit boek over neoliberalisme betrekt. Sommige tegenstanders van het coronabeleid gebruiken de term “plandemie”.

Zelfs als complottheorieën – zoals rond Bill Gates, WEF, Agenda 2030 etc. – waar blijken te zijn – mijn persoonlijk vermoeden: in ieder geval deels -, heeft loos speculeren over de achtergronden van het internationale coronabeleid nu geen zin. Althans: niet zonder een grondige analyse van de politiek en economie die er aan vooraf ging, zoals in Nederland. Dit leek mij een nuttige, historische duiding die ik zocht. Het is een lacune die het boek voor me vult, dat gaandeweg ook meteen “neoliberalisme” en “technocratie” duidelijk voor mij definieert.

Tenminste, dat verwachtte ik. Dit boek voldeed aan die verwachtingen, laat ik dat voorop stellen. Ik heb het met plezier gelezen, en kreeg ook het gevoel dat ik wat bijleerde. Het had iets van “bevestiging” van mijn denkbeelden – ik geef het toe -, maar zeker ook opende het boek mijn ogen voor andere ontwikkelingen en verbanden, die ik zelf nog niet zo zag. Ergens in het boek vat Engelen samen wat volgens hemzelf het kernthema van dit boek is: “de manier waarop hoogopgeleide experts het zogenaamde publieke belang misbruiken om de eigen belangen te dienen ten koste van die van laagopgeleiden.”.. Dat is nog eens duidelijke taal! Rond dit kernthema wordt veel interessants uiteen gezet.

NEOLIBERALISME

Ja, ik weet na lezen beter wat “neoliberalisme” is, hoewel een strakke, “catchy” definitie moeilijk te geven is. Engelen wijdde er zelfs een apart hoofdstukje aan met als titel ‘Wat is neoliberalisme?’, met als deel van de definitie: “meer macht aan aandeelhouders (eigenaren) van ondernemingen, en minder voor andere belanghebbenden (werknemers, klanten, en leveranciers). Dit leidde tot de karakteristieke, neoliberale focus op “winstmaximalisatie”. Het “neo” (nieuwe) ervan ten opzichte van het eerdere “laissez faire” liberalisme zit hem in de “ordening” via wetgeving en gerichte politieke steun.

Interessanter is hoe Engelen de dominantie van het neoliberalisme in het economische beleid van Nederland, en de rest van de Westerse wereld, beschrijft, hoe deze opkwam, en de status quo werd. De norm werd dat de vrije markt alles kan oplossen, simpel gezegd, en dat een minimale, maar effectieve, staat dit ondersteunt.

Dit Anglo-Amerikaanse kapitalistische model kwam inderdaad overwaaien uit de VS en het Verenigd Koninkrijk naar de rest van Europa. Dit was begin jaren 80 (1980s), met de University of Chicago als een leidend neoliberaal bolwerk, met internationale invloed. In Nederland, met een handelstraditie, was die invloed er relatief vroeger en sterker, zo vertelt Engelen, vergeleken met andere landen in Europa: landen als Frankrijk waar gemarginaliseerde economische “scholen” (Keynes, Marx e.a.) nog wel wat meer ruimte en politieke invloed behielden.

Engelen zet goed voor mij uiteen dat er weinig “altruïstisch” en “humanitair” is aan het neoliberalisme, en dat het cynisch genoeg inderdaad de belangen dient van een kleine, welvarende financiële elite in de wereld. Complottheorieën zijn niet eens meer nodig. Het idee van “trickle down economics”, dus dat de baten van winstgevende bedrijven iedereen, ook de arbeiders onderin (want meer werk) ten goede zouden komen, lijkt het cynische egoïsme te legitimeren.

Engelen spreekt zelf over een “proces” sindsdien, in plaats van een “complot”, een “gelijkschakeling” zo men wil, tussen alle machtige maatschappelijke groepen: politiek, de pers, met het grootkapitaal, tegenover “de massa”, en het “volk”. Deze gelijkschakeling -procesmatig, maar met welbegrepen eigenbelang - heeft zich volgens Engelen de laatste decennia in Nederland haast volledig voltrokken. Het omvatte ook puur machtspolitiek en druk, en subtiele omkoping ( zoals “job security” toch kan worden beschouwd).

POLITIEK

Alle “middenpartijen”, zo stelt hij, VVD, PVDA, CDA, D66, inclusief GroenLinks, voeren nu al een tijd neoliberaal economisch beleid uit, of propageren dat. Rechts-populistische partijen die het “ongenoegen” onder het volk willen kanaliseren - PVV, FVD – doen dat volgens Engelen met een verkeerde focus: op cultureel nationalisme, migratiebeperking, en harder vreemdelingenbeleid, daarbij het echte, diepere probleem, namelijk armoede onder dat volk door neoliberalisme, negerend. Partijen als PVV en FVD zitten in dezelfde “neoliberale” fuik wat betreft hun economische standpunten als de “middenpartijen” die ze zelf (als het “kartel”, zoals FVD voorman Thierry Baudet ze noemde) bekritiseren.

Het echte probleem, en dat vond ik een sterk punt van Engelen, is niet “migratie” of “mobiliteit” van mensen, maar mobiliteit van “kapitaal”.

Slechts de SP heeft een duidelijk ander economisch verhaal, volgens Engelen, terwijl de Partij voor de Dieren, ook wat meer afwijkend is qua ecologisch en economisch beleid van de “middenpartijen”, en minder in die neoliberale fuik zit.

WERELDBEELD

Wat is die “fuik” dan wel, en welk wereldbeeld zit achter het neoliberalisme? Dat vind ik interessant. Het “wereldbeeld” van het egoïsme, klaarblijkelijk, gedeeld door meerdere hoogopgeleiden. Daarnaast ziet Engelen ook het mensbeeld van de rationele, calculerende “homo economicus” terugkomen, sinds de stimulering van het neoliberalisme. Het gaat voorts, meer praktisch, uit van het “aanbod” (markten creëren) dan van de “vraag” van consumenten. Dit zorgt voor een – vanuit het perspectief van burger/klant - opdringeriger soort kapitalisme, met welbeschouwd ook meer leugenachtigheid (“behoeftes creëren” is the name of the marketing game), in vergelijking met de Keynesiaanse school van kapitalisme. Verrijking van het grootkapitaal, eenvoudig samen gevat, als belangrijkste uitkomst.

Overtuigend toont Engelen aan dat dit neoliberalisme – ondanks de “trickle down” pretenties – eigenlijk vooral negatieve gevolgen had voor de meerderheid van de bevolking. De bankencrisis van 2008 liet dat zien. Een kleine elite bleef er van profiteren, welke ook alsmaar rijker werd. Die elite werd juist politiek gesteund als antwoord op die economische crisis van 2008, en het neoliberalisme daarmee versterkt, ook politiek..

Hij zet ook uiteen hoe de analyses die ten grondslag liggen aan het neoliberalisme tot een “self-fulfilling prophecy” leiden: de scheiding van “feiten” en “theorie”, depolitisering van economie, samenhang tussen probleem en “oplossingen”. De interpretatie van feiten is inderdaad een heikel – en corrumpeerbaar - punt in meerdere wetenschappen.

ECONOMEN

Veel aandacht geeft Engelen ook aan “economie” als wetenschappelijke discipline. Met de dominantie van neoliberalisme sinds 1980 kregen academisch geschoolde economen - zo illustreert Engelen – veel macht en aanzien, resulterend in een combinatie van arrogantie en tunnelvisie. Hier gebruikt hij de term “technocraten” ook, alsmede “econocraten”. Kort door de bocht geformuleerd: meer geïnteresseerd in cijfers en winst dan in de bredere maatschappij. Of in zulke hinderlijke factoren als “het volk” of “democratie”.

Opvallend is ook – en dat verbaast mij ook, vanuit mijn tijd in een wetenschappelijk instituut – het gebrek aan open discussie in specifiek de economische discipline, het gebrek aan tegenspraak en twijfel. Wetenschap gedijt immers bij de twijfel, en elke “waarheid” erin is tijdelijk. In echte wetenschap dan.

Aan de neoliberale economen is dat over het algemeen weinig besteedt, verduidelijkt Engelen. Ze worden hierbij ook gesteund door de journalistiek, die dezelfde hoogopgeleide, technocratische positie en levensvisie delen, aldus Engelen. Het veelvuldig gebruik van de termen “topeconoom” of “topeconomen” in de media, wijzen op dat ontzag, als deel van een bredere kritiekloosheid. Dat de meeste politieke partijen diezelfde neoliberale focus hebben, eveneens.

Zo kregen deze technocratische economen veel invloed op het politieke discours, en “neoliberaliseerden” deze (mijn term) sinds de 1980s, zogezegd, tot op heden. In Nederland, en een flink deel van de Westerse wereld (en daarbuiten). Dit alles vergrootte de ongelijkheid tussen rijk en arm, en hoogopgeleid en lager opgeleid, maar vergrootte ook de ecologische schade.

MINACHTING

Voorts is een andere interessante lijn in dit boek van Engelen, het dédain of de regelrechte minachting van de hoogopgeleide “technocraten” voor “het volk”, met andere woorden: de lager-opgeleide (en armere) meerderheid. Dit uit zich volgens Engelen in een focus op “verdienste” (merit) van deze hoogopgeleide academici, voortkomend uit een vermeend superieur brein, waar goed gebruik van gemaakt is, door bijvoorbeeld die net-niet-zelfbenoemde topeconomen, en andere academische geschoolden in hun “bubble” en letterlijk of figuurlijk “gated communities”. Deze hoogopgeleide elite heeft een aura van internationaal, kosmopoliet burgerschap om zichzelf heen gecreëerd, geplaatst tegenover het al snel als dom, en xenofoob neergezet lager opgeleide “volk”, vatbaarder voor nepnieuws, populisme, en stemmen op Trump, of partijen als PVV, of voor nationalistische en racistische stromingen, etcetera.

RACISME

Terecht bekritiseert Engelen die hoogopgeleide hoogmoed, in Nederland ook sterk aanwezig, die generaliserend en onwaar is, ook wat betreft “racisme”. Het riekt ook nogal naar hypocrisie. De zwarte Amerikaanse komiek Paul Mooney gaf aan dat racisme vooral iets is wat (rijke) “blanken” DOEN (niet toelaten, niet aannemen, niet verstrekken), en dus meer is dan ergens “rancuneus PRATEN over andere rassen”, zonder verdere machtsmiddelen.

Die hoogopgeleide elite heeft die machtsmiddelen en zal de eigen groep daarmee bevoordelen. Ja, inderdaad vooral rijke blanke mannen, die al uit welvarende gezinnen komen. Daar ligt de hypocrisie.

Een autochtoon Nederlandse PVV-stemmer (werkeloos of uit de arbeidersklasse) die scheldt op teveel Marokkanen en andere buitenlanders in zijn wijk of omgeving, zal geen prettige of positieve persoon zijn, zeker niet voor individuele niet-Nederlanders, en andersom geldt dat ook voor leden van in Nederland etnische minderheden (Marokkanen, Surinamers e.a.) die alleen maar in rancuneuze en negatieve termen aan autochtone Nederlanders kunnen denken (vaak vanwege wat vernederende ervaringen), en contact met die Nederlandse meerderheid maar liever helemaal vermijden, ook al is dat wat generaliserend.

Deze “rancuneuze” mensen hebben door hun maatschappelijke positie echter weinig macht. Premier Mark Rutte, eindverantwoordelijke voor de “racistische” toeslagenaffaire, had daarentegen duidelijk wel macht.. Net als alle grote politieke partijen.

CULTUUR

Engelen betoogt dat de focus op “culturele” onderwerpen dominanter is geworden in het internationale politieke discours, met name sinds de terroristische aanslag (9/11) in 2001. De Islam en zich daarop beroepend terrorisme kreeg zeker overmatige aandacht van overheden, met strengere terreurwetten, en nieuwe, ingrijpende bevoegdheden, en meer inbreuk op privacy en lichamelijke integriteit. Populistische partijen in sommige landen maakten hier en daar gebruik van de Islamofobie, maar het werd ook deel van een breder “cultureel” discours binnen gevestigde partijen over de plaats van de Islam in Westerse samenlevingen. Het evidente feit dat de meerderheid van moslims geen terroristen zijn – en dat het vanuit de psychologie ook zomaar zo kan zijn dat individuele moslims hun religieus fanatisme gebruiken als uitlaatklep voor allerlei (eigen) frustraties -, werden daarbij gemakshalve veronachtzaamd.

Dat Islam-terrorisme was een “hype”, kun je concluderen uit wat Engelen in dit boek stelt, zelfs een afleidingsmanouevre om “neoliberaal” beleid te rechtvaardigen, via een sterkere, maar ondemocratische staat.

Hetzelfde vindt hij gelden voor de focus op andere “culturele”of “raciale” onderwerpen (naast de Islam in Nederland) in het maatschappelijke discours, en in de media in Nederland: “Zwarte Piet”, het Nederlands slavernijverleden of koloniaal verleden, emancipatie, standbeelden van koloniale moordenaars of slavenhouders, of zelfs thema’s als “genderneutraliteit”.

Dit dient vooral om “het volk” af te leiden van de macht van het “neoliberalisme”, en de ongelijkheid die het veroorzaakt, vindt hij. Verdeel en heers, met andere woorden, het volk (de “gevaarlijke” meerderheid) dus verdeeld houden.

Ik denk te snappen wat Engelen ermee bedoelt, hoewel ik het er niet 100% mee eens ben. De wetenschappelijke bibliotheek waar ikzelf ruim twaalf jaar voor werkte, had juist dat Nederlandse slavernijverleden (en koloniaal verleden) als thema, waarbij ik mij specialiseerde in het Caraïbisch gebied.

Ik heb er veel geleerd, maar vooral ook hoe belangrijk is om veel van dat slavernijverleden te leren: voor iedereen in de huidige wereld, en niet slechts mensen van Afrikaanse afkomst. Als slecht voorbeeld, voor het belang van mensenrechten en gelijkheid, en om de positie van bijvoorbeeld Afrika in de huidige wereld te begrijpen..

Ik vind het (Nederlands) “slavernijverleden” dan ook geen irrelevante “afleiding” zoals Engelen lijkt te suggereren, ook omdat de trans-Atlantische slavenhandel en plantage-slavernij in de Amerika’s, eigenlijk ook historisch aan de basis staan van het “kapitalisme” als zodanig, dus ook de huidige neoliberale variant, die Engelen in dit boek heftig bekritiseerd. De opbrengsten van de Britse slavernij financierden de bekende, eerste Industriële Revolutie, zoals wel wat bekender mag zijn.

Hetzelfde geldt voor racisme, waarbij Engelen wel terecht Martin Luther King citeert over de toch ook gedeelde belangen van arme arbeiders (van elk ras) met de Afro-Amerikanen – ook veelal van de arbeidersklasse – voor wie hij opkwam.. ze hadden dezelfde (neoliberaal-kapitalistische, rijke, witte) vijand. Nu nog steeds, zou je kunnen betogen.

Hoewel racisme bestaat, en discriminatie op uiterlijk en cultuur, ook in Nederland, aan de orde van de dag zijn, moeten de relaties met het dominante, ongelijkheid-bevorderende neoliberalisme niet vergeten worden, lijkt Engelen te stellen.

Enigszins samenvattend zegt Engelen treffend, achterin het boek:

Het neoliberale middel bij uitstek is het creëren van een technocratie die de controle over de regels van de markten en de bescherming van de eigendomsrechten zoveel mogelijk buiten het bereik van volk en democratie houdt”.

Het doel van neoliberalisme is de staat gebruiken om markten verder te verdiepen en eigendomsrechten verder te zekeren, stelt hij tegelijkertijd.

Om dit te bereiken zijn ‘rampen” en “crises” welkome aanleidingen, en zo komen we bij een ander thema in dit boek: de corona crisis.

CORONA

Engelen schreef dit boek terwijl deze merkwaardige coronacrisis gaande is, wereldwijd, met een beleid van ongekende “lockdowns”, ook in Nederland, nodig geacht – of als zodanig gepresenteerd – om verspreiding van de virale ziekte (een nieuwe SARS variant) die via China de wereld over ging (sinds Februari 2020) tegen te gaan. Zoals we veel te veel in de media hebben moeten vernemen, wordt dit virus “Covid 19” genoemd.

Ik was onder de indruk van Engelen’s analyse van deze crisis, met name het politiek gebruik ervan.

Hij geeft zich niet over aan complottheorieën rond Bill Gates, Agenda 2030, the Great Reset, die veel criticasters van het coronabeleid aanhalen, maar refereert er eigenlijk wel indirect naar.

Interessant is echter juist dat hij het plaatst binnen het verloop van het Westerse neoliberalisme.

Hij spreekt – vind ik terecht – tegen dat de hele crisis en het ondemocratische “lockdown-beleid”- wat opvallend veel regeringen nu hanteren - een “ommekeer” is ten opzichte van dat neoliberalisme.

Integendeel: hij ziet het eerder als een bevestiging ervan, zelfs een culminatie van hetgeen eraan vooraf ging. Net als bij de “terrorisme hype” sinds 2001, de politiek gebruikte “banken crisis” van 2008, ziet hij de corona crisis - of “corona hype” zoals ik het zelf wel wil noemen – als nog zo’n noodsituatie en crisis die de “powers that be” gebruiken om het neoliberalisme verder te versterken.

Er is zelfs een vergelijkbare rol van academisch geschoolde “technocraten”, wier woord wet lijkt, zonder de gebruikelijke toetsing en tegenspraak. Voorheen waren dat dus de (neoliberale) “economen”, nu dus de “virologen”, met eenzelfde neiging tot arrogantie en tunnelvisie.

Een desastreus gezag – veelal gebaseerd op zeker betwistbare “modellen” – welke zelfs basale burgerrechten en –vrijheden die we als Nederlandse burgers sinds 1945 voor lief namen, beperkten en afnamen. Voor het eerst sinds de Nazi-tijd een Avondklok, daarvoor al gedwongen sluiting van publieke gelegenheden, reisbeperkingen, samenscholingsverboden, en andere ge- en verboden die de lichamelijke integriteit zelfs aantasten (mondkapjesplicht, meer en meer gedwongen tests en inentingen, en quarantaine).

Engelen zegt daarbij dat de angst bij het volk voor het virus, het vergemakkelijkt voor die neoliberale elite om hun doelen door te drukken.

VERKIEZINGEN EN STEMGEDRAG

Engelen zegt in dit boek weinig over de ernst of aard van Covid 19, en of dat het beleid legitimeert. Of die angst voor corona bij “het volk” (een meerderheid, lijkt het) terecht is (overlijdenspercentage inmiddels minder dan 0,23%, aanwijsbare risicogroepen, is het nog wel een pandemie?) daar kun je ook een boom over opzetten, en genoeg mensen doen dat tegenwoordig nu ook. Terecht uiteraard. Zowel aan de linkerkant als de rechterkant van het politieke spectrum.

Viruswaarheid (rond Willem Engel) is naar eigen zeggen teleurgesteld in de “Linkse” steun voor het corona/lockdownbeleid, maar gezien de partijpunten voor de laatste verkiezingen (Willem Engel was zelf verkiesbaar voor Lijst 30), hebben hun sociaal-economische en culturele standpunten meer met pre-corona GroenLinks of Partij voor de Dieren, of zelfs de SP gemeen, dan met rechts-populisme. Niet erg “neoliberaal” dus.

Wel aan die rechtse kant zit de Forum voor Democratie (FVD), waar partijleider Baudet met Wybren Van Haga een sterke criticaster van het coronabeleid binnen heeft gehaald, kritiek die Baudet nu lijkt te delen (na eerdere steun voor het beleid). FVD was van de “cultureel nationalistische” school die Engelen bekritiseerde: met dus de verkeerde (xenofobe) antwoorden op de noden van het laagopgeleide volk. Met de “corona focus” van nu ook Baudet veranderde de partij wel wat.

Van Haga is minder met “cultureel nationalisme” bezig en probeert nuchter als ondernemer naar het coronabeleid te kijken, en zelfs of Baudet werkelijk een “racist” is betwijfel ik eigenlijk, ondanks wat ongelukkige uitspraken die de media haalden, of opgeblazen zijn. Sommige hardvochtige voorstellen als deel van hun plannen (van de FVD) gaan in die richting, maar verschillen ook niet zoveel van wat in ‘t VVD-of CDA-programma staat (“opsporen van illegalen”, kansarme migratie beperken, en meer van dat soort onempathische, rechtse onzin). De FVD is in ieder geval deels zeker Rechts en elitair, waardoor ze economisch ook gewoon meegaan met het neoliberalisme. Hetzelfde geldt voor de nog xenofobere PVV.

Daarnaast joeg Baudet met zijn recentelijke “obsessie” met het coronabeleid andere FVD-leden weg, die meer met “cultureel nationalisme” en xenofobie bezig waren, en die dat blijkbaar meer dan Baudet combineerden met hun smetvrees. Hetzelfde geldt voor Geert Wilders die het lockdownbeleid steunde, maar electoraal gewin zag in het tegen de draconische avondklok zijn.

Engelen (en zijn partner)’s eigen Partij Voor De Dieren is volgens hemzelf de enige waarvan het electoraat grotendeels bestaan uit mensen die én Links én hoogopgeleid én kritisch over het coronabeleid met mensenrechtenschendende – en niet-effectieve – maatregelen durven te zijn (avondklok en de meeste andere beperkingen).

Dat geldt ook voor Willem Engel en de zijnen, maar die haalde de kiesdrempel niet (volgens Engel zelf door fraude).. Partij Voor De Dieren wel.

Ook Van Haga lijkt beloond te zijn voor zijn anti-coronabeleid standpunt (enkele zetels), terwijl GroenLinks voor hun pro-coronabeleid – zo lijkt het - juist zetels verloor, bij een deel van hun achterban (immers populair bij Linksige studenten, die levendige studentensteden als Amsterdam, Utrecht, en Nijmegen in dystopische spooksteden zagen veranderen, met na een bepaald tijdstip alleen politie of bezorgers op straat).

Het stemgedrag is een ander thema in dit boek: waarom blijft de meerderheid van de Nederlandse bevolking die neoliberale “middenpartijen” (VVD e.a.) stemmen, die tegen hun eigen belangen in gaan, en die van een elite juist versterken?

Dat is een belangrijk thema van het boek: die “gelijkschakeling” en gevoelde verwantschap tussen hoogopgeleide technocraten, neerkijkend op het volk, met de media, en politiek, die de politieke en economische realiteit in hun voordeel hebben “geframed” (grote bedrijven laten groeien, winstmaximalisatie, meer markt is goed, “trickle down economics”), en steeds meer mensen daaraan mee hebben laten doen, afhankelijk van hebben gemaakt.

Denk aan het toenemende huizenbezit en aantal hypotheken onder Nederlanders, de afgelopen decennia.. Dat is deel van een neoliberaal wereldbeeld, naast andere dingen, die veel Nederlandse middenklassers bij de VVD maar ook bij D66, of het PVDA en CDA herkennen, waardoor veel mensen die partijen de afgelopen verkiezingen (17 maart 2021) gewoon weer in meerderheid stemden (of “leken te hebben” om de optie van fraude open te houden).

Dit “stemmen tegen eigen belangen in” lijkt raadselachtig, maar Engelen verklaart in dit boek zeer goed hoe dat zo kon ontstaan. Het is uiteraard ook niet zonder historische paralellen (onderdanige slaven op plantages die anderen verraadden, slijmen bij de baas, nepotisme etc.). Met de “corona crisis” kwam de factor “angst voor ziekte” of zelfs “smetvrees” (die laatste term is voor mijn rekening) erbij, ook misbruikt door neoliberale krachten.

Engelen geeft terecht kritiek op de waarheidsclaims van (nu virologische) deskundigen, die principieel betwistbaar dienen te zijn, inclusief de achterliggende aannames, maar dat niet zijn. Die claims van deskundigen (het OMT met name) lijken een eindpunt van debat te zijn, en niet een beginpunt van debat en waarheidsvinding, zoals in echte wetenschap.

Ik herinner mij dat uit mijn tijd in een wetenschappelijk instituut, over meer – zij het soms moeizaam - “debat-toelatende” thema’s als “slavernijgeschiedenis” en antropologie. Discussie was open en soms zelfs aangemoedigd, ook vanwege het evidente, scheve feit dat blanke academici schrijven/onderzoeken over zwarte/Afrikaanse geschiedenis.

Echter: toen heikele thema’s als “herstelbetalingen voor slavernij” besproken werden, onder meer aangekaart door Surinaamse wetenschappers, ging een deel van de (blanke) deskundigen op hun strepen staan. Het ging toen immers om geld van de overheid en de elite. De “apologistische” school van slavernij historici als Piet Emmer (die het leed en de omvang van de Afrikaanse Holocaust teveel zou relativeren) of (iets gematigder) Gert Oostindie, had veel macht – en ook meer toegang tot de politiek – lieten als blanke wetenschappers van zich horen via invloedrijke kanalen, hoewel ze genuanceerde kritiek kregen van andere (o.m. zwarte) slavernij deskundigen. De blanke “apologisten” onder wetenschappers speelden dus de machtskaart.

Dat zie je nu ook, wil ik betogen. Engelen lijkt dat te bevestigen. In de “epiloog” aan het einde, gaat hij meer in op het huidige coronabeleid.

Hij ziet de coronacrisis niet als “nieuwe kans” voor een groene en eerlijke samenleving, ondanks vage (en oncontroleerbare) pretenties van het World Economic Forum (club van rijkste mensen in deze wereld), en mensen als Bill Gates, maar ziet dat eerder als misleidende retoriek, om het neoliberalisme verder te versterken, via oneigenlijke middelen.

Het feit dat – zoals Oxfam Novib ook al concludeerde – de kleine, maar rijkste (financiële) elite van miljardairs in deze wereld sinds “corona” en lockdowns alleen maar rijker is geworden, terwijl wereldwijd de ongelijkheid, armoede, en honger juist toenamen, bevestigt dat. Dit is dan niet eens een "onbedoeld gevolg”, maar zou best weleens juist de bedoeling ervan kunnen zijn.

MORBIDE SYMPTOMEN

Engelen lijkt dat te concluderen, waarbij hij ook wijst op een soort “macht der wanhoop” en overschreeuwen door de neoliberale elite van zichzelf. Ergens is er het besef dat neoliberalisme niet werkt voor de meerderheid, maar dat besef moet overschreeuwd en onderdrukt worden. Vandaar dat gebrek aan wetenschappelijke tegenspraak, de virologische “technocratie”, de strikte, ondemocratische, vrijheidsbeperkende maatregelen voor het volk, en de merkwaardige terugkeer van dingen eigen aan dictaturen (vreedzame demonstraties verbieden, censuur), in wat we dachten een democratisch land was. “Overcompensatie door onzekerheid” zegt Engelend prikkelend over dit beleid, en terecht naar mijn mening.

Is het internationale coronabeleid – met lockdowns en restricties – eigenlijk een agressieve vlucht naar voren van een onzeker wordende neoliberale elite? Engelen citeert hier de Italiaanse intellectueel Antonio Gramsci, die sprak over “morbide symptomen”, als deel van die wanhopige, elitaire machtsgreep tijdens een crisis.

Zo’n agressieve “vlucht naar voren” is een constante in de wereldgeschiedenis, inclusief bij ondemocratische (fascistische of anderszins totalitaire) regimes, hoe deze zichzelf ook legitimeerden (fascistisch, communistisch, islamitisch, nationalistisch, e.a.). Bestudeer daarvoor maar het Italiaanse fascisme, de Rode Khmer, het fundamentalistische Talibaan-beleid, 't Ayatollah beleid in Iran, Pinochet in Chili, Franco en Salazar in Spanje en Portugal, maar ook – dichter bij huis – Hitler in Duitsland, die anders dan sommige andere dictatoren, niet via staatsgrepen of oorlogen, maar gewoon via democratische methoden in het centrum van de macht kwam, om de democratie daarna dus te vernietigen.

Die “schijndemocratie” is ook lang een euvel in Nederland geweest, maar totdat sinds Maart 2020 vrijheden en grondrechten geschonden werden (sluiting publieke etablissementen, samenscholingsverbod, lockdowns, avondklokken, reisrestricties, vraag om verplichte tests en quarantaines, mondkapjes, indirecte vaccinatiedwang etc.), kon de gemiddelde Nederlandse burger zich daar wat meer aan onttrekken. Al was het alleen maar door vrijelijk vrienden te bezoeken of ontmoeten, of vertier te zoeken, in toen nog “ongeproblematiseerde” en vrij toegankelijke culturele plekken of uitgaansgelegenheden.

De neoliberale orde staat op instorten, bezweken onder haar eigen mislukkingen”, zegt Engelen stellig in de laatste paragraaf. Om het boek te eindigen met een oproep, en ook in de hoofdtitel van het boek, ‘Ontwaak!’.

Daar ben ik het helemaal mee eens!

Zeker lezenswaardig en leerzaam, dit boek. Aan te raden!

maandag 4 november 2013

Schijn

Het is al een tijd in het nieuws: een internationale economische crisis, deels voortkomend uit een financiële crisis, houdt meerdere landen in een soort paniek. De politiek verspreid het idee ervan, mede om gewenst beleid doorgang te doen vinden. Veel burgers gaan daarin mee.

Dit is al aan de gang sinds ongeveer 2005: begonnen in de VS, onder het presidentschap van George W. Bush. Toen werden onrealistische hypothecaire leningen verstrekt, die vele gezinnen in de VS in de schuld staken, en deze waren een belangrijke bron van de start van deze crisis. Dit werd vanaf 2005 – tot ook op het moment dat ik dit schrijf – een terugkerend thema en referentiekader en, in de praktijk, ook vaak een excuus, op macro- en microniveau. In de VS, en vroeg erna Europa, Azië, en de rest van de wereld.

Welbeschouwd is deze “crisis” discussie echter een schijndiscussie. De oorzaken en kenmerken ervan zullen wel aantoonbaar zijn, en sommige analyses, of delen ervan, zullen ook best correct zijn. Ik bedoel schijndiscussie echter in bredere en “diepere” zin. Zoals het voetbal een “schijnbeweging” kent, die afleidt van de eigenlijke beweging, zo leidt een schijndiscussie af van waar het eigenlijk over moet gaan, wat echt van belang is voor mensen.

De economische crisis is een crisis van de economie op grote schaal. Een crisis van het huidige, megalomane, Westerse economische systeem, met gevestigde machten en belangen. Gevestigde belangen die onder controle staan van een minderheid in de wereld. Zij bepalen dat het een crisis is: het is sowieso hún speeltje. Een speeltje waarvan wel veel mensen in de wereld – een meerderheid – afhankelijk zijn gemaakt. “Als mensen weten dat je afhankelijk van ze bent, dan maken ze misbruik van je”, zei mijn moeder eens tegen me.

Even interessant is de observatie die ik pas hoorde op een Rastafari-bijeenkomst, in Amsterdam: een dia-voorstelling over een landbouwproject in Ethiopië. Er werd toen gezegd: “de wereld is gekidnapt” - in economische zin - door Babylon. De Rasta-term “Babylon” is deels vertaalbaar met “’t Westerse systeem” (hoewel breder bedoeld). De wereld met mensen – en hun eigen economische initiatieven – wordt dus gekidnapt door grotere economische krachten (Babylon), uit op eigenbelang. Die willen dat je afhankelijk van hun bent, en blijft. Op dezelfde bijeenkomst werd treffend gezegd: “als je niet voor jezelf werkt, leef je andermans (en niet je eigen) droom”.

SCHAAL

Een belangrijk begrip hierbij is “schaal”. De grote schaal waarop de economie zich begeeft. Een grotendeels zelfvoorzienend dorpje met enkele boerderijen en wat land, dat handelt met omliggende gebieden, heeft niet die macht in deze wereld zoals de financiële markten in de VS, Europa, en Japan, en grote multinationals uit vooral die landen. Deze hebben de macht om hele economieën te sturen – wereldwijd -, het onderwijssysteem te beïnvloeden, het soort (geestdodende) werk voor de massa te verspreiden, en de politiek aan zich te verbinden. Ook hebben ze internationaal invloed op welvaartsverschillen (deze veelal vergrotend), en de natuur, inclusief negatieve gevolgen voor het milieu. Door die grote schaal zijn die negatieve invloeden ook massaal van omvang. Het probleem is dus de grote schaal van het Westerse systeem of, dit omvattend, “Babylon”.

Er zijn veel voorstanders in de wereld van dit Westerse systeem, veel mensen die ertegen zijn, en een nog grotere groep die eigenlijk geen van beide kanten heeft gekozen, maar er niet over na denken, omdat ze moeten overleven. Geld verdienen om te eten en voor het gezin te zorgen. Dan maar een saai lopende band-baantje bij die grote Amerikaanse, Britse, of Japanse fabriek. Geestdodend werk en zeker niet je persoonlijke kwaliteiten aansprekend, maar hé: je krijgt een maandelijks loon. Het voedsel wordt ook steeds minder natuurlijk en gemanipuleerd..maar goed: dat is wat er nu eenmaal te krijgen is omdat het massaal, goedkoop beschikbaar wordt gemaakt. En toch ook leuk en interessant al die technologie, speeltjes, nieuwe plastic dingen, verschillende typen auto’s, merkschoenen, en smaken. Misschien vinden mensen het ook leuk om zo deel uit te maken van iets groters, in dit geval de moderniteit.

DE MENSELIJKE MAAT

De interessante vraag nu, in mijn beleving, is in hoeverre die egocentrische economie van de grote schaal echt aan menselijke behoeften beantwoordt. Het is voorbij de menselijke maat: je weet niet wat je eet, waar het vandaan komt, of hoe het gemaakt is. Het komt ergens hogers vandaan en je slikt het maar. Daar is toch een onbalans. Een vervreemding, kun je zeggen. Ook de manipulatie en onnatuurlijke verwerking van producten die oorspronkelijk uit de natuur komen, kunnen nooit goed zijn voor het menselijk lichaam. Kan het menselijk lichaam onnatuurlijke dingen wel aan: onnatuurlijk verwerkt voedsel, luchtvervuiling? Nee, zou je zeggen. Dat lijkt ook logisch.

Evenzeer is het werk dat van veel mensen wereldwijd verlangd – eigenlijk vaak geëist – wordt, deel van een productieproces dat ook niet goed te overzien is. Beleidsprocessen in bedrijven en organisaties waar men werkt zijn ook zelden goed te overzien, en mede daardoor ondemocratisch. Men draait mee in een bedrijf, en op veel werkplekken, proberen sommigen de iets leukere, iets minder geestdodende (iets hogere) functies weg te kapen voor hun collega’s, waardoor een negatieve sfeer ontstaat van naar beneden trappen en naar boven likken. Bij de verdeeldheid van mensen aan de onderkant hebben mensen hoger in de hierarchie uiteraard belang.

De vervreemding kan geleidelijk zo toenemen en normaliseren dat mensen hun persoonlijke identiteit verbinden aan een bedrijf waar ze werken. Vooral als hen in zo’n bedrijf een hogere, invloedrijkere, of uitdagender positie gegund is - of tijdelijk lijkt - dan wordt het bedrijf deel van hun identiteit. Ook omdat er zoveel tijd van iemands leven aan besteed moet worden.

Ook deze gevolgen van dat systeem zijn bij veel mensen eigenlijk min of meer bekend. Het bewustzijn is her en der aanwezig, zelfs op dergelijke werkplekken. Zelfs bij hen die meedoen met het systeem: ze weten ervan om ervan te kunnen profiteren.

‘Gewenning aan de afhankelijkheid’ staat hier echter een rebels bewustzijn in de weg. Het bewustzijn is er vaak wel - al dan niet latent – maar daar worden geen rebelse, radicale conclusies aan verbonden. Te ingrijpend, te onzeker. Het komt voor veel mensen inmiddels neer op: alles opgeven wat je kent. Je weet wat je verliest maar niet wat je wint…dat type argumenten. Nogmaals: gewenning aan de afhankelijkheid. De schijnbare rust en zekerheid van de status-quo en van het burgerdom..

ERNST FRIEDRICH SCHUMACHER

Kritiek op dit economische, onmenselijke systeem is er dus ook, en was er al langer. In de jaren 70 waren er alternatieve denkers die anders naar de economie gingen kijken, zochten naar een menselijkere economie, meer in balans met de natuur. Ernst Friedrich Schumacher, geboren in Duitsland, later naar Engeland verhuist, schreef zijn essay-achtig boek ‘Small Is Beautiful’ in 1973 vanuit deze gedachte, en dit boek werd toen een bestseller. Een inspirator voor de “groene” sociale en politieke beweging (tot op de dag van vandaag!), alsmede andere werken van Schumacher. Schumacher streefde – kort gezegd - naar een kleinere, menselijke schaal voor de economie.

Interessant vind ik na te gaan welke argumenten hij daarvoor aan draagt. De kracht van zijn argumentatie.

Ik heb pas een boek van Schumacher gelezen, in het Nederlands vertaald als ‘Hoe kleiner, hoe beter’, wat destijds (1979) wat later verscheen dan ‘Small Is Beautiful’ (postuum: twee jaar na Schumacher’s overlijden in 1977), maar Schumacher behandelt erin hetzelfde thema en draagt erin dezelfde boodschap uit als in zijn eerdere werken: de wenselijkheid van een andere, kleinschalige economie. Het boek is een verzameling teksten en toespraken van Schumacher, die econoom was, gegeven op universiteiten en elders. Ik kreeg er een goed beeld door van Schumacher’s ideeën dienaangaande. En van zijn argumentatie.

HOE KLEINER, HOE BETER

Mij spreekt aan dat Schumacher ook aandacht geeft aan de dagelijkse werkdag van een gemiddeld persoon. Zijn pleidooi voor een kleinere schaal heeft zeker ook een milieu-component, maar “de menselijke geest” is er ook één. Mensen willen volgens hem echt zinvol werk, echt hun persoonlijke talenten kunnen ontplooien: aan iets werken dat bij hen past en waarbij men overziet wat tot stand komt. Waar men meer invloed heeft en echt meetelt. Dit alles verplaatsen naar de schaarse vrije tijd vindt Schumacher, terecht naar mijn idee, immoreel en absurd. Het komt erop neer dat de meeste mensen in de wereld een groot deel van hun tijd - voor sommigen de helft van hun “wakkere” tijd, voor de rest zelfs de meerderheid van die tijd - doen alsof ze robots zijn, en dan echte menselijke ontplooiing of vervulling voor de resterende, vermoeide tijd bewaren. Terecht klaagt Schumacher deze merkwaardige status-quo aan.

Daarnaast analyseert hij vind ik op goede wijze de oorzaken van dat grootschalige systeem, maar meer nog hoe dat in stand gehouden wordt. De historisch koloniale oorsprong van een grootschalige export-economie in ontwikkelingslanden (en eigenlijk wereldwijd) lijkt mij van belang om te beseffen.

Dit sluit verder aan bij het citaat wat ik eerder aanhaalde over deel zijn van andermans (en niet iemands eigen) droom. Sommigen denken hun “eigen droom” een beetje binnen dat grotere systeem “afgesnoept” te hebben – al was het soms ten koste van anderen -, maar dat blijft beperkt en marginaal. Dit “afsnoepen” kan verschillende vormen aannemen: carrière maken – hogerop komen - in een of ander bedrijf, ondernemen en dingen verkopen/bieden die mensen meestal niet eens echt willen, of de criminaliteit, parasiterend op dit systeem, en er dus deel van. Helder beschouwd “verdwaald” overlevingsgedrag, als antwoord op vervreemding.

Schumacher beschrijft verder ook in praktische termen hoe hij die kleinere schaal via een verband van kleine netwerken ook echt in praktijk trachtte te brengen. Dit was onder meer gericht op het maken en leveren van “intermediaire technologie” aan ontwikkelingslanden, en onderontwikkelde gebieden, die de gevorderde, modernste technologie gewoon niet konden betalen. Deze intermediaire technologie werkte echter wel in arme gebieden. Ook dit praktische en technische voorbeeld wist Schumacher inspirerend genoeg over te brengen, als reële mogelijkheid.

Schumacher lijkt nog enigszins gematigd, omdat hij niet pleit voor in een keer een radicale omverwerping van het systeem, maar geleidelijk een alternatieve weg er vandaan wil creëren, eerst met behulp van dat systeem. Dat kan evenwel ook vanuit strategische overwegingen zijn.

Toch pleit Schumacher - uiteindelijk - voor een Derde Weg van kleinschaligheid, niet het grootschalige kapitalisme, en evenmin de even grootschalige planeconomie van het communisme.

Interessant en boeiend opgeschreven, dit werk met de visie van Schumacher. Historisch ook wel leerzaam: echo’s van dit denken hoor ik bijvoorbeeld tegenwoordig terug komen bij een politieke partij als GroenLinks in Nederland, of bij de Duitse Grünen, soms ook met dezelfde terminologie als die Schumacher gebruikte.

Helemaal origineel en nieuw was het echter niet, ook niet in de vroege jaren 70 toen Schumacher zijn boeken begon te publiceren.

Het was niet “nieuw” in de zin dat - toen nog iets meer dan nu – veel mensen in delen van de wereld nog in een kleinschalige economie leefden, zonder doorontwikkeld te zijn naar die grote schaal. De menselijke maat en biologische landbouw waren er van oudsher nog in wat afgelegen, niet-centrale gebieden, hoewel steeds meer aangetast. Meer aangetast, want neokolonialisme, economische globalisering en multinationals rukten op.

Schumacher bouwde deels voort op bestaande - oude, beproefde - ideeën (hij gaf dit ook toe), maar wel aangepast aan de huidige tijd.

RASTAFARI

Zijn ideeën waren echter ook niet nieuw, omdat dezelfde kritiek al langer geuit werd, onder meer als deel van de Rastafari-beweging. De Rastafari-beweging ontstond in de jaren 30 van de 20ste eeuw op Jamaica, en internationaliseerde later, mede door de muziek. Inhoudelijk is het in feite een Afro-centrische Black Power-beweging. Al vroeg ontstond er evenwel onder de eerste Rastafari-groepen een focus op een kleinschalige economie, zelfvoorzienendheid, biologische landbouw, en natuurlijk eten. Al van de 1940s is dat gedocumenteerd op Jamaica: Rasta-gemeenschappen, zelfvoorzienend, in rurale delen. Dit was als antwoord op, of ontwijking van, het aanwezige onderdrukkende systeem (“Babylon”). Dus vóór Schumacher, en – belangrijk – ook als bewust antwoord op/tegenwicht tegen het systeem. Rasta’s waren hiermee dus ook eerder dan sommige hippies (ik bedoel hier die hippies die het om meer dan LSD en seks ging, en die in alternatieve, zelfvoorzienende commune’s gingen leven).

Interessant genoeg komen ook ideeën over het mensbeeld van Schumacher deels overeen met ideeën van Rastafari-aanhangers. In het laatste deel van ‘Hoe kleiner, hoe beter’ ontvouwt Schumacher zijn mensbeeld, dat in zijn geval evangelisch/Christelijk geïnspireerd is (hij beschouwt zichzelf als katholiek), maar breder is getrokken. Hij was ook beïnvloed door het boeddhisme, overigens. Hij ziet de mens als wezens met een goddelijke functie in deze wereld, als goddelijke wezens. Zonen en dochters van God, zegt hij letterlijk. Deze komen volgens hem het beste tot hun recht door zinvol werk, echte controle over het eigen leven, en zelfvoorziening (dus niet als robots). Ook dit zeiden de Rasta’s al eerder - tenminste iets van dezelfde strekking -, namelijk de bij de meeste Rasta’s heersende visie dat het goddelijke in de mens zit (niet apart, in de hemel of zo), wat een duidelijk emancipatoir gevolg heeft: je geeft daarmee zelf richting aan je leven.
Dat goddelijke zit in iedereen dus zorgt daarnaast ook voor connectie en gelijkheid.

Of Schumacher door deze ideeën geïnspireerd is (de Rastafari-beweging was in de jaren 70 ook al wat bekender in Engeland) is echter moeilijk te achterhalen. Het kan toeval zijn.

TERUG NAAR DE CRISIS

De economische crisis sinds 2005 leidde in de Westerse landen niet tot de tegenreactie in de vorm van massale aanhang voor een andere, “kleinschalige” economie. In Duitsland groeide de Grünen als politieke partij wel qua aanhang de laatste tijd, maar die pleiten ook niet voor een radicale omverwerping. In Nederland verkleinde GroenLinks als partij zelfs na de laatste verkiezingen. De meeste politieke leiders zochten manieren om diezelfde economie te behouden en te versterken, en veel burgers leken en lijken daarin mee te gaan.

Er bestaan overigens complottheorieën (van het soort dat nog geloofwaardig lijkt ook) dat die hele economische crisis een verzinsel is van de “powers that be” om hun gewenste “verharding” en “verscherping” – maar uiteindelijk versterking – van dat economische systeem te kunnen bewerkstelligen. De macht dus nog iets meer vergroten van de hogere en bezittende klassen ten opzichte van de massa armeren en van de lagere klassen. Laten zien wie de baas is: afgedwongen bezuinigingen voor sommige landen doen dan ook denken aan het zonder eten naar bed sturen van kinderen, wat sommige ouders als disciplinaire maatregel gebruiken.

NATIONALISME

Er is al langer een reactie op globalisering, de grote schaal – versterkt door de crisis - maar die is toch vooral kritisch over de grote schaal van de politiek. Denk aan de kritiek in Nederland en elders dat steeds meer dingen voor Nederland in Brussel, in EU-verband, beslist worden, de ridicule scepsis – want toch meedoen – in Groot-Brittannië ten opzichte van diezelfde EU, en meer algemeen de kritiek op de EU van (rechtse) nationalistische, populistische politieke partijen in Europa.

In dat licht is een artikel wat ik pas in ’t weekblad De Groene Amsterdammer las wel interessant. Het stond in De Groene van 5 september 2013 en was getiteld ‘Wel grommen, niet bijten : de opkomst van progressief nationalisme’, geschreven door Daniel Boomsma en Thijs Kleinpaste. Het behandelt de opkomst van een “nieuw” nationalisme in Europa, dat positiever zou zijn dan het oude nationalisme, besmet door het nazisme, fascisme, racisme, en massamoord, en dat nu, anno 2013, slechts een soort welbegrepen eigenbelang is geworden, om solidariteit en loyaliteit op nationale schaal overzichtelijker te houden. Als tegenwicht voor globalisering dus.

Als men in dit nieuwe Europese nationalisme ook iets van een menselijke zoektocht naar een kleinere schaal ziet, dan vergist men zich. In datzelfde artikel wordt immers een citaat van de Franse historicus en filosoof Ernest Renan aangehaald, die in zijn lezing ‘Wat is een natie?’, uit 1888, de natie en het bijbehorende nationale bewustzijn doopte tot “solidariteit op heel grote schaal” (letterlijk citaat). Zo begon eigenlijk het grootschalige systeem dus. Dat werd later versterkt, globaler, door het reeds genoemde kolonialisme.

Daarvoor had je stadstaten, en andere geografische eenheden, die zich dan weer samenvoegden tot grotere politieke eenheden. Zo zijn verschillende huidige landen in Europa ontstaan. Al deze politieke eenheden – zelfs bij kleinere landjes – hadden uiteindelijk weinig met de menselijke maat van doen. Er was ook in zulke staatjes duidelijk machtsongelijkheid met een politiek-economische elite die anderen de wil kon opleggen, ook economisch.

Het beschreven type nationalisme in het huidige Europa fungeert als schijnoplossing, als wederom een afleiding van het eigenlijke probleem.

In het artikel in De Groene Amsterdammer wordt terecht ook op de economische grondslag van nationalistische bewegingen gewezen. Vaak wordt nationalisme gepresenteerd als een rebels opkomen voor een eigen culturele identiteit, een eigen volkswil, bruut onderdrukt door een centrale macht. Het Noord-Italiaanse Lega Nord ageert tegen geldafdracht naar de rest van Italië, waaronder het armere zuiden. Beperkte solidariteit, zullen we maar zeggen. Ook het nationalisme in de Spaanse deelstaten Catalonië en Baskenland is grotendeels economisch: deze regio’s behoren tot de welvarendste van Spanje. Catalonië is – zoals het genoemde artikel ook stelt – “netto-betaler aan de rest van het Spaanse koninkrijk, net als de Vlamingen en de inwoners van de Po-delta in respectievelijk België en Italië”. Apelleren aan culturele eigenheid is daarbij deels ook een excuus – vrijwel alle regio’s in die landen hebben een culturele eigenheid - : het is egocentrisch nationalisme.

Het is eigenlijk rijkdom voor jezelf houden in een politiek kader. Hetzelfde egoïsme dat de grootschalige economie uiteindelijk historisch vorm gaf, met alle interne ongelijkheden erbij. Het is als carrière maken in een bedrijf (na “ellebogenwerk” ten koste van anderen), en dat bedrijf dan zelf niet beter maken, maar alleen om zelf comfortabeler te zijn. Dat dit nationalisme vaak mensen “van buiten” uitsluit en tot racisme vervalt (denk aan onder meer Vlaams Belang, en de Lega Nord) hoeft daarbij niet te verbazen. Het gaat immers niet om mensen maar om “belangen”, in een naar mengsel met culturele superioriteitswaan en blut und boden-denken. Dergelijk denken is ook in Nederland breder aanwezig dan sommigen willen geloven, ben ik bang. Ook hier is de menselijke maat zoek, want mensen worden geabstraheerd tot mensen die er wel of niet bij horen, die wel of niet in het grotere plaatje passen.

Een schijnoplossing is dit nationalisme dus, en tegenwoordig ook ingezet als antwoord op de schijndiscussie rond de economische crisis..