woensdag 4 maart 2026

Anne Frank's dagboek

Voor veel mensen in Nederland, en zelfs de wereld, is het Dagboek van Anne Frank een “bekend” boek. Velen zullen erover gehoord hebben, meer dan het zelf gelezen hebben, of “ze” gelezen hebben, want het gaat eigenlijk om dagboekbrieven. Meervoud dus.

Ik ben zelf nu boven de 50 – vanaf een bepaalde leeftijd vier ik geen verjaardagen meer, zoals mijn moeder ook zei - , maar moet ik wel even vermelden om de tijdspanne aan te geven van mijn leven.

Ik ben geboren in Nederland, en de laatste ruim 20 jaar woonachtig in Amsterdam. Daarvoor woonde ik ook niet ver van Amsterdam (Nieuw Vennep, NH: rustig, maar saai dorp), dus kwam er weleens, en vaker toen ik in Amsterdam ging studeren, in 1996. Ik was toen inmiddels al de 20 gepasseerd, en woonde naar (denk ik) goed Zuid-Europees gebruik nog wat jaren bij mijn ouders (Italiaanse vader, Spaanse moeder).

Anne Frank’s dagboek was al sinds kind bekend bij mij, het dagboek, de connectie met de Holocaust, het bijbehorende gebouw en museum in Amsterdam. Ik deed in 2000 een afstudeerscriptie bij Greenpeace International, gelegen naast waar Anne Frank schuilde (het Achterhuis), met nog – zei men mij - daarvoor dezelfde kastanjeboom die zij zag. Die afstudeerscriptie was voor de voormalige bibliotheek academie (HBO), nu in naam opleidend tot “informatiespecialist”.

Ik hoorde er ook veel over (school, tv), maar ik moet helaas – wellicht tot mijn schande – erkennen dat ik me niet bewust kan herinneren het dagboek zelf gelezen te hebben, al die tijd.

BOEKENWURM

Het kan zijn dat ik het ergens in een fanatieke boekenwurmen tijd die ik had na mijn “voetbal tijd” (tot ong. mijn 14e), zo’n decennium had (tot in mijn “20s”), ook “verorberd” had – dan wel deels – maar te midden van veel andere boeken en werken. Ik las toen veel over Afrika en cultuur, wist ik nog, maar ook wereldgeschiedenis. Ik vond “geografie” om een of andere reden intrigerend, en niet zo boeken waar je al zoveel over hoort, zoals enkele romans.

Dit ging allemaal veel verder dan wat van school moest, en thuis waren de meesten niet echt lezers. Het was vooral mijn eigen weg, nadat ik doordat ik een bril moest dragen (vanaf ongeveer mijn 13e) maar stopte met al dat voetballen: niet zonder spijt: de sport vind ik leuk. Ik vond gelukkig lezen en leren ook leuk en werd zelfs lid van de bibliotheek.

Mijn smaak was voorts eigenzinnig, maar wel breed en diep. Ik zocht meestal kennis die wat minder “mainstream” gepromoot werd. Harry Mulisch’s De Aanslag - een relatief bekende en ook verfilmde roman - las ik dan wel, en met plezier, maar dat was dan een van de uitzonderingen die de regel bevestigen, zeg maar. Op TV kwam Mulisch op mij grappig en interessant over, mogelijk daarom. Maar een “groot ego” boek als ‘Ik, Jan Cremer’.. daar kon ik mij niet toe zetten. Mogelijk vonden anderen het goed, maar ieder zijn ding.

Non-fictie begon me gaande weg meer te trekken – met name over geschiedenis - , en de boekenwurm in mij bleek een intellectueel. Toen las ik wel werken van “bekende namen”, vanwege het historische belang, maar ook selectief, en, wel, op leesbaarheid. Het Communistisch Manifest van Marx en Engels las ik wel – leerzaam op zich -, filosofische werken van Herbert Marcuse, Miguel de Unamuno, en anderen.

Verder vooral ook van zwarte, antikoloniale auteurs als Walter Rodney. Diens onvolprezen werk over Europees kolonialisme in Afrika: How Europe Underdeveloped Africa, is een aanrader voor iedereen. Zeker voor diegenen die zich als Rasta of “Afrika-vriendelijk” beschouwen. Daarnaast andere interessante boeken over deelgebieden (Rastafari, Cuba, Ethiopië), en leerzame biografieën van mensen met persoonlijkheden als Marcus Garvey, maar ook van muzikanten James Brown, Lee Perry, Peter Tosh, e.a.), veelal deels samenhangend met mijn sinds mijn “early teens” ontstane persoonlijke interesses (Rastafari, Reggae).

Maar mijn maatschappelijke belangstelling bleef breed. Een ander – toch – non-fictie werk als Anne Frank’s dagboekbrieven wilde ik eigenlijk ook lezen, vooral vanwege het historische belang. Ik had er veel over gehoord, maar dat hoeft niets te betekenen.

Als er teveel egotripperij om een boek hangt - een “hype” -, stoot het me af, maar rondom Anne Frank’s dagboeken hing dat niet zo, al werd het veel besproken in de media, soms met grappen, over wat voor iemand Anne Frank was. “Een vervelend kind, maar dat hoort ook zo op die leeftijd..”, herinner ik mij dat Jeroen Krabbé in een praatprogramma zei, toen het dagboek weer eens in het nieuws kwam. Wat flauwe grappen door matige comedians daar gelaten, hadden de meeste gesprekken rond Anne Frank’s Dagboek wel wat niveau en nuance.

Controverse – vooral als van een zeker intellectueel niveau - om een boek heen maakt me wel wat nieuwsgieriger, en ik ben het dan ook gaan lezen. In het Nederlands. Als een spreekwoordelijke “elephant in the room”, maar een leuke, lieve olifant, zeg maar. Het lezen was "long overdue”..

SCHUILEN

De premisse is al indrukwekkend. Een groep Joden, waaronder Anne met haar ouders en wat anderen moest schuilen voor de Nazi’s die Nederland hadden bezet en met steeds meer maatregelen tegen Joden kwamen. Anne was 13 toen ze begon onder te duiken (voor nog een paar jaar).

Ik kan dat relateren aan wat ik elders vernam over die Nazi-bezetting en het Nazi-regime, zoals op school, via documentaire’s, of in tentoonstellingen als het Verzetsmuseum. Er zijn critici van de weergave van die geschiedenis, maar de grote lijnen leken mij wel waarachtig. In ieder geval veelzeggend.

De wreedheid van het Duitse Nazi-regime zat hem in de militaire kracht, zeker, maar vooral het gebruik ervan. Eigenlijk gingen ze heel leugenachtig te werk, nogal sadistisch, en in zekere zin “geniepig”, zeker aangaande de Jodenvervolging.

In Nederland hadden de Nazi’s het eerst nog over een vage “strijd tegen het bolshevisme”, later toegespitst op groepen, maar geleidelijk en martelend sadistisch. Ook de afvoer naar concentratiekampen werd niet openlijk gepresenteerd als “bestemming: dood”, maar als werkkampen en tewerkstelling, waarbij velen in die kampen in het ongewisse bleven over hun gaskamer dood, terwijl ze gedwongen werkten.

Dit diabolische geheel - concreter: een Duitse oproep tot tewerkstelling aan Anne’s oudere zus - deed ook Anne Frank en de anderen schuilen in het Achterhuis, letterlijk achter een bedrijf/magazijn (van vader Otto Frank), uit het zicht, aan de Prinsengracht in Amsterdam, vlakbij de Westerkerk. Vóór die tijd, woonde het gezin Frank aan het Merwedeplein in Amsterdam-Zuid.

De dagboekbrieven betreft het samenleven daar van Anne met haar ouders, oudere zus, en bevriende Joden (waaronder echtparen en zoon, en een tandarts), en helpende niet-Joodse Nederlanders uit het verzet, trouwe werknemers van Otto’s bedrijf, die af en toe langs kwamen ter steun, en dus wel gewoon over straat konden lopen, zonder ster, en daardoor dingen en voedsel konden brengen, etcetera..

Dit hele naargeestige gegeven moet haast wel interessant leesvoer opleveren, wie het ook schrijft, en Anne was weliswaar wat jong, rond de 13 jaar oud, doch – ook noodgedwongen – vroegrijp.

SCHRIJFTALENT

Het prettigste bij het beginnen te lezen vond ik dat ik merkte dat Anne Frank plezierig schreef in haar toch persoonlijke dagboek: het las lekker weg, een aantrekkelijke, beeldende schrijfstijl, en niet zonder droge, relativerende humor. Ze had ook een goed observatievermogen. Zeker, er waren wat kinderlijke herhalingen en fixaties bij haar schrijven, maar dat is niet meer dan natuurlijk, evenals het “pubergedrag” af en toe. Ze had zonder meer schrijftalent.

Ik merkte vooral dat Anne toch een relatief intelligent kind was voor die leeftijd, en begon mezelf af te vragen of dat ook voor mij gold op diezelfde leeftijd (13-15 jaar). Ik was goed in taal (leerde snel Engels), maar herinner mij toch ook dat ik zelfs wat “diepe beschouwingen” rond die leeftijd had – zelfs met een voetbal onder mijn arm – die iets intellectueels hadden, over de maatschappij. Al pratende met mensen, tussen het praktisch, spelend, me vermakend, bezig zijn.

Anne Frank zat echter noodgedwongen binnen ondergedoken, en moest wel veel nadenken en reflecteren, met weinig tijd voor spel en sport, of ander “vrij buitenleven”. Ze schreef ook letterlijk dat ze vroeger (nog “thuis”, niet schuilend) veel minder nadacht dan in het Achterhuis. Daar zit een wat verhulde, maar aanwezige tragiek.

De Frank familie waren Duitse Joden afkomstig uit Frankfurt am Main, en spraken deels soms nog Duits, begreep ik, naast Nederlands, en Anne had in Amsterdam jaren onderwijs gevolgd.

Ze schrijft goed Nederlands, zelfs wat formeel en vormelijk – met nuance – wat ik wel sympathiek vond, om een of andere reden. Ik vraag mij af: had dat te maken met een ouderwetsere tijd in Nederland – praatte men toen in Nederland gewoon netter en formeler – of met hun Duitse achtergrond, als taal toch formeler dan het Nederlands (ondanks de gedeelde Germaanse taalkundige oorsprong)?

Die “gedeelde Germaanse oorsprong” van Duitsers en Nederlanders maakte de Duitse inval in Nederland – zo vertelde een geschiedenislerares mij ooit – wat gematigder, want Nederlanders waren volgens de Nazi rassenleer “een Germaans broedervolk” (letterlijk zo genoemd in de propaganda), mede-Ariërs, aan de goede kant van de raciale streep. De Joden en zigeuners in Nederland toen echter niet.

De eerste jaren waren nog wel gematigd, maar wat meer verzet, zoals de Februaristaking, leidde tot wat meer disciplinaire maatregelen, duidelijk van een bezetter, in heel Nederland, maar met extra strenge regels tegen Joden (langere “avondklok”, steeds meer plekken verboden), en uiteindelijk hun vervolging en afvoering. Anne’s dagboekbrieven waren van juni 1942 tot augustus 1944, dus spelen in die tijd.

In deze context, te midden van een oorlog met de geallieerden die opmars maakten, schrijft Anne Frank in haar dagboek, zogenaamd aan een fictieve vriendin die ze “Kitty” noemt.

RELATIES EN KARAKTER

Anne bespreekt in haar dagboekbrieven aldus haar relaties en irritaties met de huisgenoten (met andere namen gegeven), het soort gesprekken en ruzies, diners, hoe ze met haar ouders is, werktaken e.a.. Ze heeft een “moeilijke” band met haar moeder, maar lijkt meer affectie voor haar vader te hebben. Er is ook de wat oudere tandarts die in huis kwam “Dussel” (ook een Duitse Jood, eigenlijk Frits Pfeffer geheten) die ze vaak maar een raar, en soms vervelend iemand vond. Vooral toch het speelse gezeur van jonge meiden, en die Dussel vond hetzelfde over Anne. Speelse irritaties - soms wat naarder – maar normaal bij elk samenwonen, vooral als zo dicht op elkaar als in dat Achterhuis.

Kwam Anne als “naar” of “vals” kind over, wat sommige lezers later stelden? Nee, in mijn beleving niet. Ze praatte nogal genuanceerd, vaak zelfkritisch, ook erkennend als ze mogelijk te hard was of overreageerde (zoals op haar snauwende, over-opvoedende moeder), en ze was positief over sommige mensen (helpende Bep), zich vooral beklagend als ze zichzelf naar haar beleving te streng of te kritisch behandeld vond worden. Alleszins menselijk en redelijk. Ik vond haar zelfs té zelfkritisch over haar zelf, te onterecht onzeker.

Dat bescheidene en openlijk “onzekere” en twijfel over zichzelf toegeven, heb ik overigens vaker bij vrouwen dan bij mannen aangetroffen in mijn leven, en is sympathieker dan hoe mannen vaak met hun onzekerheden om gaan: eerder deze overschreeuwen door het af te reageren op anderen, de pestkop uithangen, valse agressie, loze competitiviteit, e.a.

Anne was ook “zacht” voor zwakheden van sommigen. Peter, de even jonge zoon van een schuilend echtpaar Van Daan, probeerde ze soms van zijn minderwaardigheidscomplex af te praten over bepaalde schoolvakken die hem minder lagen, bijvoorbeeld, door hem te zeggen waar hij wel goed in is. Dat heeft iets “liefs”. Anders dan wat ze tegenwoordig onder jongeren wel “(player) haters” noemen: mensen die je als een soort politieman alleen aanspreken om je te bekritiseren om wat je fout zou doen, mogelijk ter heimelijke demotivatie.

Wat ik ook leuk aan haar, Anne, vond was de typisch vrouwelijke relativeringen, een soort “bird’s view” die het ridicule van situaties goed weergeeft, wanneer nodig. Mijn moeder kon dat in mijn herinnering ook goed.

UITDAGINGEN

Ook haar “uitdagingen” waren typisch vrouwelijk, en ergens ook wel grappig. Een van mijn broers vond dat de taak van vrouwen in deze wereld is mannen te irriteren en ze (positief) uit te dagen. Eigenlijk als aanmoediging dus. Vrouwen plegen communicatief wat sterker dan mannen te zijn – wel mijn ervaring, althans -, en directer qua gevoelens, dus dat werkt dan ook zo. Zeker bij mannen die zich opsluiten in hun egoïsme, en dat zijn er nogal wat, in elke situatie en cultuur. Vrouwen en meisjes “halen soms toch dingen” uit dit soort mannen, meende dus onder meer een van mijn broers.

Anne Frank was al een paar keer ongesteld geweest – schreef ze -, zich dus ontwikkelend tot jonge vrouw. Ze noemde zichzelf een “bakvis”, en had ook kalverliefdes, terugdenkend aan een jongen met wie ze een tijd “ging”, toen ze nog vrij was, voordat ze moest onderduiken. Ze herinnerde zich zijn “mooie bruine ogen”. Later verplaatste haar genegenheid naar leeftijdgenootje, en mede-onderduiker in het Achterhuis, Peter.

Dit is veelzeggend op meerdere manieren, denk ik. Ook psychologisch. De verhulde tragiek toont zich hier in de “afgesloten” normale ontwikkeling voor vrouwen in vrijheid. Ze had nog hoop dat ze uiteindelijk vrij zou komen, hierbij de oorlogsontwikkelingen – opmars van de geallieerden – hoopvol volgend, samen met mede-onderduikers in het Achterhuis, zoals via de BBC radio. Volwassen Achterhuis-bewoners debatteerden ook over het nieuws.

Tijdens de oorlog nam onrust, maar ook diefstal, in Amsterdam toe en er waren inbrekers in het magazijn (voorhuis), met angst voor ook vinden van de onderduikers in het achterhuis. Momenten van angst, terwijl Anne’s verliefdheid op Peter haar afleiding van al die spanningen leek te geven.

De “verering” die meisjes en vrouwen bij dit soort verliefdheden soms hebben, was er ook bij Anne. Hoewel het niet-autoritair is, voel ik altijd wel wat scepsis bij zoiets. Mannelijke jaloezie van mijn kant: “wat heeft hij wat ik niet heb?”. Dat sluit ik niet helemaal uit, ware het niet dat het eerder realiteitszin dan jaloezie is. Goed en slecht zit in iedereen, en sympathie en aantrekking zijn subjectief.

MAN-VROUW

Ik denk daarbij ook dat die “verering” van een jongen niet echt van binnen komt, maar dat zo’n meisje het slechts zichzelf aanpraat, of doet alsof. Ik kan mij echter vergissen. Hoef je iemand echter echt te “vereren” om je in diegene (verliefd) te kunnen verliezen? Is dat het? Het heeft ook iets ongeëmancipeerds, lijkt het, voor zo’n intelligente, “vrij denkende” meid als Anne

Toch, Anne schrijft er dan soms wel “bakvis”-achtig over, maar toch relatief intelligent en reflecterend, gewoon eerlijk zeggend wat ze voelt. Later in het dagboek bleek ze inderdaad nogal geëmancipeerd te denken, en stelde ze dat mannen teveel de baas over vrouwen spelen, in meerdere culturen. Het gezin Frank was Liberaal-Joods en andere Joden in het Achterhuis zelfs sceptisch over “religie”, wat dergelijke progressieve gedachten denkelijk de ruimte gaf. Er zijn anno 2026 nog steeds landen op de wereld waar vrouwen zelfs wettelijk tweederangsburgers zijn, dus Anne’s boodschap is niet achterhaald, en nog relevant.

Ik bleef haar bij het lezen eigenlijk wel sympathiek en grappig vinden, die Anne. Ze beschrijft – in haar dagboek – hoe ze een vagina moet uitleggen aan Peter, die daar volgens haar nog niets van wist. Vroegrijp, haha.

Dat doet ze duidelijk, ‘t vrouwelijke geslachtsdeel beschrijven, zij het wat plastisch. Dat doet mij denken aan hoe het was geweest als ik dit boek wel al las rond mijn 13e jaar, toen ik toch al naar de jeugdbibliotheek ging. Mogelijk het “o, zit dat zo”-effect bij mij, want ik had geen zus of nichtjes dichtbij. Zou niet eens zo slecht zijn, want zoals het hoort: via een meisje en leeftijdsgenootje, al past zoiets niet in alle culturen.

Mijn ouders gaven me in ieder geval weinig seksuele voorlichting, slechts vage waarschuwingen. Dat zal ook wel een cultureel ding zijn: Nederlandse vriendjes van me hoorde ik daar wél over.

Zuid-Europeanen waren daar te preuts voor. Of leken dat, want op Italiaanse en Spaanse feesten vond ik de sfeer vaak “flirteriger” dan op Nederlandse “feestjes”. Anne’s heldere beschrijving van de baarmoeder en vagina had geholpen, haha.

LEERGIERIG

Mogelijk omdat ze uit een bepaalde klasse kwamen (haar grootvader Michael Frank had zich in Frankfurt opgewerkt tot rijk ondernemer), en door andere sociaal-culturele factoren, werd studeren en lezen belangrijk gevonden in het Achterhuis, zelfs met een onzekere toekomst. Anne was zeker ook leergierig, maar ze beschreef ook hoe verschillende mensen in het Achterhuis verschillende interesses hadden. Zijzelf vond talen en geschiedenis het interessants, maar vond algebra niets. Ze wilde ook over andere geloven, en bijvoobeeld het Nieuwe Testament, leren. Een “Alfa” dus, zoals ikzelf ook, trouwens.

Anne bleef ook aantrekkelijk schrijven, over toch een beperkte leefruimte, met wel meerdere mensen. Soms een beetje van een “roddel”-gehalte wat je later ook wel in soap opera’s of sitcoms op TV zag (The Bold and the Beautiful, Friends), maar vaak toch ook dieper, met psychologisch en filosofisch inzicht.

HET JOODSE

Interessant vond ik ook hoe Anne “het Joodse” zag, haar volk. In de huidige tijd van “identiteit” – waar ook wel misbruik van gemaakt wordt – is dat ook wel leerzaam.

Volgens een criticus van het neoliberalisme (wat ikzelf ook ben, maar dat terzijde) als (in Nederland) Ewald Engelen diende de overdreven aandacht voor identiteit sinds ongeveer 1990 om sociaal-economische ongelijkheid te overschreeuwen, die toenam door Neoliberaal (pro-kapitaal) economisch beleid in Europa en VS. Een politieke afleidingstactiek dus via gender, ras, etniciteit, geloof, cultuur, zelfs seksuele voorkeur, etcetera. Als het maar niet over “klasse” en machtsverschil gaat, redeneert Ewald Engelen.

Ik kan deels met Engelen’s analyse mee gaan (gewenste afleiding van klasse), maar de “Joodse identiteit” heeft wat eigen kenmerken. Slachtoffers, maar toch in deze tijd een machtige lobby en invloed op sommige terreinen, zeker in de grootmacht (for better or worse) de VS. Christenen, Moslims, en anderen heb ik weleens horen zeggen over Joden: “ze vinden zichzelf uitverkoren door God, boven anderen, dus ze zijn zelf racistisch..”.

ZIONISME

Ook de vermeende invloed van “Zionisten”, - cynisch Israël ondersteunend via invloed op VS politiek - wordt als bovenmatig gezien in alternatieve kringen, niet eens alleen door crypto-antisemieten. Mensen als Kees van der Pijl hebben het over machtslijntjes van “zionisten”, soms gretig gesimplificeert door gefrustreerde moslims (Palestina), of andere Israël-critici.

In het begin van haar dagboek zegt Anne iets over “Zionisten” die zij kende en waar ze over las, maar wat ze als een wat radicale club afdeed, niet de Joodse mainstream. Van der Pijl stelde zelfs dat Zionisten niet per se Joden hoeven te zijn, wat het wel weer wat “vaag” maakt.

Misschien dat Joden voor hun aantal relatief veel invloed hebben in de wereld, maar ikzelf twijfel over die vergaande invloed van Zionisten in de Westerse wereld. Mijn intuïtie en (inmiddels vergaarde, ook professioneel) historische kennis zegt mij dat “zionistische” macht vooral een rookgordijn vormt voor grotere machten of complotten, meer Angelsaksisch van aard.

Bankenstelsel, NAVO, Pentagon (etcetera, etcetera). Belangen van die partijen (veelal voortvloeiend uit historische wereldmacht/kolonialisme) zijn veel groter – en aantoonbaarder - dan dat van het relatief kleine land Israël, zelfs als in vijandig gebied (Midden Oosten), en wat rijke Joden die wel invloed hebben, maar slechts meeliftend op die Angelsaxische macht. Dat is mijn analyse.

UITVERKOREN

Elk land komt immers op voor het eigen nationale belang – sommige wat verbetener, weliswaar -, en ik ga nog een stap verder.. Ik denk dat stiekem elk volk zichzelf superieur en “uitverkoren” vindt, niet alleen Joden.

Terugkijkend en –denkend van wat ik allemaal gehoord heb: van mijn ouders, van familie in Italië en Spanje, van Nederlanders hier.. Ik kwam professioneel en sociaal ook veel mensen van andere nationaliteiten tegen, ben naar het Caraïbisch gebied geweest, de taal sprekend (Cuba, Jamaica), en woon ook in het internationale Amsterdam.

Wat ik hiervan leerde?: elk volk vindt zichzelf “uitverkoren”, zij het soms anders verwoord (superieur, “beschaafd”, nuchter, Herrenvolk, o.a.). Spanjaarden tegenwoordig met wat meer relativering (zo ook mijn moeder, die zich toch “gewoon” Spaans voelde, maar met humor en zelfspot).

Historisch “nieuwere” landen als Italië hebben die doorgeslagen trots vaak wat verbetener en humorlozer, merkte ik ook als verschil tussen mijn ouders, die elkaars landen ook bekritiseerden. Ook superioriteitswaan die (nog) steeds politiek-economisch bevestigd wordt (Angelsaksische, bijv, Engeland, VS) verliest helaas wat van die zelfrelativering, merk ik. Denk aan de culturele dominantie van de VS (Hollywood, etc.).

Anne Frank zei daar in haar dagboek iets moois en gevatst over, in verband met een gesprek met Peter. Peter fantaseerde over “na de oorlog”, en dat hij dan liever als niet-Joods of Christen bekend stond in Europa, maar toch niet hetzelfde kon zijn want (wij) Joden waren toch het “uitverkoren” volk. Anne reageerde hierop met: ik hoop echter ook dat wij Joden ook voor iets goed “uitverkoren” zijn. Met andere woorden, niet slechts voor vervolging, discriminatie, e.d.

Anne voelt zich ook Joods en verbonden met het lang lijdende Joodse volk, dat sterk moet zijn, blijkt uit haar schrijfsels, maar stelt daarin ook het menselijke voorop, verlangend naar een tijd waarin ze gewoon mens en niet ”alleen Joods” was. Dit relativeert toch dat “identiteit als wapen” principe dat sommigen hanteren.

Naar mijn eigen overtuiging is het zo dat je eerst een individu bent, een mens, en daarna gevormd door je cultuur en opvoeding. Wat je daarvan mee krijgt en hoe je daarmee om gaat – plus met andere invloeden - , maakt jou als individu uniek. Niet allesbepalend, maar je kan ook niet zonder (cultuur). Dat is dan jouw identiteit, die echter individueel is.

Ik heb dat geleerd gedurende mijn leven van nu al zo’n 50 jaar, maar Anne leek dat inzicht reeds al wat te tonen rond haar 14e levensjaar, door moeilijke omstandigheden. Ook daarin toonde ze intelligentie, en ergens ook een “zachte” aard.

VERRADEN EN OPGEPAKT

Ik had eerder via de media al vernomen over de afloop van de Achterhuis ondergedokenen: verraden en in Augustus 1944 door de Gestapo opgepakt en vervoerd naar concentratiekampen – Anne overleed zo’n half jaar later aan tyfus in concentratiekamp Bergen-Belsen, net als haar zus.

Ze zaten zo’n 25 maanden ondergedoken in dat Achterhuis aan de Prinsengracht, te Amsterdam, en werden toch opgepakt.

Dit wist ik al en daardoor kregen de laatste pagina’s van haar dagboek wat extra lading, een extra dramatiek. De Duitsers/de Gestapo haalden ze op op 4 Augustus 1944, Anne schreef haar laatste dagboekbrief op 1 Augustus, dus enkele dagen daarvoor. Over haar innerlijke tweestrijd, aansluitend op haar eerdere zelfreflectie en omgang met haar vader, Peter en anderen. Gewoon, zoals Anne schreef. Nietsvermoedend, en blijkbaar kwam de Gestapo – zoals alle kwaadaardige krachten – bij verrassing, onverwachts voor betrokkenen. Het verrassingseffect geeft immorele, onzekere macht psychologisch extra glans, wat het geweten sust, en voor sadisten prettige zelfbevestiging van hun macht geeft.

ALGEHELE CONCLUSIE

Niet eens om “politiek-correcte” redenen, maar gemeend, kwam Anne Frank op mij als een sympathiek meisje/jonge vrouw over. Ik zou wel zo’n zusje gehad willen hebben.

Dit in verband met een discussie die ik ooit zag op TV, bij de NPO – ik geloof dat Jeroen Pauw presenteerde – over dat Anne eigenlijk een vervelend kind was – maar “gewoon puberde”.

Dat is te relativeren. Naar mijn indruk en ervaringen was ze relatief leergierig en intelligent en – niet onbelangrijk – zelfkritisch, met zelfrelativering. Een fijne combinatie, die je niet vaak treft. Veel mensen vinden zichzelf relatief intelligent, en in deze “neoliberale” tijden - om met Ewald Engelen te spreken – is leergierigheid maar al te vaak gericht op eigenbelang en economisch gewin. Niet bij iedereen, zeker nog niet bij kinderen van 13-15 jaar oud, maar dat zit in dit systeem.

In dat leergierige herken ik mijzelf van die leeftijd, ook wel in andere zieleroerselen van Anne. Ook begon ik rond mijn 13e jaar met schrijven (verhalen, songteksten, gedichten), zijnde toch een zogeheten “creatief type” (evenals Anne). Ook ben ik meer een Alfa (talen, geschiedenis, kunst) dan bijv. een Beta (technische jongens), zoals ook Anne, die volgens haar dagboek het vak algebra vermeed of uitstelde. Ik had daarentegen klasgenootjes (uiteraard jongens) die wiskunde juist het leukste vak vonden en “kickten” op algebra, wat ik dus niet begreep..

Ook wat verschillen, toch: ik was een jongen (meisjes zijn vroeger “seksueel rijp”), en ik was als tiener ook nogal met voetbal en daarna “coole” muziek bezig (andere jongens: met “techniek”), maar had wel relatief meer die intellectuele, “lees” en “bestudeer” neigingen, ook vergeleken met leeftijdgenootjes, die meer passief gangbare massacultuur beleefden (Mainstream media en amusement, TV, Hollywood).

Een ander belangrijk verschil zat hem juist in dat schuilen, het ondergedoken zitten van Anne, met een aantal mensen, in een beperkte ruimte: het Achterhuis aan de Prinsengracht. De buitenwereld figureert indirect, als herinnering en hoop. Zo’n opgesloten context, met onduidelijke afkomst, doet dan als vanzelf de nadruk te leggen op onderlinge relaties, stelt familierelaties op de proef, voor langere tijd. Tijdelijk maakt iedereen dat mee (krap op elkaar in vakantiehuisje, ruzies die eerder niet ontstonden, samenwonen na LAT-relatie), maar in dat Achterhuis dus uitvergroot en langer.

Alle gesprekken, eigenaardigheden, karaktertrekken, dagrituelen van de mede-onderduikers komen dan dichtbij. Dat maakt dit dagboek uniek, ook omdat Anne Frank goed schrijft, het goed duidelijk maakt: de beklemming, de sleur, naast spanning en hoop.

Je wordt op jezelf terug geworpen, wil het cliché dan, wat ook wel waar is. Ook leer je sommige mensen pas beter kennen bij intensieve omgang, al dan niet noodgedwongen, en ook jezelf. Anne dacht dus noodgedwongen meer na; in de vrije wereld kunnen we meer doen om niet te hoeven denken. Ook een verschil met mij, al woonde ik in een saai dorp: er waren mogelijkheden. Ik kon de deur uit, naar de buitenwereld.

Ongetwijfeld zullen opgesloten criminelen ook wel hun verhaal hebben verteld, maar in een andere context, en vanuit een ander perspectief. Adolf Hitler schreef Mein Kampf ook in (zij het tijdelijke) gevangenschap.

Ikzelf weiger het te lezen, maar ik ken mensen (niet eens neo-Nazi’s, maar wetenschappers) die Hitler’s Mein Kampf hebben gelezen, indirect dus Anne’s moordenaar (en van vele anderen, zoals haar).

Omdat het dus geen Neo-Nazi’s waren praatte ik gewoon met deze lezers van Mein Kampf, en zij vertelden over een “drammerige” toon, vol met ideologie, niets persoonlijks of kwetsbaars “eerlijk” van de auteur als individu, maar zich verschuilend in/achter een rancuneuze ideologie en “strijd”. Duitse, Germaanse superioriteit, machten die het Duitse volk tegen werken, etcetera.

Waarschijnlijk om te provoceren zei boekenrecensent Rypke Zeilmaker in het alternatieve internet-kanaal Café Weltschmerz dat Mein Kampf hem qua teneur aan de Quran/Koran deed denken, of andersom, maar omdat hij wilde aangeven dat de Bijbel beter geschreven was.

Niet leuk voor mijn Islamitische vrienden, en mogelijk wilde Zeilmaker de Islam hiermee bashen, maar het onpersoonlijke en anti-individualistische – en een agressieve heilsleer – deelde het heel oppervlakkig nog wel. Zowel de Quran – en eigenlijk ook de Bijbel – en ook Mein Kampf zijn ook nadrukkelijk “mannelijke” boeken. Anne Frank’s dagboek duidelijk meisjesachtig/vrouwelijk.

Illustratief legt Hitler in Mein Kampf de schuld van al het slechte bij “anderen”, maar doet Anne Frank in haar dagboek aan zelfreflectie, en heeft het genuanceerd over goed en kwaad in ieder mens.

Wat de een teveel had, had de ander te weinig, kan een cynische conclusie zijn.

Jamaicaanse Rastafari denker/artiest Mutabaruka betoogde dat heilige boeken als de Bijbel en Koran/Quran door “onzekere” mannen (ook qua vrouwen) zijn geschreven, die dat echter goed verhullen. Dat stond hem tegen, ook al was de Rastafari beweging oorspronkelijk ook deels Bijbels gebaseerd (maar met een “Afro-centrische”/zwarte interpretatie).

Overigens is de wat poëtische Quran iets minder destructief/negatief dan de Hadith overleveringen rond Mohammed (oorlogszuchtiger, nog meer haat.. ook mannelijk dus) die fanatieke moslims helaas ook als richtlijn hanteren.

Hoe het ook zij, loze vergelijking of niet: in ieder geval is Anne Franks’ dagboek een eerlijk, menselijk boek, met een gezonde, individuele, zelftwijfelende insteek van een persoon. Eigenlijk gewoon van een open-minded, lief, intelligent meisje – met vaak goede, menslievende standpunten. Je leert haar plezierig kennen in dit dagboek, ook omdat ze “speels” schrijft.

Daarnaast heeft het dagboek aspecten die het uniek maken: de context (opgesloten in onzekere omstandigheden, in Amsterdam, schuilend, oorlogstijd, Holocaust, etc.). Het woord “beklemming”, kwam in mij op.

Uiteraard had ik Anne een langer leven gegund. Ze wilde, zo schreef ze, schrijfster en journaliste worden, en ze was vast een goede geworden. Ze was het eigenlijk al..